VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN DE GESCHIEDENIS NOG ALTIJD IN DEN OMTREK VAN FLEET STREET

BLIJFT SPELEN.

Op aansporing van mevrouw Shandon, die zich anders zelden met zaken

bemoeide, had kapitein Shandon bedongen, dat de weledele heer John

Finucane, van den Upper Temple, tot onderredacteur van de aanstaande

Pall Mall Gazette zou worden aangesteld, welke post dientengevolge door

den schranderen eigenaar van dat blad aan den heer Finucane werd

opgedragen. En hij verdiende ook elk voordeel, dat Shandon hem bezorgen

kon, zoo innig was hij, gelijk wij reeds zeiden, aan den kapitein en

diens gezin gehecht, en zoo bereidvaardig om hun van dienst te zijn.

Het was op Finucane’s kamer, dat Shandon zich in vroeger dagen placht

te verbergen, als hij in gevaar verkeerde en de deurwaarders op hem

loerden, totdat die schuilhoek eindelijk bekend werd en de mannen van

het gerecht den kapitein even geregeld in Finucane’s woning als in zijn

eigen huis kwamen zoeken. In Finucane’s vertrek was het, dat de arme

mevrouw Shandon onophoudelijk hare beproevingen en hare grieven kwam

klagen en middelen ter bevrijding voor haar aangebeden kapitein

beramen. Menigen keer verschafte Finucane haar en haar kind daar een

maaltijd. Het was eene eer voor zijne kleine vertrekjes, dat zij door

zulk eene dame bezocht werden, en als zij met den sluier over haar

gelaat de trap afging, bleef Fin haar over de leuning nakijken, om te

zorgen, dat geen Lovelace uit den Temple haar onderweg aanrandde,

terwijl hij misschien heimelijk hoopte, dat het een schavuit in den zin

mocht komen haar te belagen, opdat hij (Fin) dan het genoegen mocht

hebben haar te hulp te snellen en den schelm af te rossen. Het deed

mevrouw Shandon innig genoegen, toen de noodige schikkingen waren

gemaakt, en haar vriendelijke en brave beschermer de medehelper van

haar man aan het blad zou zijn.

Hij ware gewis bij mevrouw Shandon blijven zitten zoo lang als het

reglement der gevangenis veroorloofde, en menigmaal was hij dan ook

getuige geweest, hoe de kleine Marie in haar kribje, dat in de kamer

stond, te slapen werd gelegd, op wier avondgebedje, dat God haar papa

mocht zegenen en beschermen, onze Finucane, hoewel zelf tot de Roomsche

Kerk behoorende, altijd uit den grond zijns harten Amen had gezegd.

Maar hij had eene afspraak met mijnheer Bungay, met wien hij onder een

eenvoudig diner de aangelegenheden van het blad moest bespreken. Hij

verliet mevrouw Shandon dus ten zes ure, maar legde den volgenden

morgen weer zijn gewoon bezoek in de Fleet-gevangenis af, thans

uitgedost met zijne fraaiste kleederen en versierselen (die, hoewel

weinig kostbaar, toch door kleur en vorm eene schitterende vertooning

maakten) en met vier pond twee shillings op zak, het bedrag van zijn

wekelijksch salaris aan het blad, min twee shillings, die hij op weg

naar de gevangenis tot den aankoop van een paar handschoenen besteed

had.

