Den dag, volgende op het Circus-bezoek, sliep Charly Brand een gat in
den dag.
Het was niet later dan tien uur, toen hij wakker werd, maar nadat hij
een blik op zijn horloge had geworpen, draaide hij zich nog eens
kalmpjes op de andere zijde.
Een oogenblik later sliep hij weer gerust.
Charly was een zieltje zonder zorgen, altijd vroolijk, altijd
opgeruimd.
En juist die luchthartigheid, gepaard aan een groote dosis gezond
verstand was het, dat Raffles zoo aantrok.
Want als de Groote Onbekende veel en moeilijk ingewikkelde vraagstukken
had opgelost en met die oplossing lange uren bezig was geweest, dan
waren het vroolijke humeur en de grappige kwinkslagen van Charly een
welkome ontspanning.
Bovendien was Brand een pleizierig reisgenoot.
Charly van zijn kant hing met groote vriendschap, met bijkans teedere
verknochtheid aan zijn vriend.
Want was het niet Edward Lister geweest, die zich het lot had
aangetrokken van den jongen man, toen deze, vele jaren geleden, totaal
geruïneerd was?
Totaal geruïneerd!
En door eigen schuld!
Charly was destijds bezeten door den speelduivel.
Aan de speeltafel had hij verloren—avond aan avond. Hij had het
vaderlijk erfdeel er door gebracht, nadat hij het kapitaal, hem door
zijn moeder nagelaten, reeds eerder had verloren.
Toen, in een vlaag van wanhoop, des nachts om één uur was hij, in
smoking, blootshoofds, de club uit en de straat opgevlogen om een einde
te maken aan zijn verloren leven.
Hij rende de straten door en eerst op de London Bridge kwam hij tot
staan, gereed om over de leuning heen zich in den stroom te storten.
In hetzelfde oogenblik echter had een krachtige hand zich op zijn
schouder gelegd.
„Geen dwaasheden, jonge man,” klonk het, „geen dingen doen, die alleen
gekken zich in het hoofd halen.”
„Laat mij,” hijgde Charly, vergeefsche moeite doende, zich te
ontworstelen aan den ijzeren greep.
Lord Lister echter liet niet los, voordat hij een auto had aangeroepen
en den overspannen jongeman er in had geduwd.
In Listers villa in Regent park kwam Charly weer tot kalmte.
Hij vertelde zijn redder, dat het leven hem niets meer te hopen gaf, nu
hij zijn geheele fortuin had verloren.
In dien nacht had Charly den Lord beloofd, geen dwaasheden meer uit te
halen. Hij had sindsdien Raffles niet meer verlaten, was als secretaris
bij hem gebleven en deelde nu lief en leed met Edward Lister.
De Groote Onbekende had zich met de warme genegenheid van een ouderen
broeder aan zijn blonden secretaris gehecht en Charly’s bewondering,
dankbaarheid en sympathie voor den aristocratischen gentleman-dief
uitten zich in honderden kleine oplettendheden en diensten, die de
secretaris zijn „grooten vriend” dagelijks bewees.
Om half elf opende Raffles de deur van zijn slaapkamer.
Hij, met zijn ijzersterk gestel, met zijn door sport en beweging
gestaald lichaam, had niet zooveel slaap noodig. Nadat hij een bad had
genomen was hij weer frisch als een hoentje en een aria uit Mozarts
„Zauberflöte” neuriënd, liep hij de breede eikenhouten trap af naar de
eetkamer, waar de oude James een smakelijk ontbijt had klaargezet.
James was de oude, getrouwe kamerdienaar, die uit Engelands hoofdstad
mee was gekomen naar Amsterdam en die in het huishouden van den Grooten
Onbekende de Engelsche zeden en gebruiken hooghield.
Zoo was het Lord Lister steeds aangenaam gebleven, dat hij des morgens
zijn gebakken ham met eieren kon nuttigen.
En ook in veel andere opzichten zorgde James er voor, dat zijn heer de
Engelsche gebruiken niet al te zeer miste.
Raffles nam plaats aan de ontbijttafel en bediende zich flink.
Glimlachend dacht hij aan Charly, den slaapkop, die zeker niet voor een
uur of twee beneden zou komen, keurig gekleed en gekapt, zijn kleeren
doortrokken van het allerlaatste mode-parfum.
„Goeie, beste jongen, die Charly,” bepeinsde Edward Lister en hij
bediende zich nog eens ruimschoots van de spiegeleieren.
Nadat hij zijn derde kop koffie had leeggedronken stond hij op en begaf
zich naar den aangrenzenden salon, waar hij voor den haard in een
makkelijken stoel ging zitten.
Van het rooktafeltje nam hij een Henry Clay en toen de eerste
rookwolkjes omhoog kringelden greep Raffles naar de „Times” om zijn
lectuur te beginnen.
Want zijn grootste belangstelling bleef toch steeds voor alles, wat er
voorviel in Engelands hoofdstad.
Maar ditmaal scheen er al weinig te zijn, wat de aandacht van den Lord
trok. Hij las van een gecostumeerd bal, dat in „Otterbourne House”
onmiddellijk na Kerstmis zou gegeven worden. De costuums zouden zijn
uit den tijd van Karel II.
Ook las hij, dat hertog Framlingham was overleden.
Het was een tragische dood geweest.
Op den weg naar Kensington viel de hertog van zijn paard, doordat het
struikelde over een rijwiel, dat, onhandig bestuurd, tusschen de
voorpooten van het dier was geraakt. De knaap op het rijwiel was
nauwelijks bezeerd; maar de hertog werd bewusteloos naar de naaste
apotheek gedragen en kwam niet weer bij.
Om vier uur was hij dood.
Lord Lister had den hertog oppervlakkig gekend, maar hij wist dat deze
tijding in Londen menigeen zoo mannen als vrouwen, oud en jong, diep
zou schokken, want de hertog was bemind.
Hij las het doodsbericht verder: hoe de oude man in den val den nek had
gebroken en door het plotselinge van den dood waarschijnlijk niet meer
geleden had.
Raffles vouwde de „Times” weer dicht en greep naar de Hollandsche
bladen.
Boven op het stapeltje lag de „Nieuwe Rotterdamsche Courant”.
En alsof hij volbloed Nederlander was, las John C. Raffles de
Hofberichten, over een staking te Enschede, over tramwegen in Drente en
over de provinciale drinkwatervoorzieningsplannen in Groningen.
Totdat zijn aandacht werd gevestigd op een bericht onder de rubriek
Stadsnieuws.