DAT IN DEN OMTREK VAN LUDGATE HILL SPEELT.

Onze gekerkerde kapitein verkondigde in zijn prospectus, in kernachtige

en bezielde taal, dat de gentlemen van Engeland eindelijk de

noodzakelijkheid gevoeld hadden, om zich te vereenigen tot verdediging

van hunne gemeenschappelijke rechten en van hun roemrijken

maatschappelijken stand, thans van alle zijden bedreigd door

buitenlandsche omwentelingen, radicale woelingen binnenslands, sluwe

lasteringen van fabrikanten en katoenlords, en de domme vijandigheid

der volksmassa’s, die zij misleidden en aanvoerden. „De oude

monarchie,” zeide de kapitein, „werd aangerand door een verwoed

republikeinsch gepeupel. De kerk werd verzwakt door den afval van

wangunstigen en tersluiks ondermijnd door het ongeloof. De gezegende

instellingen, die ons land met roem bekransd en den naam van „Engelsch

gentleman” tot den aanzienlijksten in de wereld gemaakt hadden, bleven

zonder bescherming en werden overgelaten aan de aanvallen en den smaad

van menschen, die niets heiligs ontzagen, omdat zij in niets heiligs

geloofden; die geene geschiedenis eerbiedigden, omdat zij te onkundig

waren om van het verledene gehoord te hebben; en die zich door geene

wet lieten binden, welke zij sterk genoeg waren te verbreken, zoodra

hunne aanvoerders het sein tot plundering geven. Omdat de koningen van

Frankrijk hunne gentlemen wantrouwden, ging de monarchie van den

Heiligen Lodewijk te gronde,” deed mijnheer Shandon opmerken; „omdat

het volk van Engeland nog in zijne gentlemen geloofde, bood dit land

niet alleen het hoofd aan den geduchtsten vijand, dien eene natie ooit

had gehad, maar het overwon hem; omdat de Engelschen door gentlemen

werden aangevoerd, moesten de adelaars van de Douro tot de Garonne voor

hen terugwijken. Het was een gentleman, die door de vijandelijke

slagorde te Trafalgar brak, en een ander, die de vlakte van Waterloo

schoonveegde.”

Bungay knikte op veelbeteekenende wijze en knipoogde toen de kapitein

aan die zinsnede betrekkelijk Waterloo kwam, terwijl Warrington

daarentegen in lachen uitbarstte.

„Gij ziet hoe onze geachte vriend Bungay aangedaan is,” zeide Shandon,

met een schelmschen blik van zijne papieren opziende; „dat is de proef

op de som. Ik heb den hertog van Wellington en den slag van Waterloo

wel honderdmaal te pas gebracht, en nog nooit is het mij gebeurd, dat

de hertog den gewenschten indruk niet maakte.”

De kapitein bekende verder met de meeste openhartigheid, dat de

gentlemen van Engeland, in het volle vertrouwen op hun goed recht en

zonder zich te bekommeren om degenen, die er aan twijfelden, tot nog

toe de staatkundige belangen van hun stand, evenals het bestuur van

hunne landgoederen of de regeling hunner rechtszaken, hadden

overgelaten aan personen, welke opzettelijk met dat werk belast waren,

en dus hunne belangen in de pers hadden laten voorstaan door de

woordvoerders en verdedigers van beroep. Die tijd verklaarde Shandon nu

te beschouwen als voorbijgegaan: de gentlemen van Engeland moesten

hunne eigene kampvechters zijn. De verklaarde vijanden van hun stand

waren dapper, machtig, talrijk en zonder genade. De gentlemen moesten

thans die vijanden openlijk te keer gaan, zij moesten niet belachen en

in een verkeerd daglicht geplaatst worden door gehuurde pennen; voor

hen behoefden geen broodschrijvers Gazetten van Whitehall uit te geven;

„dat is een steek op Bacon’s volk, mijnheer Bungay,” zeide Shandon

tegen zijn uitgever.

Bungay stampte met zijn stok op den vloer, „Sla daarop los, raak hem,

kapitein!” riep hij in vervoering uit, en zijn dommen kop heviger dan

ooit schuddende, zeide hij tegen Warrington: „Als men een moorddadig

artikel moet hebben, mijnheer, kan geen mensch het den kapitein

verbeteren – geen mensch!”

