WAARIN DE GESCHIEDENIS NOG ALTIJD IN DEN OMTREK VAN FLEET STREET
BLIJFT SPELEN.
Op aansporing van mevrouw Shandon, die zich anders zelden met zaken
bemoeide, had kapitein Shandon bedongen, dat de weledele heer John
Finucane, van den Upper Temple, tot onderredacteur van de aanstaande
Pall Mall Gazette zou worden aangesteld, welke post dientengevolge door
den schranderen eigenaar van dat blad aan den heer Finucane werd
opgedragen. En hij verdiende ook elk voordeel, dat Shandon hem bezorgen
kon, zoo innig was hij, gelijk wij reeds zeiden, aan den kapitein en
diens gezin gehecht, en zoo bereidvaardig om hun van dienst te zijn.
Het was op Finucane’s kamer, dat Shandon zich in vroeger dagen placht
te verbergen, als hij in gevaar verkeerde en de deurwaarders op hem
loerden, totdat die schuilhoek eindelijk bekend werd en de mannen van
het gerecht den kapitein even geregeld in Finucane’s woning als in zijn
eigen huis kwamen zoeken. In Finucane’s vertrek was het, dat de arme
mevrouw Shandon onophoudelijk hare beproevingen en hare grieven kwam
klagen en middelen ter bevrijding voor haar aangebeden kapitein
beramen. Menigen keer verschafte Finucane haar en haar kind daar een
maaltijd. Het was eene eer voor zijne kleine vertrekjes, dat zij door
zulk eene dame bezocht werden, en als zij met den sluier over haar
gelaat de trap afging, bleef Fin haar over de leuning nakijken, om te
zorgen, dat geen Lovelace uit den Temple haar onderweg aanrandde,
terwijl hij misschien heimelijk hoopte, dat het een schavuit in den zin
mocht komen haar te belagen, opdat hij (Fin) dan het genoegen mocht
hebben haar te hulp te snellen en den schelm af te rossen. Het deed
mevrouw Shandon innig genoegen, toen de noodige schikkingen waren
gemaakt, en haar vriendelijke en brave beschermer de medehelper van
haar man aan het blad zou zijn.
Hij ware gewis bij mevrouw Shandon blijven zitten zoo lang als het
reglement der gevangenis veroorloofde, en menigmaal was hij dan ook
getuige geweest, hoe de kleine Marie in haar kribje, dat in de kamer
stond, te slapen werd gelegd, op wier avondgebedje, dat God haar papa
mocht zegenen en beschermen, onze Finucane, hoewel zelf tot de Roomsche
Kerk behoorende, altijd uit den grond zijns harten Amen had gezegd.
Maar hij had eene afspraak met mijnheer Bungay, met wien hij onder een
eenvoudig diner de aangelegenheden van het blad moest bespreken. Hij
verliet mevrouw Shandon dus ten zes ure, maar legde den volgenden
morgen weer zijn gewoon bezoek in de Fleet-gevangenis af, thans
uitgedost met zijne fraaiste kleederen en versierselen (die, hoewel
weinig kostbaar, toch door kleur en vorm eene schitterende vertooning
maakten) en met vier pond twee shillings op zak, het bedrag van zijn
wekelijksch salaris aan het blad, min twee shillings, die hij op weg
naar de gevangenis tot den aankoop van een paar handschoenen besteed
had.
