Hij zette zijn paard tot spoed aan— — — — — —

Nu splitste zich de weg. Langen tijd tot aarzelen was er niet—geen

handwijzer wees den weg—de ruiter sloeg den linkschen kant in.

In vliegen den galop, voortgedreven door den ontzettenden wind, joeg de

Groote Onbekende verder.

En weder splitste zich de weg—hier stond een handwijzer, hier was te

lezen, welke richting thans moest worden genomen.

De ruiter verloor schier zijn bezinning!— —Op den handwijzer stond in

de richting, die hij volgde:

„Naar Toledo en Smithville”.

Raffles kon zijn oogen niet vertrouwen!—Den vorigen dag had hij met

zijn vriend toch dien zelfden weg afgelegd. En nu schoot het hem door

de gedachte, dat hij in de verkeerde richting had gereden.

Het was een noodlottige vergissing!

’t Was omstreeks zes uur.

Een der drie kostbare uren was verloopen en de ruiter was verder van

het doel van zijn tocht verwijderd dan op het oogenblik, toen hij zijn

tocht begon.

Wat moest hij doen?

Twee uur bleven er nog.

Nog drie mijlen bergopwaarts en nog zeven mijlen over het moeras

moesten worden afgelegd, voordat het station was bereikt.

Tot lang overleg was het nu de tijd niet.

De toppen der naburige bergen waren in een dichten nevel gehuld, maar

van de hoogte af, waarop de ruiter in dolle vaart voortsnelde, kon hij

op grooten afstand den spoorwegdam en het station onderscheiden.

Een donkere rook scheen daar op te trekken—misschien een locomotief,

die een trein moest wegbrengen.— — —

De borst van Lord Lister zwol van trots, toen hij bedacht, hoe hij er

destijds op los had gereden.

Hoe het mogelijk was, dat zijn paard zich op de been hield, was hem

heden nog een raadsel.

Toen het acht uur sloeg, kwam hij bij het station aan.

De drie uren waren om!—Nog had Roberts niet het afgesproken noodsignaal

gegeven. Er kon nog getelegrapheerd worden.

Raffles riep den portier.

„Ge komt te laat”, sprak hij „de sneltrein is zooeven afgereden.”

„Ik wilde niet met den trein mede, maar ik moet een telegram afgeven.

Waar is de chef?”

„Hij komt terstond. Maar ge kunt niet telegrapheeren, de storm heeft

alle draden vernield.”

„Niet telegrapheeren? Maar het verkeer moet worden tegengehouden, het

Toledo-reservoir zal in dit uur nog springen.”

„Kan dat waar zijn?”

Een heer vroeg dit op ietwat koelen toon.

Het was de stationschef zelf.

„Maar ál te waar! Ik ben met levensgevaar hier heen gereden om u dit

mede te deelen.

„Wij moeten in elk geval de treinen ophouden!”

„De eerstvolgende trein”, zei de chef, „verlaat om acht uur vijf

minuten Pottstown, het zal misschien nog tijdig genoeg zijn. Volg mij

snel.”

Men spoedde zich naar een dichtbij gelegen schuur.

In hetzelfde oogenblik doortrilde een dreunend schot de lucht en

donderend werd het door de bergen weerkaatst.

„Het is een afgesproken teeken, het reservoir is gesprongen.”

De chef riep luide.

Een beambte verscheen.

„Is de machine klaar?”

„Ja, chef! Klaar voor den eersten trein.”

„Haast je! En u, meneer, kunt er opklimmen!”

Dit geschiedde en men reed tot aan den hoofdweg.,

En vandaar, nadat eenige aanwijzingen aan de werklieden waren gegeven,

begon de wedren met het water.

Men moest den vloed vóór zijn.

Zou men het winnen?

Een fluiten—de machine reed weg.

„De vloed! De vloed!” riep de stoker.

Een hooge, donkere, beweeglijke muur met een sneeuwwitten schuimkroon

rolde van de bergen af op het viaduct toe.

„Vooruit!” riep de chef. „Volle stoom!”

Men suisde verder—nog enkele minuten—dan zou het lot beslist zijn.

Het was een wedren, die men tot aan zijn dood niet vergeet en in dit

oogenblik, dat Raffles er aan dacht, onderging hij wederom volkomen de

emotie van dat oogenblik.