De steller van het prospectus berichtte vervolgens, dat eenige

gentlemen, wier namen, om licht te bevroeden redenen, niet konden

bekend gemaakt worden (waarop Warrington weer begon te lachen),

besloten hadden een dagblad op te richten, dat die en die beginselen

zou voorstaan. „Die mannen zijn fier op hun stand en zullen alles

inspannen om hem in eere te houden,” riep kapitein Shandon uit en

zwaaide zijn papier met een grijns heen en weer. „Uit innige

overtuiging en op het voetspoor hunner voorouders, zijn zij trouw aan

hun vorst; zij hebben hunne kerk lief, waar zij hopen dat hunne

kinderen zullen knielen en voor welke hunne voorvaderen hun bloed

vergoten hebben; zij beminnen hun vaderland en wenschen het te doen

blijven wat de gentlemen van Engeland, – ja, de gentlemen van Engeland

(wij zullen dat met vette letters laten zetten, Bungay mijn jongen)! –

wat de gentlemen van Engeland er van gemaakt hebben: het grootste en

vrijste land ter wereld; en gelijk de namen van sommigen hunner onder

het charter staan, waarbij onze vrijheden bevestigd werden te Runnymede

–”

„Wat is dat?” vroeg mijnheer Bungay.

„Een mijner voorouders bezegelde het met den knop van zijn zwaard,”

zeide Pen met de grootste deftigheid.

„Het is de Habeas Corpus acte, mijnheer Bungay,” zeide Warrington,

waarop de uitgever antwoordde: „O, dan zal het wel goed zijn,” en

geeuwde, maar zeide nog: „Ga voort, kapitein.”

„– te Runnymede, zoo zijn zij ook nog heden bereid die vrijheid met

zwaard en pen te verdedigen, en nu nog, gelijk toenmaals, als één man

pal te staan voor de oude wetten en vrijheden van Engeland.”

„Bravo!” riep Warrington uit. Het kleine kind stond nog vol verbazing

te kijken; Shandon’s vrouw werkte in stilte voort en zag haar man met

bewondering aan. „Kom eens hier, Marietje,” zeide Warrington en liet de

fraaie lokken van het kind door zijne groote hand glijden. Maar de

kleine deinsde voor zijne ruwe liefkoozingen terug, en ging liever haar

heil zoeken aan Pen’s knieën, om met zijn mooien horlogeketting te

spelen; en het behaagde Pen wel, dat zij bij hem kwam, want hij was

zeer weekhartig en eenvoudig, ofschoon hij zijne zachtheid onder een

schuw en deftig uiterlijk verborg. Het kind klom dus op zijn schoot,

terwijl haar vader voortging met de voorlezing van zijn programma.

„Straks hebt gij gelachen, toen ik van die „licht te bevroeden redenen”

sprak,” zeide de kapitein tegen Warrington. „Nu zal ik u laten hooren

wat die redenen zijn, ongeloovige heiden!” – „Wij hebben gezegd,” ging

hij voort, „dat wij de namen der bij deze zaak betrokken personen niet

kunnen noemen, en dat er gegronde redenen voor die geheimhouding

bestaan. Wij bezitten invloedrijke vrienden in de beide huizen van het

Parlement en hebben ons bondgenooten in alle diplomatische kringen van

Europa weten te verschaffen. De bronnen, waaruit wij onze berichten

zullen putten, zijn van dien aard, dat zij onmogelijk publiek kunnen

gemaakt worden; geen ander blad te Londen, of in Europa, zou ze, langs

welken weg ook, tot de zijne kunnen maken. Wat wij echter zeggen mogen,

is dit: dat men de eerste berichten over hetgeen er in Engeland of op

het vasteland op staatkundig gebied voorvalt, alleen in de kolommen der

Pall Mall Gazette zal aantreffen. De staatsman en de kapitalist, de

landedelman en de godgeleerde zullen tot onze lezers behooren, omdat

wij onze medewerkers onder hen tellen. Wij richten ons tot de hoogere

standen der maatschappij; wij willen het niet ontkennen: de Pall Mall

Gazette wordt door gentlemen voor gentlemen geschreven; hare schrijvers

spreken tot de klassen, onder welke zij leven en geboren zijn. De

veldpredikers hebben hun blad, de radicale vrijdenkers hebben het

hunne: waarom zouden de gentlemen van Engeland geen eigen orgaan

bezitten?”