Hij had den vorigen dag in het koffiehuis met mijnheer Bungay en diens
corrector en letterkundigen zaakwaarnemer mijnheer Trotter „zijn hapje
gebruikt,” gelijk Bungay gewoon was zich uit te drukken, en bij die
gelegenheid zijne denkbeelden over de leiding van de Pall Mall Gazette
breedvoerig uiteengezet. Op meesterlijke wijze had hij in het licht
gesteld, hoe het gewone nieuws moest ingericht worden; welke
lettersoort men voor de verschillende artikelen moest gebruiken; wie de
marktberichten moest leveren, wie de verslagen van de wedrennen en de
bokspartijen, wie het kerknieuws en wie het gekeuvel over de voorname
wereld. Hij was bekend met heeren, die deze verschillende vakken van
wetenschap beoefenden en daarna hunne bevindingen aan het publiek
meedeelden. Kortom, Jack Finucane was, gelijk Shandon van hem verzekerd
had en hij zelf met fierheid bevestigde, een der beste onderredacteurs
in geheel Londen. Hij kende het wekelijksch inkomen van iedereen, die
met de drukpers in betrekking stond, en was op de hoogte van honderden
kunstgrepen of vindingrijke bezuinigingen, waardoor men ondernemende
kapitalisten, die een blad wilden oprichten, geld kon doen uitwinnen.
Hij wist Bungay, die traag van begrip was, te gelijk te verblinden en
te overbluffen door de vlugge berekeningen, die hij op het papier
zette, terwijl zij aan tafel in het koffiehuis zaten. Later verklaarde
Bungay aan zijn handlanger mijnheer Trotter, dat die Ier een knappe kop
scheen te zijn.
Nadat het hem gelukt was dien indruk op mijnheer Bungay te maken,
bracht de trouwe kerel het gesprek op de zaak, die hem het naast aan
het hart lag, namelijk de bevrijding van zijn geëerden vriend en
meester, kapitein Shandon, uit de gevangenis. Hij kende tot een stuiver
toe, het bedrag der vorderingen tegen den kapitein, die in de kamer van
den portier der Fleet-gevangenis berustten. Ja, hij beweerde zelfs al
de schulden van den kapitein te kennen; maar dit was onmogelijk, want
geen mensch in Engeland, zelfs de kapitein niet, kende die ten volle.
Hij gaf op wat de kapitein op dit oogenblik te betalen had en zette
uiteen hoeveel beter hij werken zou als hij uit de gijzeling ontslagen
was (ofschoon Bungay dit tegensprak, „want,” zeide deze, „als de
kapitein achter de traliën zit, weten wij, dat hij altijd thuis is,
terwijl men hem, wanneer hij op vrije voeten is, nooit bij den kraag
kan krijgen”). Eindelijk echter werkte hij zoo sterk op Bungay’s
gevoel, door te beschrijven hoe mevrouw Shandon in de gevangenis
wegkwijnde en het kind daar ziekelijk werd, dat hij den uitgever de
belofte afperste, dat hij zien zou wat hij doen kon, indien mevrouw
Shandon den volgenden morgen bij hem komen wilde. Het gesprek eindigde
ditmaal met een tweeden aanvoer van glazen grog. Ofschoon Finucane, die
vier guinjes op zak had, met groot genoegen de rekening zou voldaan
hebben, zeide Bungay: „Neen, mijnheer; dit is mijne zaak, met uw
verlof. James, betaal de rekening, en houd er achttien stuivers voor u
zelven af,” waarbij hij het vereischte geld aan den knecht
overhandigde. Zoo kwam het, dat Finucane, die, na het diner, in den
Temple te bed ging, waarachtig des Zaterdagmorgens zijn wekelijksche
salaris nog onaangeroerd in zijn zak vond.
Hij gaf mevrouw Shandon zulk een veelbeteekenenden en verheugden wenk,
dat dit zachtzinnige schepseltje begreep, dat hij eene goede tijding
voor haar had, en zich haastte haar hoed en doek te gaan halen toen
Finucane vroeg, of hij de eer mocht hebben eene wandeling met haar te
doen en haar een luchtje te laten scheppen. De kleine Marie sprong van
blijdschap op bij de gedachte aan dit pretje, want Finucane verzuimde
nooit haar een stukje speelgoed te geven, of haar naar eene of andere
vertooning mee te nemen, terwijl hij vrijbiljetten voor allerlei
soorten van Londensche uitspanningen voor het kind op zak had. Hij had
het gansche gezin van harte lief, en zou door het vuur geloopen zijn,
om hun of zijn aangebeden kapitein van dienst te wezen.