Al meer en meer naderde de vloed, groote steenen als schuim voor zich

uit vegend.

Boomstammen, hooibergen, voorwerpen van allerlei aard kwamen aanjagen

in ijlende vaart.

En uit den schoorsteen van de locomotief vlogen gansche vuurbundels.

Nog een ruk!—Raffles haalde de kruk over tot het uiterste.

Men naderde de brug—nog één seconde—men was er over!

En toen!

Een ontzettend gebruis—een donderend gekraak.

De brug bezweek. Met een gedreun en gekraak, dat men mijlen ver in den

omtrek hoorde, werd het viaduct weggeveegd door den woedenden storm.

Nu gold het, den trein te waarschuwen.

De Groote Onbekende zwaaide een roode vlag en de chef gaf een

noodsignaal. Het doel was bereikt.

Alle passagiers werden gered door den vermetelden rit—een rit op leven

of dood!

In véél korter tijd, dan wij het hier hebben kunnen mededeelen vloog

deze Amerikaansche herinnering door het levendige brein, den altijd

werkenden geest van John C. Raffles.

Hij verdiepte zich voor zoo’n korte spanne tijds wel eens gaarne in

herinneringen aan jeugdiger, onstuimiger tijd.

Gaarne dacht hij aan al die moedige, niet zelden overmoedige daden,

door hem bedreven, soms tot heil der menschheid.

De vele, de honderden avonturen, die hij daarna had beleefd en

medegemaakt in Engeland’s hoofdstad waren gevolgd door een weeldeleven,

gewijd aan sport en van de vermakelijkheden, die de Club der Lords hem

zoo ruimschoots had geboden.

En nu was de Groote Onbekende, de Londensche gentleman-dief, de man,

die zoo langen tijd den almachtigen Baxter, den politie-inspecteur van

Scotland Yard voor den mal had gehouden en die zooveel sterke stukjes

had uitgehaald in het opsporen van dieven, woekeraars,

chèque-vervalschers en andere misdadigers, hij was het leven in Londen

tijdelijk moe geworden; hij verlangde naar prettige afwisseling van

zijn club- en sportleven.

En zoo genoot Amsterdam de eer (velen zouden het een twijfelachtige eer

noemen) den gentleman-dief te huisvesten binnen zijn poorten.

Doch niemand van al de personen uit de eerste en aristocratische

kringen, met wie John C. Raffles alias de Groote Onbekende en zijn

vriend en secretaris Charly Brand hadden kennis gemaakt en met wie zij

thans omgingen op vriendschappelijken voet, niemand van hen allen

koesterde ook maar de geringste argwaan.

Er was geen sterveling, die vermoedde, dat zij hunne salons gastvrij

openden voor een wereldberucht persoon.

Lord Edward Lister van zijn kant, maar ook zijn jonge vriend, beiden

van adellijken bloede, gaven dan ook niet den geringsten aanstoot.

Integendeel!

De heeren bewonderden onwillekeurig de onberispelijke manieren en den

aangenamen conversatietoon van den eleganten Lord.

Het kwam in de Amsterdamsche salons dan ook niet elken dag voor, dat

men een Lord, een heuschen, onvervalschten Lord kon ontmoeten.

Zoo had Lister al spoedig een breeden kring van vrienden verworven.

En de dames!

Wie zou bij benadering kunnen constateeren, hoeveel mooie en leelijke,

jonge en oudere en oude dames uit de hoofdstad, uit de residentie en

ook uit de andere steden waar hij had vertoefd, dweepten met den

slanken, knappen, gereserveerden heer, die, van Hollandsche afkomst

(had de Lord niet verteld, dat zijn grootmoeder een Arnhemsche van

geboorte was) zoo op en d’op een Engelsch gentleman was geworden in den

volsten zin van het woord.

Als Edward Lister in de schouwburg-loge of in de concertzaal verscheen,

dan werd menige kijker gericht op het knappe gelaat van den donkeren

edelman; dan klopte menig hartje sneller en dan waren er heel wat

gelukkigen, die in deze pauze een handdruk mochten wisselen met „hem”.

De Groote Onbekende was een gevierde persoonlijkheid geworden.