Zeer bescheiden weidde mijnheer Shandon vervolgens uit over de

letterkundige en fashionabele rubrieken van de Pall Mall Gazette, die

door gentlemen van erkende verdiensten zouden bezorgd worden, – mannen,

die zich met roem hadden overladen aan de academie (bij die zinsnede

kon Pendennis een lach en een blos ternauwernood onderdrukken), die

bekend waren in de clubs, en die tot de kringen behoorden, van welke

zij verslag zouden geven. Aan degenen, die advertentiën te plaatsen

hadden, gaf hij op eene fijne wijze te verstaan, dat geene andere

courant aan de artikelen, welke zij te koop aanboden, zulk eene

uitgebreide bekendheid zou kunnen verschaffen als de Pall Mall Gazette;

en eindelijk deed hij een welsprekend beroep op de pairs van Engeland,

de baronets van Engeland, de geëerde geestelijkheid van Engeland, de

rechtsgeleerden van Engeland, de moeders, dochters, huizen en

haardsteden van Engeland, om de goede oude zaak te ondersteunen, en

toen de voorlezing afgeloopen was, ontwaakte Bungay uit een tweede

dutje, dat hij zich veroorloofd had, en zeide andermaal dat het heel

goed was.

Na deze kennisneming van het prospectus handelden de heeren over eenige

bijzonderheden betreffende de staatkundige en letterkundige leiding van

het blad, terwijl Bungay daarbij zat te luisteren en te knikken, alsof

hij iets van het gesprek begreep en de geopperde inzichten goedkeurde.

Bungay’s eigen inzichten waren inderdaad zeer eenvoudig. Hij hield het

er voor, dat de kapitein de knapste man in Engeland was, om een

moorddadig artikel te schrijven. Hij wenschte zijn concurrent Bacon te

„vermoorden,” en dat kon, naar zijne meening, de kapitein doen. Indien

de kapitein een brief van Junius op een stuk papier overgeschreven, of

den catechismus gekopieerd had, zou mijnheer Bungay uitstekend voldaan

zijn geweest en het stuk als een moorddadig artikel beschouwd hebben.

Hij stak dus de papieren met het grootste welgevallen in zijn zak, en

betaalde er niet alleen voor, gelijk wij gezien hebben, maar riep zelfs

de kleine Marie en gaf haar een stuiver toen hij heenging.

Toen de voorlezing van het manuscript afgeloopen was, begon het

gezelschap een algemeen gesprek te voeren, waarbij Shandon eene

luchtige voornaamheid aan den dag legde, als een compliment aan de

beide vreemden, die bij hem zaten en die hij naar hun voorkomen en

manieren als leden van den beau monde beschouwde. Hij wist inderdaad

zeer weinig van de groote wereld, maar hij had iets daarvan gezien en

trok van die kennis zooveel mogelijk partij. Hij sprak van de meest

bekende personen en van de aanzienlijkste onder de groote lui met gemak

en gemeenzaamheid en maakte schertsende toespelingen op hen, alsof hij

dagelijks met hen omging. Hij verhaalde anekdotes uit hun bijzonder

leven en gesprekken, die hij gevoerd, en sprak van partijen, die hij

bijgewoond had en waarop dit en dat gebeurd was. Het vermaakte Pen, den

kalen gevangene in de gescheurde kamerjapon met zulk eene radheid van

tong over de grootsten des lands te hooren spreken. Mevrouw Shandon was

er altijd mee ingenomen als haar man die verhalen deed en geloofde ze

allen gaarne. Voor zich zelve had zij geen verlangen om in de voorname

wereld te verkeeren, want daar was zij niet knap genoeg voor; maar die

groote wereld was de ware plaats, waar haar Charles behoorde te zijn;

hij schitterde daar, hij was daar in aanzien. Werkelijk was Shandon

eens bij den graaf van X. op het diner genoodigd, en zijne vrouw had de

invitatie-kaart altijd als een schat in haar werkdoosje bewaard.

Mijnheer Bungay had spoedig van dat gesprek genoeg en stond op om

afscheid te nemen, waarop Warrington en Pen ook opstonden om met den

uitgever mee te gaan, ofschoon de laatste nog wel wat langer had willen

blijven, om met het gezin, dat hem belangstelling inboezemde en zijne

deelneming opwekte, nader kennis te maken. Hij mompelde iets van de

hoop, dat hij zijn bezoek nog eens zou mogen hervatten, waarop Shandon

met een pijnlijk glimlachje antwoordde, dat hij altijd thuis was en het

hem veel eer zou zijn mijnheer „Pennington” te ontvangen.

