IN VEILIGE HAVEN.

Het was een week na den Sint Nicolaasavond—12 December. Staag viel de

sneeuw over de Rottestad. Een wit kleed spreidde zich als een zachte,

wollige vacht uit over daken en torentransen en dempte de voetstappen

der vele wandelaars.

In het woonvertrek van jonkheer Deelman werd het geluid slechts

verbroken door het razen van het water in den theeketel.

Het was omstreeks acht uur in den avond.

Mevrouw Deelman las een roman, haar echtgenoot was bezig een collectie

bijzonder interessante en kostbare zegels te sorteeren.

Mevrouw staakte het lezen. Ze legde haar boek op een tafeltje, dat

naast haar leunstoel stond aangeschoven, stond op en begon het water

uit den zilveren bouilloir over te schenken in den trekpot. Toen keek

ze naar haar echtgenoot, die zoo vol aandacht verdiept scheen in zijn

postzegels.

„Edward”, sprak ze op zachten toon.

De aangesprokene staakte zijn werk.

„Wat is er Marie!”

„Denk eens een week terug!”

„Een week terug! Vijf December!”

„Ja, Sint Nicolaasavond!”

„De surprise!”

„Ja, juist. Wat is er in die enkele week niet voorgevallen. En hoe

drukt mij nog steeds de gedachte, dat het leven van dien zuigeling

wordt bedreigd—misschien al is afgesneden.”

„Kom, vrouw, niet zoo somber! Je moet niet het ergste denken en je geen

muizenissen in het hoofd halen. Ik vermoed, dat de kleine is opgelicht

om hem naar het buitenland te brengen en daar te laten opvoeden. De

kleine kroonprins zal dan later misschien een gezonde, stevige

boerenknaap worden, die zich heel gelukkig gevoelt. Je weet, Marie, dat

het geluk niet schuilt in het dragen van een kroon.”

„Als ik wist, dat het kind gespaard blijft, zou ik waarlijk de heele

geschiedenis uit mijn hoofd zetten. Heb je den chèque nog in je bezit,

Edward?”

„Neen! Ik heb dien gedeponeerd bij den directeur der „Nieuwe

Rotterdamsche Bank”. Ik vermoed, dat het geldswaardig papier zal worden

teruggestuurd naar vorst Pedro van Navarra. De vorst van het

onbeduidende staatje doet in dezen tijd wel van zich spreken. En ik zal

nu meteen van de gelegenheid gebruik maken om mijn Navareesche

postzegel-collectie te voltooien.”

„Toch,” begon mevrouw weer, die geruimen tijd, in gedachten verzonken,

vóór zich had gestaard, „en toch had ik het ten zeerste op prijs

gesteld, als kroonprins José in ons huis was gebleven, totdat nader

over de bestemming van het kind beslist was. Het gaf weer zoo’n

prettige drukte in huis en zuster Linda was inderdaad een juweel van

een meisje en voor mij bijzonder gezellig. Ze is nog totaal onder den

indruk van het gebeurde op den ’s Gravendijkwal. ’t Arme kind was zoo

blij met haar betrekking hier, die nu zoo plotseling is afgebroken.”

„Zou je haar niet als juffrouw van gezelschap bij je kunnen houden?”

„Ik denk er zeer ernstig over.”

In de gang luidde de electrische schel.

Enkele oogenblikken later werd geklopt.

Frits, de huisknecht trad binnen, het gelaat van verbazing vertrokken.

„Meneer...... mevrouw,” begon de gedienstige, „daar is......”

„Wel Frits, wat is er? Je bent heelemaal van streek!”

„Daar is een meneer!”

„Wie is het?”

„Hier is zijn kaartje!”

Frits overhandigde een kaartje en de heer Deelman las:

Lord Lister No. 0115: Een Sinterklaas-verrassing · 第 20 / 21 题