„Kan ik gaan, Charles? of zal ik bij u blijven, want, mijn beste, gij
zijt heden morgen in het geheel niet fiksch? Hij heeft zoo’n hoofdpijn,
mijnheer Finucane. Hij lijdt altijd aan hoofdpijn, en ik heb hem
gezegd, dat hij maar te bed moest blijven,” zeide mevrouw Shandon.
„Ga je gang maar met Polly. Pas goed op haar, Jack. Geef mij Burton’s
Anatomy eens, en laat mij dan aan mijn eigen lot over,” zeide Shandon
met de meeste goedhartigheid. Hij was bezig met schrijven en putte
doorgaans zijne Grieksche en Latijnsche aanhalingen (waarvan hij als
schrijver partij wist te trekken) uit dat verwonderlijke magazijn van
geleerdheid.
Derhalve gaf Fin den arm aan mevrouw Shandon, terwijl Marie door de
gangen der gevangenis huppelde, en zoo kwamen zij door de poort in de
vrije lucht. Het is van Fleet Street naar Paternoster Row niet ver.
Toen het drietal den winkel van mijnheer Bungay bereikte, ging mevrouw
Bungay juist de deur van het woonhuis binnen met een papieren zakje in
hare hand, benevens een handschrift in een rooden band, dat niets meer
of minder dan de aanteekeningen van hare handelsbetrekkingen met den
slachter op de naburige markt bevatte. Mevrouw Bungay droeg een
prachtig zijden kleed met weerschijn, waarop roode en purperen vlammen
schenen te spelen, en een gelen shawl, terwijl zij roode bloemen in
haar hoed en eene schitterende lichtblauwe parasol in de hand had.
Mevrouw Shandon had een oud kleedje van zwarte gewaterde zijde aan;
haar hoed had even weinig zonnige dagen van voorspoed gekend als zijne
eigenares; en desniettemin zag zij er, in welke kleeding dan ook, als
eene echte dame uit. De beide vrouwen maakten, ieder op hare eigene
wijze, eene buiging voor elkander.
„Hoe vaart u, mevrouw?” zeide mevrouw Bungay.
„Mooi weertje vandaag,” zeide mevrouw Shandon.
„Wilt ge niet binnenkomen, mevrouw?” vroeg mevrouw Bungay, zoo strak
naar Marie kijkende, dat het kind er bijna van schrikte.
„Ik – ik kwam om mijnheer Bungay over zaken te spreken; – ik – ik hoop
dat hij heel wèl is?” zeide mevrouw Shandon bedeesd.
„Als gij hem op het kantoor gaat spreken, zoudt gij dan dat – dat
kleine meisje niet zoolang bij mij kunnen laten?” vroeg mevrouw Bungay
met eene stem als een dragonder en een tragischen blik, terwijl zij met
één vinger naar het kind wees.
„Ik wil bij mama blijven,” kreet de kleine Marie en verborg haar
gezichtje in het kleed van hare moeder.
„Kom, Marie, mijn lievertje, ga met mevrouw mee,” zeide de moeder.
„Ik zal je mooie prentjes laten kijken,” zeide mevrouw Bungay, met de
stem van een boeman, „en nog heel veel ander moois. Kijk eens hier,” –
en het papieren zakje opendoende, liet zij eenige van die lekkere
koekjes zien, die Bungay zoo gaarne bij zijn wijn gebruikte. Dit haalde
Marie over en nu gingen allen het huis binnen, uit hetwelk eene zijdeur
toegang tot Bungay’s kantoor gaf. Hier echter verloor het kleine
meisje, toen zij op het punt stond van hare moeder te scheiden, den
moed weer, zoodat zij opnieuw zich aan hare japon vastklemde. De zachte
en vriendelijke mevrouw Shandon, den blik van teleurstelling op mevrouw
Bungay’s gelaat bespeurende, zeide op goedhartigen toon: „Als ge het
veroorlooft, zal ik een oogenblikje bij u vertoeven,” waarop allen de
trap opgingen. Een tweede koekje maakte de kleine Marie geheel
vertrouwelijk, zoodat zij na een paar minuten, zonder de minste
eenkennigheid, weer aan het babbelen was.