En al liet hem dit ook volkomen koud; al lachte hij er binnenskamers

om, spottend tegen zijn vriend, dat de dames uit het koude kikkerlandje

even dwaas bleken te zijn als haar zusters uit warmer landen, toch was

hij diplomaat genoeg om die innerlijke onverschilligheid te verbergen

achter een masker van innemendheid, hartelijkheid en sympathie.

Maar ook de blonde secretaris van den Lord, de jeugdige Charley Brand,

mocht zich verheugen in groote populariteit.

Charly met zijn jongensachtig open gelaat, waarin een paar groote,

blauwe oogen tintelden van overmoed en levenslust, Charly Brand was

heel wat minder gereserveerd tegenover de schoonen, die zoo openlijk

haar bewondering voor hem lieten blijken.

En als niet Raffles, zijn „heer en meester”, zooals Charly hem steeds

placht te noemen, hem tot de grootste reserve had aangemaand, dan zou

Charly zich reeds in een groot aantal liefdesavonturen hebben

gewikkeld.

Nu hield hij zich kalm, al flirtte hij ook met de lieve jonge meisjes,

die op bals en partijen met hem dansten en die zoo gaarne luisterden

naar al de dolle verhalen, die Charly met grooten spot en met het

leukste gezicht van de wereld ophing van zijn reisavonturen.

Het mooie, ruime villa-achtige heerenhuis, door den Grooten Onbekende

in het Willemsparkkwartier gehuurd en met verfijnden smaak ingericht,

was dikwijls de plaats van samenkomst van een groot aantal personen uit

de „beau monde”, de groote wereld.

En bij die personen voegden zich dan bekende musici en schilders.

Lord Edward Lister was mooi op weg om de toonaangever te worden in het

aristocratische milieu van Neerlands hoofdstad.

Met een schokje richtte Lord Lister zich op en even streek hij over het

hooge, gladde voorhoofd.

„En Charly, willen we den tango eens zien dansen of heb je plan,

vanavond te blijven lezen?”

Uit zijn zwaren, gouden sigarettenkoker had Raffles een sigaret genomen

en ook hij liet nu dunne straaltjes rook door zijn lippen glijden.

„’t Panopticum?” zei Charly, „ik heb je al een paar keer geantwoord,

Edward, dat ik dien tango nu al zóó vaak gezien heb! Véél te vaak! En

mooier dan ze in het Rembrandt-Theater wordt uitgevoerd, kan ik het mij

al niet denken! Waar heb je al dien tijd met je gedachten gezworven?”

„Dus thuisblijven?” vroeg Raffles, zonder verder in te gaan op de vraag

van zijn vriend.

„Nee!”

„Wat dan, boy?”

„Ik voel heel veel voor het Circus!”

Raffles keek op.

„’t Circus?”

„Ja, Edward; hoe denk je daarover?”

„All right, Charly! Ik voel daar ook wel iets voor. Dan gaan we

vanavond eens een kijkje aan den Amstel nemen.”

Charly haastte zich om een paar koppen thee in te schenken.

Een ervan zette hij op het geel marmeren rooktafeltje bij zijn vriend

neer.

Lord Lister rekte zich uit en geeuwde.

Toen stond hij op, nam den theekop in zijn handen, roerde er in met

groote aandacht en zei:

„Charly, ik verveel me.”

De jonge secretaris lachte.

„Ik verveel me”, herhaalde Raffles, „en daarom behoef jij niet te

lachen.”

„Maar Edward, het is toch belachelijk!”

„Zóó! En waarom?”

„Omdat jij geen dag zonder avonturen kunt!”

„De geschiedenis spreekt daar heel anders van!”

„De geschiedenis?”

„Zeker! We zijn nu al drie maanden zonder de minste emotie. En jij

spreekt van een dag!

„Ik geloof, dat Nederland voor mij al afgewerkt is.”

„Kan zijn, Edward. Maar daarom behoef je toch niet dadelijk in

verveling te vervallen. Jij hebt alleen maar plezier in avonturen. Hoe

gevaarlijker ze zijn, hoe meer jij eraan smult.

„En ’t liefst sleep je mij er dan ook in! Ik ben den hemel te rijk, dat

we nu eens rustig kunnen genieten van „onze vacantie”!”

Raffles lachte.

