„Wat denk je er van, Charly, om van avond eens een kijkje te gaan nemen
in het Panopticum,” vroeg Lord Lister zijn vriend en secretaris Charly
Brand, die tegenover hem in een wijden fauteuil had plaats genomen en
nu in langzame trekjes een Egyptische sigaret in fijne, blauwe
rookwolkjes deed opgaan.
Lord Edward Lister woonde nu sinds geruimen tijd met zijn vriend Charly
Brand in de hoofdstad van Nederland.
Den grooten onbekende beviel het leven in het kleine landje en speciaal
in de hoofdstad van Nederland, uitstekend.
Zijn Londensche avonturen was hij moede en met een onmerkbaren glimlach
dacht hij nog eens terug aan zijn laatste reis naar Amerika en het
avontuur, dat hem bijna het leven had gekost en zonder naar Charly’s
antwoord te luisteren, verviel hij in een langdurige mijmering.
Hij reisde destijds naar Harrisburg om een vriend te bezoeken, die daar
directeur der waterwerken was.
Den ganschen nacht reeds had het geregend en toen de Groote Onbekende
te Harrisburg aankwam, verdween zijn hoop, dat het weer zou ophelderen
gansch en al.
Ook hier viel de regen in stroomen neer.
Roberts haalde zijn vriend van het station en al spoedig begon men over
het slechte weer te spreken.
„’t Is vervelend Edward,” zei Roberts „dat de regen maar niet op wil
houden; hij bederft den watertoevoer en de menschen kijken mij er op
aan, alsof ik het helpen kan.
„Zijn de vergaarbakken dicht bij de stad?” vroeg Raffles.
„Neen. Ze zijn ver weg, boven in de bergen; morgen kun je wel eens
meerijden, dan moet ik inspectie houden.”
„Dolgraag,” had Lord Lister geantwoord.
Den volgenden middag was het tweetal naar boven in het gebergte
gereden.
Al spoedig had men daar een kleine herberg bereikt, die in den
volksmond „Het watergat” werd genoemd.
De vrienden sprongen uit de rammelkast.
Een machine-opzichter naderde en groette.
„Alles in orde?” vroeg Roberts.
„Ja, meneer! Alles in orde, behalve dan— — —”
„Wel, behalve?”
„De indamming aan de zuidzijde van het reservoir bevalt me niet.”
Roberts ontstelde.
„Ga mee” sprak hij kortaf.
Weldra werd de indamming zichtbaar, die het water der drie grootste
reservoirs der Toledo-waterwerken bevatte.
Een frissche bries dreef het water in kleine golfjes tegen den bovenaan
gemetselden dam, nu en dan spattend tegen het metselwerk.
„Hier is de minder veilige plek, die ik van morgen heb gevonden,” zeide
de opzichter.
„Neem dadelijk mannen en vul dit aan,” sprak Roberts, wijzende op een
kleine spleet, die een minder geoefend oog stellig ontgaan zou zijn.
Al lager en lager zakten de donkere, grauwe wolken boven de geheele
omgeving. Een zachte, klagende toon scheen door de lucht te trillen. De
wind kon het niet wezen, daar deze bijna geheel was gaan liggen. De
boomen bewogen nauwelijks— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Het was den Grooten Onbekende, in zijn wijden armstoel geleund,
plotseling, alsof hij de wonderlijke emoties uit die dagen wederom
doorleefde en hij hoorde het Roberts vragen.
„Zou je niet alleen naar huis willen rijden, Edward?”
„Waarom? Ben je van plan hier te blijven? Dreigt er gevaar?” luidde de
wedervraag.
„Dat nu juist niet, Edward. Maar ik acht het mijn plicht hier te
blijven. Morgen of overmorgen zal ik volgen.”
„Laat me bij je blijven, Roberts.”
Zoo werd besloten, dat Lord Lister zoude blijven.
Door vermoeienis overmand begaf Raffles zich ter ruste.
Om vijf uur in den morgen, in het grauwe schemerlicht, kwam Roberts de
kamer binnen.
„Kleed je zoo snel mogelijk aan en kom beneden” sprak hij, en toen:
„Verlies geen tijd en praat niet; ik heb je hulp noodig.”
De Groote Onbekende sprong haastig op en snelde naar het raam toe om
naar buiten te zien.
Nog steeds viel de regen in stroomen neer. Met geweld stortte het water
van de hoogten. De wind boog de takken en huilde door de twijgen.
Haastig kleedde zich Lord Lister om zich naar zijn vriend te begeven,
die bezig was een spoorboekje door te zien, dat hij steeds op zak
droeg.
„Wil je een paard nemen, Edward en naar het verbindingsstation rijden?”
vroeg hij.
„Natuurlijk. Een rit bij stroomenden regen is spoedig volbracht, kerel.
Binnen vijf minuten kan ik klaar zijn! Waar is het paard?”
Raffles ging zijn regenjas halen en toen hij terug kwam, stond het
paard reeds voor de deur, waarvan Roberts de riemen nakeek.
„Edward, rijd naar den stationschef te Lowton en zeg hem, dat het
zuidelijke reservoir het geen drie uur meer houden kan.
„Het water zal doorbreken en het groote viaduct vernielen even als alle
bruggen van de zijrivier. Hij moet het spoorwegverkeer tegenhouden en
de reizigers redden. Vaarwel, Edward, je rijdt op je leven.—Als de dam
doorbreekt, zal ik het signaalgeschut ter waarschuwing afvuren.
Vaarwel, kerel!”
Werktuigelijk greep Lord Lister de teugels.
Zwijgend knikte hij zijn vriend toe—toen begon de woeste rit.
Nog drie uren!
Dan zou het water het dal overstroomen!!
Voor honderden menschenlevens had hij te rijden!!!
Het Lowtonstation lag op eenige mijlen afstands.
De weg voerde door moerassige weiden en gezwollen beeken; de stormwind
joeg den regen.
Alle wilskracht werd van den ruiter vereischt om zijn taak ten uitvoer
te brengen, maar Lord Lister achtte het zijn plicht vol te houden.