„Ik zal u tot aan het hek mijner buitenplaats uitgeleide doen, heeren,”

zeide de kapitein terwijl hij zijn hoed opnam, in weerwil van een

smeekenden blik en den flauwen uitroep: „Charles!” van mevrouw Shandon.

Op afgedragen pantoffels slofte de kapitein vóór zijne gasten uit en

voerde hen door de sombere gangen der gevangenis. Hij voelde reeds in

zijn vestzak waar Bungay’s bankbiljet geborgen was, toen hij aan het

poortje van de drie heeren afscheid nam, van welke één, en wel mijnheer

Arthur Pendennis, zich aanmerkelijk verlicht gevoelde, toen hij uit dat

akelige gebouw was en wederom in vrijheid het plaveisel van Farringdon

Street betrad.

Mevrouw Shandon ging droevig met haar werk voort aan het venster, dat

uitzicht had op het binnenplein. Zij zag Shandon met een paar mannen

achter zich haastig naar de cantine der gevangenis loopen. Zij had

gehoopt, dat hij dien dag bij haar zou blijven eten; er was een stuk

vleesch voorhanden en op de richel aan de buitenzijde van het venster

stond eene kom met wat salade; ditmaal had zij verwacht, dat hij met

haar en de kleine Marie zou deelen. Maar daarop bestond thans geen kans

meer. Hij zou in de cantine blijven zitten tot het uur van sluiting

kwam; vervolgens zou hij op de kamer van een ander gaan kaartspelen of

drinken, en eindelijk, in zich zelven gekeerd, met verglaasde oogen en

een weinig onvast in zijn gang terugkomen, om verder door zijne vrouw

verzorgd te worden. O, wat doen wij onze vrouwen toch verschillende

soorten van kwellingen aan!

Mevrouw Shandon ging dus nu naar haar kastje en zette wat thee, in

plaats van een maal te gebruiken. Wat heeft die arme trekpot, sedert

den tijd toen de opbeurende theeplant bij ons werd ingevoerd, tallooze

malen de rol van vertrouweling gespeeld bij die verschillende soorten

van pijn, waarvan wij zoo even spraken! Men kan zich verzekerd houden,

dat myriaden vrouwen er bij zitten weenen. Bij hoeveel ziekbedden heeft

hij staan dampen! Hoeveel koortsige lippen hebben er verfrissching uit

ontvangen! De natuur had medelijden met de vrouwen, toen zij de

theeplant schiep; en hoeveel tafereelen en groepen kan de verbeelding

zich niet met een weinig nadenken voorstellen en rondom den trekpot en

de kopjes rangschikken! Melissa en Sacharissa bespreken daarbij hare

hartsgeheimen. De arme Polly heeft den trekpot en de brieven van haar

minnaar op de tafel, de brieven van hem, die nog gisteren haar minnaar

was, toen zij er uit blijdschap, niet uit wanhoop, bij schreide. Marie

treedt op hare teenen moeders slaapkamer binnen en brengt een kop van

den vertroostenden drank aan de weduwe, die niets anders gebruiken wil.

Ruth zet bezorgd de thee voor haar man, die van den veldarbeid thuis

komt. Men zou eene gansche bladzijde met dergelijke tooneelen kunnen

vullen. Kortom, mevrouw Shandon en de kleine Marie zetten zich neder en

drinken thee met elkander, terwijl de kapitein uitgaat en zijn vermaak

zoekt. Zij verlangt niets anders, als haar man er niet bij is.

Een heer, met wien wij reeds oppervlakkig bekend zijn, mijnheer Jack

Finucane, een stadgenoot van kapitein Shandon, vond diens vrouw en de

kleine Marie (voor wie hij altijd iets lekkers meebracht) aan de thee.