De trouwe Finucane had ondertusschen mijnheer Bungay in onhandelbaarder
stemming gevonden dan den vorigen avond, toen zijn gemoed door twee
derden van eene flesch portwijn en twee groote glazen brandewijngrog
tot geestdrift was opgewonden, zoodat hij de schoonste beloften in het
belang van kapitein Shandon gedaan had. Toen hij thuis was gekomen, had
zijne knorrige vrouw hem den mantel uitgeveegd. Zij had gelast, dat hij
den kapitein aan zijn lot zou overlaten, want het was een deugniet, die
met geen geld te helpen was; zij keurde de oprichting der Pall Mall
Gazette af en voorspelde, dat Bungay er geld mee verliezen zou, gelijk
zij met het Whitehall Journal aan den overkant ook deden (haar broeders
zaak bestempelde zij altijd met den naam van „den overkant”). Shandon
moest maar in de gevangenis blijven en daar zijn werk doen; het was de
beste plaats voor hem. Finucane’s pleiten en beloften en smeeken bleef
vruchteloos, want zijn vriend Bungay had dien morgen een bedsermoen van
een uur lang moeten aanhooren en was dus onverbiddelijk.
Maar hetgeen de brave Jack gelijkvloers op het kantoor niet bewerken
kon, dat brachten de innemende gezichtjes en manieren van moeder en
dochtertje in de gezelschapszaal op de eerste verdieping teweeg, waar
zij het hart van de driftige, doch inderdaad goedhartige, mevrouw
Bungay vermurwden. Er lag eene ongemaakte lieftalligheid in mevrouw
Shandon’s stem en eene innemende rondheid in hare manieren, om welke de
meeste menschen haar liefkregen en beklaagden; en moed scheppende uit
de ruwe hartelijkheid, waarmee mevrouw Bungay haar ontving, verhaalde
de kapiteinsvrouw hare geschiedenis en beschreef de goedheid en de
deugden van haar man en de achteruitgaande gezondheid van haar kind
(van twee kinderen, zeide zij, had zij moeten scheiden; zij had hen
naar school moeten zenden, want zij wilde hen in die verschrikkelijke
plaats niet bij zich houden), – zoodat mevrouw Bungay, ofschoon zoo
barsch als Lady Macbeth, door dit eenvoudige verhaal geheel verteederd
werd en zeide dat zij naar beneden zou gaan om eens met Bungay te
spreken. In dit huishouden nu stond spreken bij mevrouw Bungay met
bevelen gelijk, en hooren bij mijnheer Bungay met gehoorzamen.
Het was juist op dit oogenblik toen Finucane aan het welslagen zijner
bemoeiingen wanhoopte, dat de majestueuse mevrouw Bungay bij haar
echtgenoot verscheen en mijnheer Finucane beleefdelijk verzocht zich
eenige oogenblikken bij mevrouw Shandon in de gezelschapskamer te
vervoeren, daar zij mijnheer B. even spreken moest; en toen het
echtpaar alleen was gaf des uitgevers wederhelft hem te kennen, welke
plannen zij met de vrouw van den kapitein had.
„Wat is er nu gaande?” vroeg de Maecenas, vol verwondering over de
veranderde stemming zijner vrouw. „Heden morgen wildet gij er niet van
hooren, dat ik iets voor den kaptein doen zou. Wat heeft u zoo van
inzicht doen veranderen?”
„De kaptein is een Ier,” gaf mevrouw Bungay ten antwoord, „en ik heb
altijd gezegd, dat ik die Ieren niet kan uitstaan. Maar zijne vrouw is
eene echte dame, dat kan men haar wel aanzien; en eene goede vrouw, de
dochter van een dominé, eene vrouw uit het westen van Engeland, B.,
waar ik van moederszijde ook vandaan ben – en o, Marmaduke, hebt ge
niet op dat kleine meisje gelet?”