„Je bent een goede boy, Charly, maar jouw levensopvatting is nu eenmaal

niet de mijne. Je weet, dat ik er steeds werk van maak, om, zooveel dat

in mijn vermogen is, begaan onrecht te herstellen en te wreken!

„En als ik nu geen aanleiding heb om me daarmee bezig te houden,

dan—ja, dan verveel ik me!

„En maak je nu klaar, Charly, anders mis je de paardensport.”

Toen Edward Lister en zijn jonge vriend, omstreeks half negen plaats

namen in een der loges van den Circus-Carré, was de groote ruimte

bijkans geheel gevuld met een belangstellend publiek.

De muziek speelde slepende walsen, een vurig paardje danste op de maat

van een populair wijsje uit „Die schöne Cubanerin”, en te midden van

die luidruchtige vroolijkheid kwam Lord Listers goed humeur weer terug.

Het was alsof hij begreep, dat hier in de nabijheid het wild was op te

sporen, waarnaar hij reeds eenigen tijd tevergeefs verlangend uitkeek.

John C. Raffles was een hartstochtelijk sportliefhebber en hij wees

Charly vol geestdrift op het prachtige, zwarte paardje, dat zoo

sierlijk trippelde op de fijne beenen, terwijl de wijde neusgaten

briesend snoven en de hoeven van de voorpooten zenuwachtig wroetten in

het mulle zand van de arena.

Een groot aantal aardige en grappige nummers werd vertoond vóór de

pauze. Daarna zou een pantomime, eindigend in een waterballet, het

publiek worden geboden.

De Groote Onbekende haalde zijn binocle te voorschijn en keek de loges

langs. Maar er was niets en niemand, dat zijn belangstelling trok.

Totdat, omstreeks half tien in de loge naast die, waarin de beide

vrienden zaten, een dame en een heer kwamen plaats nemen.

„Ook vreemdelingen”, was de eerste gedachte van Lord Lister, toen hij

van terzijde opkeek naar het tweetal, dat heel wat opzien baarde in de

loges.

De heer had een zeer donkere gelaatskleur en toen hij den cylinder

afzette, kwam een glanzend zwarte haardos te voorschijn. Zóó glad en

zóó glanzend, dat Charly voor zichzelven de opmerking maakte, dat dit

kapsel alleen dien glans kon hebben gekregen door ijverige en

voortdurende bewerking met de een of andere pomadesoort.

De overpeinzingen van den Grooten Onbekende waren echter van minder

oppervlakkigen aard.

Hij had het voorkomen van den heer met het zuidelijk type en den

loerenden blik goed opgenomen. Toen keek hij naar de dame, die den heer

vergezelde.

Zij had haar kostbaren zijden mantel achteloos van de schouders laten

glijden. Een kanten japon van zilvergrijze kleur, gegarneerd met hel

groene zijde omsloot haar welgevormde taille.

„Een fijn profiel”, merkte Raffles op, „een uitheemsch gezichtje—toch

een geraffineerde uitdrukking in de oogen”, voltooide hij, toen de

vrouw zich half omwendde en met haar fascineerende oogen Lord Lister in

het gelaat zag.

Toen, even later, een paar koddige kleine clowns de arena kwamen binnen

duikelen, klonk de lach der mooie, vreemde vrouw luid-op.

Terzelfdertijd maakte zij een opmerking tot haar geleider.

Even hief Raffles het hoofd op, luisterende naar den klank der woorden.

De dame had in de Spaansche taal gezegd, dat ze het zoo héél erg warm

vond.

„Spanjaarden”, peinsde Raffles. En zijn gedachten vlogen naar het

schoone Pyreneesch schiereiland, waar hij eenige jaren had vertoefd.

Hij had Spanje in al zijn schoonheid leeren kennen en het was het

eenige land, waaraan hij met een tikje weemoed terug dacht.

Want in Madrid was het geweest, dat Lord Lister voor de eerste en de

eenige maal waarachtige liefde had opgevat voor een jonge vrouw.

Zijn liefde werd beantwoord, maar het jonge meisje was gestorven ten

gevolge van een val van haar paard.

Carmen Donpertusso was toen 23 jaren oud.

Dat was nu al tien jaar geleden, maar Lord Lister dacht nog dikwijls

aan het bekoorlijke meisje en hij werd weemoedig gestemd, als de een of

andere ontmoeting hem herinnerde aan zijn eerste en eenige liefde.