Jack beschouwde den kapitein als het grootste genie op het wereldrond;

Finucane was een paar malen uit den nood geholpen door den goedhartigen

verkwister, die altijd een vriendelijk woord en soms eene guinje, voor

een vriend, die in het nauw zat, overhad. Hij deed daarom gaarne

Shandon’s boodschappen en behandelde zijne geldelijke aangelegenheden

met uitgevers en dagbladredacteurs, schuldeischers, leveranciers,

houders van acceptatiën van den kapitein, en heeren, die in dat papier

speculeerden; met een woord, hij nam de honderden kleine zaken waar van

een Iersch heer, die in nood zit. Ik heb nog nooit een verarmd Iersch

heer gezien zonder een adjudant van zijne eigen natie, die eveneens in

geldelijke ongelegenheid verkeerde. Die adjudant heeft zelf weer

ondergeschikten, die op hunne beurt weer insolvente volgelingen hebben.

Zijn gansch leven hang marcheerde onze kapitein aan de spits van een

haveloozen troep, die het lief en leed van zijn aanvoerder deelde.

„Ik wed een guinje, dat het bankbriefje van vijf pond niet lang in zijn

bezit zal wezen,” zeide Bungay met het oog op den kapitein, toen hij

met zijne metgezellen de gevangenis verliet. En de uitgever had zeer

juist geoordeeld; want toen mevrouw Shandon de zakken van haar man

nazag, vond zij slechts een paar shillings en eenige stuivers, als

overschot van de ontvangst van dien morgen. Shandon had een pond

sterling aan een zijner schuimloopers gegeven, een schapebout met

aardappelen en bier aan een kennis in de armen-afdeeling der gevangenis

gezonden, eene openstaande rekening betaald in de cantine, waar hij

zijn bankbiljet gewisseld had, en aldaar een diner gebruikt met twee

vrienden, aan wie hij later, bij het kaartspelen, ettelijke daalders

verloren had; zoodat de avond hem even arm liet als de morgen hem

gevonden had.

Na Shandon verlaten te hebben, had er tusschen den uitgever en de beide

heeren nog een kort onderhoud plaats en herhaalde Warrington tegen

Bungay wat hij tegen diens concurrent Bacon gezegd had, namelijk, dat

Pen een knappe kerel was, een man van groot genie en, wat nog meer

beteekende, op zijne plaats in de groote wereld en vermaagschapt aan

„ik weet niet hoeveel” pairs. Bungay antwoordde, dat het hem aangenaam

zou zijn met mijnheer Pendennis in betrekking te komen, terwijl hij

hoopte de heeren eerlang eens bij zich aan tafel te zien, waarop men

met wederzijdsche plichtplegingen en betuigingen van genoegen afscheid

van elkander nam.

„Het is toch pijnlijk een man van zulk een veelzijdig talent en zoo

ontegensprekelijke kunde en geest als Shandon, voor de helft van zijn

leven de bewoner eener gevangenis en, als hij daaruit is, de slaaf van

een boekverkooper te zien,” zeide Pen nadenkend, toen hij dien avond

het tooneel, waarvan hij getuige was geweest, nog eens besprak.

„Ik ben ook de slaaf van een boekverkooper en gij zult in dezelfde

betrekking uwe krachten beproeven,” zeide Warrington lachende. „Wij

zijn allen in een of ander opzicht slaven. Ik ben liever wat ik ben,

dan onze buurman Paley te zijn, die zooveel genot van zijn leven heeft

als een mol. Er wordt ongeveer heel veel onverdiend medelijden verspild

op hetgeen gij den slaaf van een boekverkooper noemt.”

„De vele pijpen en bier, in eenzaamheid gebruikt, hebben u tot een

barbaar gemaakt,” hernam Pen. „Gij zijt een Diogenes bij een biervat,

Warrington. Niemand zal mij overtuigen, dat een man van genie, gelijk

die Shandon, voortgezweept behoorde te worden door zulk een dommen

blank-officier als die Bungay, dien wij straks verlaten hebben, en die

zich vetmest van de opbrengst van het brein van een ander, en zich

verrijkt met den arbeid van zijn huurling. Ik erger mij, dat ik een

gentleman als slaaf zie van zulk een kerel, een man niet eens in staat

de taal te spreken van zijn vaderland en niet waardig Shandon’s laarzen

te poetsen.”

„Zoo! dus zijt gij ook reeds begonnen tegen de uitgevers te velde te

trekken en partij te kiezen voor ons gilde? Bravo, Pen, mijn jongen!”

zeide Warrington, altijd lachende. „Wat hebt gij tegen Bungay’s

betrekking tot Shandon? Zoudt gij denken, dat de uitgever den schrijver

in de gevangenis had geworpen? Is het Bungay, die het bankbiljet, dat

wij hebben zien uitbetalen, aan drank verkwist, of Shandon?”