Hij had den vorigen dag in het koffiehuis met mijnheer Bungay en diens

corrector en letterkundigen zaakwaarnemer mijnheer Trotter „zijn hapje

gebruikt,” gelijk Bungay gewoon was zich uit te drukken, en bij die

gelegenheid zijne denkbeelden over de leiding van de Pall Mall Gazette

breedvoerig uiteengezet. Op meesterlijke wijze had hij in het licht

gesteld, hoe het gewone nieuws moest ingericht worden; welke

lettersoort men voor de verschillende artikelen moest gebruiken; wie de

marktberichten moest leveren, wie de verslagen van de wedrennen en de

bokspartijen, wie het kerknieuws en wie het gekeuvel over de voorname

wereld. Hij was bekend met heeren, die deze verschillende vakken van

wetenschap beoefenden en daarna hunne bevindingen aan het publiek

meedeelden. Kortom, Jack Finucane was, gelijk Shandon van hem verzekerd

had en hij zelf met fierheid bevestigde, een der beste onderredacteurs

in geheel Londen. Hij kende het wekelijksch inkomen van iedereen, die

met de drukpers in betrekking stond, en was op de hoogte van honderden

kunstgrepen of vindingrijke bezuinigingen, waardoor men ondernemende

kapitalisten, die een blad wilden oprichten, geld kon doen uitwinnen.

Hij wist Bungay, die traag van begrip was, te gelijk te verblinden en

te overbluffen door de vlugge berekeningen, die hij op het papier

zette, terwijl zij aan tafel in het koffiehuis zaten. Later verklaarde

Bungay aan zijn handlanger mijnheer Trotter, dat die Ier een knappe kop

scheen te zijn.

Nadat het hem gelukt was dien indruk op mijnheer Bungay te maken,

bracht de trouwe kerel het gesprek op de zaak, die hem het naast aan

het hart lag, namelijk de bevrijding van zijn geëerden vriend en

meester, kapitein Shandon, uit de gevangenis. Hij kende tot een stuiver

toe, het bedrag der vorderingen tegen den kapitein, die in de kamer van

den portier der Fleet-gevangenis berustten. Ja, hij beweerde zelfs al

de schulden van den kapitein te kennen; maar dit was onmogelijk, want

geen mensch in Engeland, zelfs de kapitein niet, kende die ten volle.

Hij gaf op wat de kapitein op dit oogenblik te betalen had en zette

uiteen hoeveel beter hij werken zou als hij uit de gijzeling ontslagen

was (ofschoon Bungay dit tegensprak, „want,” zeide deze, „als de

kapitein achter de traliën zit, weten wij, dat hij altijd thuis is,

terwijl men hem, wanneer hij op vrije voeten is, nooit bij den kraag

kan krijgen”). Eindelijk echter werkte hij zoo sterk op Bungay’s

gevoel, door te beschrijven hoe mevrouw Shandon in de gevangenis

wegkwijnde en het kind daar ziekelijk werd, dat hij den uitgever de

belofte afperste, dat hij zien zou wat hij doen kon, indien mevrouw

Shandon den volgenden morgen bij hem komen wilde. Het gesprek eindigde

ditmaal met een tweeden aanvoer van glazen grog. Ofschoon Finucane, die

vier guinjes op zak had, met groot genoegen de rekening zou voldaan

hebben, zeide Bungay: „Neen, mijnheer; dit is mijne zaak, met uw

verlof. James, betaal de rekening, en houd er achttien stuivers voor u

zelven af,” waarbij hij het vereischte geld aan den knecht

overhandigde. Zoo kwam het, dat Finucane, die, na het diner, in den

Temple te bed ging, waarachtig des Zaterdagmorgens zijn wekelijksche

salaris nog onaangeroerd in zijn zak vond.

Hij gaf mevrouw Shandon zulk een veelbeteekenenden en verheugden wenk,

dat dit zachtzinnige schepseltje begreep, dat hij eene goede tijding

voor haar had, en zich haastte haar hoed en doek te gaan halen toen

Finucane vroeg, of hij de eer mocht hebben eene wandeling met haar te

doen en haar een luchtje te laten scheppen. De kleine Marie sprong van

blijdschap op bij de gedachte aan dit pretje, want Finucane verzuimde

nooit haar een stukje speelgoed te geven, of haar naar eene of andere

vertooning mee te nemen, terwijl hij vrijbiljetten voor allerlei

soorten van Londensche uitspanningen voor het kind op zak had. Hij had

het gansche gezin van harte lief, en zou door het vuur geloopen zijn,

om hun of zijn aangebeden kapitein van dienst te wezen.

