INTERNATIONALE OPLICHTERS AAN HET WERK??

En daaronder stond het volgende vermeld:

„Een zeer zonderlinge geschiedenis heeft zich dezer dagen in onze

stad afgespeeld.

In den avond van den vijfden December werd bij een onzer grootste

reeders, jonkheer D., die tevens Spaansch consul is, een surprise

bezorgd in den vorm van een mand.

Bij nader onderzoek bleek het, dat deze mand bevatte een zuigeling

van omstreeks vijf maanden.

De heer en mevrouw D. lieten het wichtje des nachts onder hun dak

slapen om den volgenden dag de politie van het geval in kennis te

stellen, toen een groote, verzegelde brief hun de tijding bracht,

dat dit kindje was de erfprins van Navarra, zoon van vorst Pedro

van Navarra.

De moeder van den kleine stierf bij de geboorte en daar bij

kinderloos overlijden van vorst Pedro diens broeder Arto

troonopvolger zou worden, is voor dezen thans de kans verkeken.

Vorst Pedro leeft op zeer gespannen voet met zijn broeder en daar

men vreesde voor de veiligheid van het leven van den kleinen

erfprins, werd deze naar veilige havens gebracht.

Een chèque op de „Nieuwe Rotterdamsche Bank” van een half millioen

zat tusschen de kleertjes van den kleinen prins genaaid.

Hoewel het echtpaar D. niet van plan was, den kleinen prins, wiens

levensbehoud van zoo groote politieke beteekenis is, bij zich te

houden, had het toch besloten, voorloopig af te wachten, tot nadere

berichten zouden inkomen.

Mevrouw D. had een verpleegster met de speciale zorg voor den

kleinen jongen belast, die den ganschen dag onder toezicht bleef.

Het had reeds de opmerkzaamheid getrokken van het echtpaar, dat de

mand met de wonderlijke surprise werd gebracht door een in pelsjas

gekleeden heer van donker uiterlijk, die met een auto voor het huis

aan den Westersingel had stilgehouden.

En even geheimzinnig als de zuigeling werd gebracht, is hij thans

ook weer verdwenen.

Gistermiddag omstreeks twee uur ging zuster L., die met de zorg

voor het kindje was belast door mevrouw D., met den kleine wandelen

in het middagzonnetje.

Het kindje lag in een wagentje. Op den ’s-Gravendijkwal gekomen

naderde langzaam een automobiel. Zuster L. meent zich te

herinneren, dat het voertuig donkergroen gelakt was. Uit de auto

stapte een dame, het gelaat blauw gesluierd. Dicht bij het

kinderwagentje sloeg zij plotseling de handen in de lucht en zakte

ineen. Zuster L. snelde toe om hulp te bieden en de dame naar een

apotheek te brengen, waar zij zich reeds hersteld gevoelde.

Toen zuster L. weer bij haar wagentje terugkeerde, dat zeker niet

langer dan een tweetal minuten onbeheerd had gestaan, zag zij tot

haar ontzetting, dat het aan hare zorgen toevertrouwde kindje

daaruit verdwenen was. Zuster L. was wanhopig. Een slagersjongen

wist haar te vertellen, dat een heer met een donker uiterlijk uit

de auto was gestapt, het kindje uit den wagen had genomen en daarna

weer in de auto had plaats genomen, die zeer snel in de richting

van de Diergaarde (dus van het Delftsche Poortstation) was

verdwenen.

IJlings haastte zich de zuster nu naar de apotheek terug. Immers

was de dame met den blauwen sluier ook uit die auto gestapt. De

dame was reeds verdwenen en de zuster kon niets meer van haar

ontdekken.

De chèque is nog in het bezit van jonkheer D.

Ernstige gronden bestaan om hier te denken aan een complot van

personen, die het leven van den jeugdigen kroonprins bedreigen.

Immers staat in Navarra de partij van vorst Pedro fel tegenover die

van prins Arto. Bovendien is vorst Pedro thans zwaar lijdende aan

zijn pijnlijke, sleepende kwaal. De doktoren geven weinig hoop. Als

het leven van kroonprins José bedreigd wordt, dan zou de

Nederlandsche regeering wellicht in ernstige politieke

verwikkelingen kunnen geraken.

Niet alleen dus omdat naar alle zekerheid een kinderleven wordt

bedreigt, maar ook in het belang van den staat der Nederlanden

roept de hoofdcommissaris van politie te Rotterdam ieder op, die

eenige inlichtingen kan verstrekken omtrent een blauw gesluierde

dame, een donker-uitzienden heer, gekleed in pelsjas en cylinder

hoed en een donkergroen gelakte auto, welke in den middag van

Vrijdag, 10 December omstreeks twee uur langs den ’s-Gravendijkwal

reed, eenige minuten stil stond en toen verdween in de richting van

de Diergaarde.”

Het was in gespannen aandacht en met groote oogen, dat Raffles dit

bericht tot twee keer toe overlas.

Toen haalde hij uit zijn vestzak een Marokkijnleeren étui te

voorschijn, nam daaruit een fijn, puntig schaartje en knipte het

bericht uit het eerste blad van de „Nieuwe Rotterdamsche Courant”.

Uiterst voorzichtig, alsof het een chèque ter waarde van een millioen

gold, vouwde Raffles het knipsel samen, en borg het in de kast van zijn

kostbaar gouden repetitie-horloge.

Toen drukte hij op de electrische bel.

James klopte en trad binnen.

„Wel, James”, sprak Raffles, „ga mister Brand terstond wekken.”

„Yes, sir!”

„Blijf kloppen, James, tot je zeker weet, dat mister Brand is

opgestaan. En zeg hem dan, dat hij zich in groote haast moet kleeden.”

„Yes, sir!”

James klom de trap op om het bevel van zijn heer ter uitvoer te

brengen.

Eigenlijk verkneuterde de oude knecht zich, dat hij dien jongen, luien

mister Brand uit bed mocht halen.

Mister Brand sliep altijd véél langer dan de Lord.

Dat was iets, wat feitelijk niet te pas kwam—vond althans oude James.

En extra-luid trommelden zijn knokige vingers op de deur van Charly’s

slaapkamer.

Een half uur later trad de jonge secretaris bij zijn vriend binnen.

„Morgen, Edward”, begroette hij Lord Lister.

Raffles schrikte op uit zijn peinzen, waarin hij was verzonken geweest,

sinds James de kamer had verlaten.

Een diepe rimpel had zich tusschen zijn oogen gelegd, maar nu werd zijn

gelaat weer effen.

„Morgen Charly! Heb je al ontbeten?”

„Neen!”

„Doe dat dan vlug. We gaan over een half uur op reis!”

„Op reis?”

Charly’s oogen verwijdden zich.

„Nu, schrik maar niet! We gaan niet ver!”

„Hoe ver?”

„Rotterdam!”

„Ha!”

Een vroolijke lach trok over het gelaat van den secretaris.

„Naar Rotterdam! Hoera, Edward! Hoera! Naar de mooie hertogin?”

Een ironisch lachje trok over het gelaat van den Grooten Onbekende,

toen hij antwoordde:

„Wie weet, Charly! Ik geloof wel, dat je eenige kans hebt, de mooie

hertogin De Confuelo nog eens weer te zien! Ik geloof het! Zeker echter

weet ik het niet!”

Lord Lister No. 0115: Een Sinterklaas-verrassing · 第 16 / 21 题