„Het ongeluk kan een mensch in slecht gezelschap brengen,” zeide Pen.

„Het valt gemakkelijk den steen op een armen kerel te werpen, die geen

ander gezelschap heeft dan hetgeen hij in de gevangenis vinden kan, en

geen andere uitkomst dan de vergetelheid en de flesch. Wij moeten

toegeeflijk zijn voor de buitensporigheden van een genie, en bedenken,

dat juist het vuur en de geestdrift, die den auteur zoozeer te baat

komen, den mensch dikwijls van den rechten weg af brengen.”

„Gekheid met je genieën!” riep Warrington, die op sommige punten een

zeer streng zedemeester was, ofschoon hij in de practijk misschien te

kort schoot. „Ik spreek het tegen, dat er zooveel genieën zijn als de

menschen, die over het lot der letterkundigen huilebalken, ons zouden

willen wijs maken. Er zijn duizenden knappe kerels die, als zij wilden,

verzen zouden kunnen maken, artikelen schrijven, boeken nalezen en een

oordeel er over vellen; de gesprekken der recensenten en schrijvers van

beroep zijn geen zier geestiger of diepzinniger, of onderhoudender dan

die van elke andere vergadering van beschaafde lui. Indien een

advocaat, een soldaat, een predikant zijne inkomsten te buiten gaat en

zijne rekeningen niet betaalt, moet hij in de gijzeling; en dat moet

een schrijver ook. Als een schrijver zich bedrinkt, weet ik niet,

waarom hij den volgenden morgen vrij zou moeten zijn van hoofdpijn, en,

als hij een rok bij zijn kleermaker bestelt, waarom hij dien niet

betalen zou.”

„Ik wilde hem slechts meer geld geven om kleeren te koopen,” zeide Pen

met een glimlach. „Ik zou natuurlijk liefst behooren tot een vak, welks

beoefenaars goed gekleed gaan. Ik protesteer tegen dien ellendigen

tusschenpersoon, dien ik tusschen het genie en zijn grooten klant, het

Publiek, zie staan, en die meer dan de helft van de inkomsten en den

roem des arbeiders tot zich neemt.”

„Ik ben een arbeider in het proza,” zeide Warrington; „gij, mijn

jongen, zijt een dichter in het klein en acht u dus waarschijnlijk

gerechtigd tot eene hooge vlucht. Wat wilt gij eigenlijk? Moet er eene

vennootschap van kapitalisten opgericht worden, verplicht om de werken

van alle schrijvers te koopen, die zich met hun manuscript in de hand

aanmelden? Moet ieder, die een heldendicht schrijft, ieder knoeier, die

kan spellen, of het misschien niet kan, en een roman of een treurspel

bij elkaar lapt, zich enkel behoeven te vertoonen, om in ruil voor

zijne prullige riemen papier een zak vol goudstukken te ontvangen? Wie

zal beslissen wat goed of slecht is, wat al of niet koopers zal vinden?

Wilt gij, kortom, den kooper de vrijheid laten, om al dan niet te

koopen? Welnu, mijnheer, toen Johnson achter het schut in St. John’s

Gate zijn maaltijd in eenzaamheid gebruikte, omdat hij te slecht in de

kleeren zat en te arm was, om zich bij de letterkundige grooten te

voegen, die zich rondom mijnheer Cave’s fijnste tafellaken te goed

deden, toen deed de koopman hem geen onrecht. Men kon den uitgever toch

niet dwingen den man van genie te herkennen in den haveloozen,

vervallen en uitgehongerden jonkman, die zich aan zijn oog voordeed.

Vodden zijn geen bewijs van genie; maar het kapitaal daarentegen heeft

in den tegenwoordigen stand van zaken de absolute macht in handen en

stelt dus onvermijdelijk zijne voorwaarden. Het bezit het recht om den

letterkundigen uitvinder evenals ieder anderen uitvinder te behandelen.