„Kan ik gaan, Charles? of zal ik bij u blijven, want, mijn beste, gij

zijt heden morgen in het geheel niet fiksch? Hij heeft zoo’n hoofdpijn,

mijnheer Finucane. Hij lijdt altijd aan hoofdpijn, en ik heb hem

gezegd, dat hij maar te bed moest blijven,” zeide mevrouw Shandon.

„Ga je gang maar met Polly. Pas goed op haar, Jack. Geef mij Burton’s

Anatomy eens, en laat mij dan aan mijn eigen lot over,” zeide Shandon

met de meeste goedhartigheid. Hij was bezig met schrijven en putte

doorgaans zijne Grieksche en Latijnsche aanhalingen (waarvan hij als

schrijver partij wist te trekken) uit dat verwonderlijke magazijn van

geleerdheid.

Derhalve gaf Fin den arm aan mevrouw Shandon, terwijl Marie door de

gangen der gevangenis huppelde, en zoo kwamen zij door de poort in de

vrije lucht. Het is van Fleet Street naar Paternoster Row niet ver.

Toen het drietal den winkel van mijnheer Bungay bereikte, ging mevrouw

Bungay juist de deur van het woonhuis binnen met een papieren zakje in

hare hand, benevens een handschrift in een rooden band, dat niets meer

of minder dan de aanteekeningen van hare handelsbetrekkingen met den

slachter op de naburige markt bevatte. Mevrouw Bungay droeg een

prachtig zijden kleed met weerschijn, waarop roode en purperen vlammen

schenen te spelen, en een gelen shawl, terwijl zij roode bloemen in

haar hoed en eene schitterende lichtblauwe parasol in de hand had.

Mevrouw Shandon had een oud kleedje van zwarte gewaterde zijde aan;

haar hoed had even weinig zonnige dagen van voorspoed gekend als zijne

eigenares; en desniettemin zag zij er, in welke kleeding dan ook, als

eene echte dame uit. De beide vrouwen maakten, ieder op hare eigene

wijze, eene buiging voor elkander.

„Hoe vaart u, mevrouw?” zeide mevrouw Bungay.

„Mooi weertje vandaag,” zeide mevrouw Shandon.

„Wilt ge niet binnenkomen, mevrouw?” vroeg mevrouw Bungay, zoo strak

naar Marie kijkende, dat het kind er bijna van schrikte.

„Ik – ik kwam om mijnheer Bungay over zaken te spreken; – ik – ik hoop

dat hij heel wèl is?” zeide mevrouw Shandon bedeesd.

„Als gij hem op het kantoor gaat spreken, zoudt gij dan dat – dat

kleine meisje niet zoolang bij mij kunnen laten?” vroeg mevrouw Bungay

met eene stem als een dragonder en een tragischen blik, terwijl zij met

één vinger naar het kind wees.

„Ik wil bij mama blijven,” kreet de kleine Marie en verborg haar

gezichtje in het kleed van hare moeder.

„Kom, Marie, mijn lievertje, ga met mevrouw mee,” zeide de moeder.

„Ik zal je mooie prentjes laten kijken,” zeide mevrouw Bungay, met de

stem van een boeman, „en nog heel veel ander moois. Kijk eens hier,” –

en het papieren zakje opendoende, liet zij eenige van die lekkere

koekjes zien, die Bungay zoo gaarne bij zijn wijn gebruikte. Dit haalde

Marie over en nu gingen allen het huis binnen, uit hetwelk eene zijdeur

toegang tot Bungay’s kantoor gaf. Hier echter verloor het kleine

meisje, toen zij op het punt stond van hare moeder te scheiden, den

moed weer, zoodat zij opnieuw zich aan hare japon vastklemde. De zachte

en vriendelijke mevrouw Shandon, den blik van teleurstelling op mevrouw

Bungay’s gelaat bespeurende, zeide op goedhartigen toon: „Als ge het

veroorlooft, zal ik een oogenblikje bij u vertoeven,” waarop allen de

trap opgingen. Een tweede koekje maakte de kleine Marie geheel

vertrouwelijk, zoodat zij na een paar minuten, zonder de minste

eenkennigheid, weer aan het babbelen was.