„Ja wel, ik heb dat kindje gezien.”
„En hebt ge dan niet opgemerkt, B., hoe sprekend zij op ons engeltje
van een Bessy gelijkt?” en bij die woorden ging mevrouw Bungay in den
geest achttien jaren terug, toen Bacon en Bungay zich pas kortelings
als kleine boekverkoopertjes in eene provinciestad gevestigd hadden, en
toen zij een kind met name Bessy had gehad, dat eenigszins op de kleine
Marie geleek, die thans haar medelijden had gaande gemaakt.
„Nu, nu, mijne beste,” zeide Bungay, toen hij zag dat de kleine oogjes
zijner vrouw begonnen te trekken en rood werden; „de kaptein zit voor
geen groote som in de doos. Hij is maar gegijzeld voor honderd dertig
pond. Finucane zegt, dat wij hem voor de helft van dat geld uit de
gevangenis kunnen verlossen, en wij zullen hem dan maar half loon
uitbetalen tot hij het voorschot aangezuiverd heeft. Toen dat kleintje
zeide: „Waarom haalt ge pa hier niet uit?” toen gevoelde ik het ook,
Elizabeth, op mijn woord!” Het gevolg van dit gesprek was, dat mijnheer
en mevrouw Bungay te zamen de trap opgingen naar de gezelschapskamer,
waar Bungay in eene taaie en hortende toespraak aan mevrouw Shandon
berichtte, dat hij bereid was de vijf en zestig pond, waarvoor hij
gehoord had, dat haar man vrij kon komen, voor te schieten, die hij dan
van het salaris van den kapitein zou inhouden, maar dat hij dit deed
onder voorwaarde, dat zij zelve met de schuldeischers de schikkingen
zou maken om haar man in vrijheid te doen stellen.
Ik geloof, dat dit de gelukkigste dag was, dien mevrouw Shandon en
mijnheer Finucane in langen tijd beleefd hadden. „Te drommel, Bungay,
ge zijt een juweel!” galmde Fin uit met zijn zwaarste Iersche accent en
tot in zijne ziel aangedaan. „Geef mij de hand, ouwe jongen! We zullen
de Pall Mall Gazette tot tien duizend abonnenten opdrijven, of ik heet
niet Finucane!” en onderwijl huppelde hij de kamer rond en wierp hij de
kleine Marie onder honderden bokkesprongen in de hoogte.
„Als ik u ergens met mijn rijtuig heen kan brengen, mevrouw Shandon, is
het geheel tot uw dienst,” zeide mevrouw Bungay met een blik op een
rijtuigje met één paard, dat juist was voorgekomen en waarin zij nog al
dikwijls een luchtje schepte; en de twee dames, met de kleine Marie
tusschen haar beiden (wier tengere handje de vrouw van Maecenas in hare
groote vuist vasthield) en den verrukten Finucane op het achterbankje,
reden van Paternoster Row weg, terwijl de eigenares van het rijtuig
zegevierende blikken op de vensters van Bacon aan den overkant wierp.
„Het zal den kapitein niet helpen,” dacht Bungay, toen hij naar zijn
lessenaar en zijne rekeningen terugkeerde. „maar mevrouw B. geraakt
geheel van streek, als zij aan haar verlies denkt. Ware het kind in het
leven gebleven, dan zou het gisteren meerderjarig geweest zijn, zooals
Bessy mij gezegd heeft;” en hij verwonderde zich, dat de vrouwen zulk
een goed geheugen hebben.
Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat mevrouw Shandon in den
haar opgedragen last zeer goed slaagde. Zij, die schuldeischers had
moeten verteederen toen zij geen stuiver en niets dan tranen en
smeekingen bezat om hen tot inschikkelijkheid te bewegen, had geen
moeite om hen genadig te stemmen door de betaling van tien shillings
van elk pond sterling, en de volgende Zondag was de laatste, althans
voor eenigen tijd, welken de kapitein in de gevangenis doorbracht.