Indien ik op het gebied van den boekhandel iets nieuws voortbreng, moet

ik er de meest mogelijke partij van trachten te trekken; maar ik kan

mijnheer Murray evenmin noodzaken om mijn boek met reisverhalen of

preeken te koopen, als mijnheer Tattersall om mij honderd guinjes voor

mijn paard te geven. Ik moge mijne eigen meening over de waarde van

mijn Pegasus hebben en hem voor het prachtigste dier houden; maar de

kooper bezit ook het recht om eene meening te hebben, en heeft

misschien een damespaard, of een paard voor een zwaren en bangen

rijder, of een gewoon paard voor een wagen noodig, zoodat mijn beest

hem niet dienen kan.”

„Gij verliest u in beeldspraak, Warrington,” zeide Pen, „maar gij zegt

te recht, dat gij zeer prozaïsch zijt. Die arme Shandon! Er is iets in

de vriendelijkheid van dien man en in de zachtaardigheid van dat lieve

schepseltje van een vrouw, dat mij diep treft. Ik vrees, dat ik meer

van hem houd dan van menig man, die beter is dan hij.”

„Ik ook,” zeide Warrington. „laten wij hem dus onze deelneming schenken

en het medelijden met hem koesteren, dat wij aan zijne zwakheid

verschuldigd zijn; hoewel ik geloof, dat die soort van welwillendheid

door een hooghartiger man als eene beleediging zou beschouwd worden.

Gij ziet, dat hij zijne vertroosting te gelijk met zijn rampspoed

ontvangt, en de eene brengt de andere voort, of weegt er tegen op,

zooals de loop der wereld is. Hij zit gevangen, maar daarom is hij niet

ongelukkig.”

„Zijn genie zingt achter de traliën,” zeide Pen.

„Ja,” hernam Warrington met bitterheid; „Shandon weet zich vrij wel in

eene kooi te schikken. Hij behoorde ter neer geslagen te zijn, maar hij

heeft Piet en Klaas om mee te drinken en dat troost hem; hij zou eene

hooge positie kunnen innemen, maar daar hij ze niet heeft, kan hij met

Klaas en Piet drinken; hij zou kunnen werken voor zijne vrouw en

kinderen, maar Kees en Jan zijn eene flesch brandewijn machtig

geworden, welke zij hem uitnoodigen eens te komen proeven; hij zou den

armen Snip, den kleermaker, die twintig pond kunnen betalen, die de

arme drommel voor zijn huisbaas noodig heeft, maar Jan en Kees leggen

beslag op zijne beurs; en dus drinkt hij, terwijl zijn leverancier naar

de gijzeling en zijn gezin ten gronde gaat. Laten wij nu maar over de

rampen van een genie weeklagen, en samenspannen tegen die dwingelanden

van uitgevers, die de letterkundigen verdrukken!”

„Hoe! Neemt gij nog een glas grog?” vroeg Pen met een snaakschen blik.

Het was in de Achterkeuken, dat het bovenstaande wijsgeerige gesprek

tusschen de beide jonge mannen gevoerd werd.

Warrington begon als naar gewoonte te lachen, „Video meliora proboque –

hetgeen zeggen wil, laat het goed warm zijn, Jan, met veel suiker,”

zeide hij tegen den knecht.

„Ik zal niets meer nemen, want ik zou te veel krijgen,” zeide Pen. „Het

komt mij voor, Warrington, dat wij niet veel beter zijn dan onze

medemenschen.” En toen Warrington zijn laatste glas geledigd had,

keerden beiden, naar hunne kamers terug.

Bij hunne thuiskomst vonden zij twee briefjes in de brievenbus, van hun

nieuwen bekende van dien morgen, mijnheer Bungay. Die gastvrije heer

zond zijne complimenten aan elk der heeren en verzocht op een bepaalden

dag het genoegen van hun bijzijn aan zijn disch, waar zij eenige

letterkundige vrienden zouden ontmoeten.

„Dat zal eene groote partij zijn,” zeide Warrington. „Wij zullen het

geheele corps van Bungay zien.”

„Allen, met uitzondering van den armen Shandon,” antwoordde Pen, knikte

zijn vriend goedennacht toe en begaf zich naar zijn eigen kamertje. Wat

er dien dag was voorgevallen en de nieuwe bekenden, die hij gemaakt

had, dit alles hield hem bezig, zoodat hij er eenigen tijd over lag na

te denken, terwijl ondertusschen Warrington’s sterk en geregeld

snorken, dat zich uit het belendende vertrek liet hooren, het bewijs

leverde, dat die heer in diepen slaap verzonken lag.