De trouwe Finucane had ondertusschen mijnheer Bungay in onhandelbaarder

stemming gevonden dan den vorigen avond, toen zijn gemoed door twee

derden van eene flesch portwijn en twee groote glazen brandewijngrog

tot geestdrift was opgewonden, zoodat hij de schoonste beloften in het

belang van kapitein Shandon gedaan had. Toen hij thuis was gekomen, had

zijne knorrige vrouw hem den mantel uitgeveegd. Zij had gelast, dat hij

den kapitein aan zijn lot zou overlaten, want het was een deugniet, die

met geen geld te helpen was; zij keurde de oprichting der Pall Mall

Gazette af en voorspelde, dat Bungay er geld mee verliezen zou, gelijk

zij met het Whitehall Journal aan den overkant ook deden (haar broeders

zaak bestempelde zij altijd met den naam van „den overkant”). Shandon

moest maar in de gevangenis blijven en daar zijn werk doen; het was de

beste plaats voor hem. Finucane’s pleiten en beloften en smeeken bleef

vruchteloos, want zijn vriend Bungay had dien morgen een bedsermoen van

een uur lang moeten aanhooren en was dus onverbiddelijk.

Maar hetgeen de brave Jack gelijkvloers op het kantoor niet bewerken

kon, dat brachten de innemende gezichtjes en manieren van moeder en

dochtertje in de gezelschapszaal op de eerste verdieping teweeg, waar

zij het hart van de driftige, doch inderdaad goedhartige, mevrouw

Bungay vermurwden. Er lag eene ongemaakte lieftalligheid in mevrouw

Shandon’s stem en eene innemende rondheid in hare manieren, om welke de

meeste menschen haar liefkregen en beklaagden; en moed scheppende uit

de ruwe hartelijkheid, waarmee mevrouw Bungay haar ontving, verhaalde

de kapiteinsvrouw hare geschiedenis en beschreef de goedheid en de

deugden van haar man en de achteruitgaande gezondheid van haar kind

(van twee kinderen, zeide zij, had zij moeten scheiden; zij had hen

naar school moeten zenden, want zij wilde hen in die verschrikkelijke

plaats niet bij zich houden), – zoodat mevrouw Bungay, ofschoon zoo

barsch als Lady Macbeth, door dit eenvoudige verhaal geheel verteederd

werd en zeide dat zij naar beneden zou gaan om eens met Bungay te

spreken. In dit huishouden nu stond spreken bij mevrouw Bungay met

bevelen gelijk, en hooren bij mijnheer Bungay met gehoorzamen.

Het was juist op dit oogenblik toen Finucane aan het welslagen zijner

bemoeiingen wanhoopte, dat de majestueuse mevrouw Bungay bij haar

echtgenoot verscheen en mijnheer Finucane beleefdelijk verzocht zich

eenige oogenblikken bij mevrouw Shandon in de gezelschapskamer te

vervoeren, daar zij mijnheer B. even spreken moest; en toen het

echtpaar alleen was gaf des uitgevers wederhelft hem te kennen, welke

plannen zij met de vrouw van den kapitein had.

„Wat is er nu gaande?” vroeg de Maecenas, vol verwondering over de

veranderde stemming zijner vrouw. „Heden morgen wildet gij er niet van

hooren, dat ik iets voor den kaptein doen zou. Wat heeft u zoo van

inzicht doen veranderen?”

„De kaptein is een Ier,” gaf mevrouw Bungay ten antwoord, „en ik heb

altijd gezegd, dat ik die Ieren niet kan uitstaan. Maar zijne vrouw is

eene echte dame, dat kan men haar wel aanzien; en eene goede vrouw, de

dochter van een dominé, eene vrouw uit het westen van Engeland, B.,

waar ik van moederszijde ook vandaan ben – en o, Marmaduke, hebt ge

niet op dat kleine meisje gelet?”