In de pauze stelde Charly zijn vriend voor, de stallen te gaan

bezichtigen, Raffles stond op en volgde.

„Je hebt zooveel verstand van paarden”, zei Charly, „ik ben benieuwd,

of de dieren zóó zijn, dat ze je belangstelling wekken.”

Lord Lister had indertijd een prachtigen renstal gehad en tot twee keer

toe was een zijner hengsten de eerste prijswinner in de Derby-rennen

geweest.

Hij monsterde de fraaie beesten in de stallen dan ook met veel kennis

van zaken en Charly deelde hij mede, dat de eigenaar van dit stel

paarden inderdaad trotsch mocht zijn op die kostbare verzameling.

„Kijk eens naar het hoofd, let op de oogen,” legde hij zijn vriend en

secretaris uit, toen hij vol geestdrift de bijzondere schoonheid en de

teekenende raseigenschappen van een zwarten hengst uitlegde.

Een heer en dame stonden naast hen. Deze heer scheen eveneens een groot

sportliefhebber te zijn. Ook hij was enthousiast van het fraaie, zwarte

dier, want in de Spaansche taal verkondigde hij den lof ervan.

Raffles wendde zich om, lichtte even den cylinder van het hoofd en

eveneens in de Spaansche taal vroeg hij:

„U is ook paardenliefhebber?”

De aangesprokene keek verrast op en de dame, die in zijn gezelschap

vertoefde, boog zich voorover om dien heer, die zoo zuiver Spaansch

sprak, eens goed op te nemen.

De vreemdeling antwoordde:

„Ja ik ben paardenkenner. En ik verzeker u, dat dit beest niet behoeft

onder te doen voor den besten Arabischen hengst.”

Een levendig gesprek ontspon zich nu over paarden, sport, Spanje,

Nederland. In de koffiekamer en daarna in de loge werd het gesprek

voortgezet.

Toen omstreeks elf uur de pantomime was geëindigd, noodigde Raffles de

beide Spanjaarden om in zijn auto mee te rijden.

Gaarne werd het aanbod aanvaard en men besloot in Trianon het souper te

gaan gebruiken.

Schijnbaar zonder de minste belangstelling, doch inderdaad uiterst

nieuwsgierig en gespannen om een en ander te vernemen van de

levensomstandigheden van dit Spaansche tweetal informeerde Raffles, hoe

Holland den vreemdelingen beviel.

Dat ging nogal.

Ze logeerden in Rotterdam—voor zaken. Maar Rotterdam was nu juist niet

de stad om het den vreemdeling aangenaam te maken. Karren,

vrachtwagens, sleepwagens in de straten, slechte bestrating. Alleen het

nieuwe stadsgedeelte en de haven boden wel eenige aantrekkelijkheid.

Om zich wat te verstrooien, ging men dan ook van tijd tot tijd eens

naar Den Haag, naar Amsterdam.

Gelukkig was nu spoedig de tijd verstreken, die een verblijf in Holland

noodzakelijk maakte. Hoogstens nog een dag of drie.

„Wel jammer”, beweerde de zwartharige Spanjaard en hoffelijk neeg hij

het hoofd, „dat wij niet eerder het genoegen smaakten, met de heeren

kennis te maken. Dat zou ons den tijd heel wat bekort hebben. Dubbel

jammer”, voegde hij erbij, „omdat de tijd te kort is, voor ons vertrek

om u van onzen kant nog het een of ander aan te bieden.”

„Maar ge gaat eerst over drie dagen,” kwam Charly daartegen op, meer

openhartig dan handig.

Hem beviel die mooie vrouw maar àl te goed en het ontging hem dat de

Spanjaard verdere ontmoetingen niet wenschte.

Doch den Grooten Onbekende ontging dit niet en tevens zag Raffles, dat

er even iets flikkerde in de oogen van den Spanjaard, toen Charly op

zoo trouwhartigen toon die opmerking maakte.

De blikken der jonge vrouw ontmoetten over de tafel heen, die van haar

landgenoot en dat scheen voor haar voldoende te zijn om te zeggen:

„Ik denk reeds eerder te vertrekken. Ik zal misschien morgen reeds naar

Madrid terug gaan. En ik zal zéér verheugd zijn, als ik het water weer

door de Manzenares zie stroomen. Ik houd niet van dit waterlandje, waar

de zon slechts bij hooge uitzondering schijnt en waar zoo weinig

ontspanning is.”