„Zal ik dan inderdaad,” dacht Pendennis, terwijl hij van zijn bed naar

de heldere maan lag te staren, die een hoek van zijne kaptafel en de

lijst van de kleine teekening van Fairoaks, door Laura’s hand geschetst

en boven zijne latafel opgehangen, met hare stralen verlichtte, „zal ik

dan inderdaad eindelijk mijn brood verdienen en wel met de pen? zal ik

mijne lieve moeder niet meer ten laste zijn, en misschien nog naam en

reputatie in de wereld verkrijgen? Het zal mij veel genoegen doen als

ze komen willen,” dacht de jonge plannenmaker, die, hoewel geheel

alleen en in het midden van den nacht, in zich zelven lachte en

bloosde, toen hij gevoelde hoe vurig hij eer en roem op prijs zou

stellen, indien hij ze verwerven kon. „Als de Fortuin mij gunstig wil

zijn, zal ik haar loven; als zij mij den rug toekeert, laat ik haar

varen! Ik bid den hemel, dat ik in voor- of tegenspoed braaf moge

blijven, dat ik de waarheid moge spreken, voor zoover ik ze ken, en dat

ik er, noch door vleierij, noch uit baatzucht, noch uit persoonlijke

veete, noch uit partijzucht van moge afwijken. Lieve, beste moeder, wat

zult gij trotsch zijn, indien ik iets kan verrichten onzen naam

waardig! en gij, Laura, zult mij niet als een nutteloozen luiaard en

verkwister verachten, als gij ziet dat ik – dat ik getoond heb – och,

wat een uil ben ik toch, omdat ik nu vijf pond voor mijne gedichten

gekregen heb en een half dozijn artikelen in een nieuwsblad zal mogen

schrijven!” Gelukkiger en hoopvoller en in eene onderworpener stemming

dan hij in langen tijd bij zich had waargenomen, zette hij dit gepeins

voort. Hij dacht over de misstappen en de vadsigheid, de driften, de

buitensporigheid, de teleurstellingen zijner jeugd; hij stond uit het

bed op, wierp het venster open en keek in den nacht naar buiten; en

daarop trad hij, volgens de inspraak van zijn hart, die wij hopen dat

uit eene reine bron voortkwam, naar de afbeelding van Fairoaks, drukte

er een kus op, wierp zich bij zijn bed op de knieën en vertoefde

eenigen tijd in die houding van hoop en onderwerping. Toen hij oprees,

stroomden de tranen uit zijne oogen. Hij bemerkte, dat hij werktuiglijk

eenige woordjes herhaalde, die hij als kind gewoon was geweest aan den

schoot zijner moeder op te zeggen, waarna zij hem dan zachtkens opnam

en in zijn bedje droeg, de gordijnen toehaalde en hem met een zegen in

slaap suste.

Den volgenden dag bracht hun knechtje Pidgeon een groot pak in grijs

papier binnen, dat met de complimenten van mijnheer Trotter voor „den

weledelgeboren heer G. Warrington” gekomen was, vergezeld van een

briefje, dat Warrington doorliep.

„Pen, jou schelm!” galmde Warrington naar Pen, die op zijne eigen kamer

zat.

„Hola!” riep Pen terug.

„Kom eens hier, wij hebben je noodig,” schreeuwde Warrington weer en

Pen kwam te voorschijn.

„Wat is er?” vroeg hij.

„Pak aan!” riep Warrington en slingerde het pak naar het hoofd van Pen,

die er door neergeveld zou zijn, indien hij het niet opgevangen had.

„Het zijn boeken ter recensie voor de Pall Mall Gazette,” zeide

Warrington; „trek er op los.” Pen van zijn kant was in zijn leven nog

niet zoo verheugd geweest; zijne hand beefde toen hij het touwtje van

het pak lossneed en daarin eene sierlijke verzameling nieuwe, netjes in

linnen gebonden boeken, reizen, romans en gedichten aantrof.

„Sluit de deur, Pidgeon,” zeide hij. „Ik ben vandaag voor niemand

thuis.” Hij wierp zich in een armstoel en gunde zich nauwelijks den

tijd om zijne thee te drinken, zooveel haast had hij om aan het lezen

en aan het recenseeren te gaan.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 70 / 155 题