„Ja wel, ik heb dat kindje gezien.”

„En hebt ge dan niet opgemerkt, B., hoe sprekend zij op ons engeltje

van een Bessy gelijkt?” en bij die woorden ging mevrouw Bungay in den

geest achttien jaren terug, toen Bacon en Bungay zich pas kortelings

als kleine boekverkoopertjes in eene provinciestad gevestigd hadden, en

toen zij een kind met name Bessy had gehad, dat eenigszins op de kleine

Marie geleek, die thans haar medelijden had gaande gemaakt.

„Nu, nu, mijne beste,” zeide Bungay, toen hij zag dat de kleine oogjes

zijner vrouw begonnen te trekken en rood werden; „de kaptein zit voor

geen groote som in de doos. Hij is maar gegijzeld voor honderd dertig

pond. Finucane zegt, dat wij hem voor de helft van dat geld uit de

gevangenis kunnen verlossen, en wij zullen hem dan maar half loon

uitbetalen tot hij het voorschot aangezuiverd heeft. Toen dat kleintje

zeide: „Waarom haalt ge pa hier niet uit?” toen gevoelde ik het ook,

Elizabeth, op mijn woord!” Het gevolg van dit gesprek was, dat mijnheer

en mevrouw Bungay te zamen de trap opgingen naar de gezelschapskamer,

waar Bungay in eene taaie en hortende toespraak aan mevrouw Shandon

berichtte, dat hij bereid was de vijf en zestig pond, waarvoor hij

gehoord had, dat haar man vrij kon komen, voor te schieten, die hij dan

van het salaris van den kapitein zou inhouden, maar dat hij dit deed

onder voorwaarde, dat zij zelve met de schuldeischers de schikkingen

zou maken om haar man in vrijheid te doen stellen.

Ik geloof, dat dit de gelukkigste dag was, dien mevrouw Shandon en

mijnheer Finucane in langen tijd beleefd hadden. „Te drommel, Bungay,

ge zijt een juweel!” galmde Fin uit met zijn zwaarste Iersche accent en

tot in zijne ziel aangedaan. „Geef mij de hand, ouwe jongen! We zullen

de Pall Mall Gazette tot tien duizend abonnenten opdrijven, of ik heet

niet Finucane!” en onderwijl huppelde hij de kamer rond en wierp hij de

kleine Marie onder honderden bokkesprongen in de hoogte.

„Als ik u ergens met mijn rijtuig heen kan brengen, mevrouw Shandon, is

het geheel tot uw dienst,” zeide mevrouw Bungay met een blik op een

rijtuigje met één paard, dat juist was voorgekomen en waarin zij nog al

dikwijls een luchtje schepte; en de twee dames, met de kleine Marie

tusschen haar beiden (wier tengere handje de vrouw van Maecenas in hare

groote vuist vasthield) en den verrukten Finucane op het achterbankje,

reden van Paternoster Row weg, terwijl de eigenares van het rijtuig

zegevierende blikken op de vensters van Bacon aan den overkant wierp.

„Het zal den kapitein niet helpen,” dacht Bungay, toen hij naar zijn

lessenaar en zijne rekeningen terugkeerde. „maar mevrouw B. geraakt

geheel van streek, als zij aan haar verlies denkt. Ware het kind in het

leven gebleven, dan zou het gisteren meerderjarig geweest zijn, zooals

Bessy mij gezegd heeft;” en hij verwonderde zich, dat de vrouwen zulk

een goed geheugen hebben.

Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat mevrouw Shandon in den

haar opgedragen last zeer goed slaagde. Zij, die schuldeischers had

moeten verteederen toen zij geen stuiver en niets dan tranen en

smeekingen bezat om hen tot inschikkelijkheid te bewegen, had geen

moeite om hen genadig te stemmen door de betaling van tien shillings

van elk pond sterling, en de volgende Zondag was de laatste, althans

voor eenigen tijd, welken de kapitein in de gevangenis doorbracht.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 71 / 155 题