„Weinig ontspanning?” vroeg Charly, „maar dat is niet waar.

„Ik heb mij nog geen dag verveeld tijdens mijn verblijf in Nederland en

als ik hier voorgoed moest blijven, zou ik mij daarmee uitstekend

tevreden kunnen stellen.”

„Hoe is ’t mogelijk”, sprak nu Adèle de Confuelo, „neen, zonder de

opwindende gewaarwording van een stierengevecht zoo van tijd tot tijd

te krijgen, zou ik mij inderdaad het leven niet kunnen denken.”

„En dan de vrouwen, mijne heeren! Zijn er schoonere vrouwen op gansch

de wereld dan de Spaansche?” voegde markies Brancella er aan toe.

Adèle bloosde even, toen ze den bewonderenden blik opving, dien Charly

op haar wierp.

Raffles echter sprak op hoffelijken toon en een innemende glimlach

plooide zijn lippen. „Inderdaad, de Spaansche vrouwen zijn schoon! Zéér

schoon!”

Nog langen tijd bleef het kleine gezelschap samen.

Toen men, des nachts om twee uur, afscheid nam voor Hotel de l’Europe,

waarheen Lord Lister de vreemdelingen had gebracht, sprak de markies:

„Ik stel het op prijs, met u kennis te hebben gemaakt. En mocht ge nog

ooit uwe schreden richten naar de Spaansche hoofdstad, dan houd ik mij

voor een bezoek dringend aanbevolen.”

Bij deze woorden haalde hij uit zijn portefeuille een groote adreskaart

te voorschijn, die hij Lord Lister overhandigde.

„Ik ben ervan overtuigd”, sprak Raffles, den Spanjaard de hand

drukkend, „dat onze wegen elkaar nog wel zullen kruisen”.

Even lichtte het in zijn oogen, toen hij deze woorden sprak, doch ook

héél even maar.

„Ik ben al weer verliefd, Edward,” beweerde Charly, toen de beide

vrienden, zeer laat in den nacht, samen nog zaten na te praten in de

wijde clubfauteuils.

Lord Lister had een sigaret opgestoken en Charly Brand dronk een glas

ijskoud selterwater.

„Zóó!” was het lakonieke antwoord van den Lord.

„Tot over m’n ooren! Ben je niet nieuwsgierig, te weten op wie?”

„Dat behoef je me waarlijk niet te openbaren, Charly. ’t Is ditmaal de

schoone Spaansche hertogin de Confuelo!”

„Precies!”

„Maar boy!”

„Wat is er, Edward?”

„Neen, niets!”

„Daarmee kom je niet van me af! Zeg me, wat je denkt!”

„Ik bewonder je smaak of beter gezegd, ik bewonder dien niet!”

„Vindt je de hertogin dan niet heel mooi?”

„Ja, mooi is ze! Maar ik had toch gedacht, Charly, dat jij je liefde

niet zoudt verspillen aan de eerste de beste avonturierster, aan de

mooie handlangster van een—laat ik het noemen van een

flesschentrekker!”

„Jij beweert daar heel wat, Edward!”

„Ik beweer nog lang niet genoeg!

„Enfin, laten wij de geschiedenis niet vooruit loopen. Je weet, dat ik

over het algemeen niet zoo heel mededeelzaam ben, maar ditmaal wil ik

je toch wel voorspellen, dat we van onze Spaansche kennissen nader

zullen hooren.

„En nu, wel te rusten, boy!”

Raffles wierp het overschot van zijn sigaret in een kristallen aschbak,

met zilver gemonteerd, Charly dronk den verfrisschenden drank uit en

toen begaven de vrienden zich naar hunne slaapvertrekken, die op de

eerste verdieping van het mooie, ruime huis waren gelegen.

„En toch”, peinsde Charly, toen hij het electrisch licht uitknipte, „en

toch geloof ik niets van al de praatjes van Edward. Niets dan

hersenschimmen—dwaze hersenschimmen.”

Lord Lister No. 0115: Een Sinterklaas-verrassing · 第 7 / 21 题