Deze drie brieven las mijnheer Pen telkens over, bij dag en bij nacht,
en drukte ze met een genot en een vuur aan zijn hart, waartoe zulke
schoone opstellen zeker alle reden gaven. Minstens duizendmaal had hij
met innigheid het gemuskeerde en gesatineerde papier gekust, dat door
de hand van Emily Fotheringay geheiligd was. Dit was al wat hij er van
had tot loon voor zijn hartstocht en zijn vuur, zijne geloften en
uitboezemingen, zijne rijmen en zijne beeldspraak, zijne slapelooze
nachten en gejaagde gedachten, zijne liefde, zijne vrees en zijne
dwaasheid. De jonge wijsneus had voor dit loon alles verpand: zijn naam
geteekend onder tallooze promessen, waarbij hij zijn hart aan toonder
toezeide; zich voor zijn leven gebonden, en een dubbeltje als
equivalent ontvangen had. Want jufvrouw Costigan was eene jonge dame
van zulk eene vlekkelooze deugd en zelfbeheersching, dat het nooit bij
haar zou opgekomen zijn iets meer te geven, en zij hield de schatten
van hare genegenheid terug, tot zij die op wettige wijze in de kerk zou
kunnen overleveren.
Hoe dit zij, mijnheer Pen was tevreden met de blijken van
belangstelling, die hij ontving, en tuurde in verrukking op zijn
drietal brieven, en sliep in, opgetogen over zijn vriendelijken ouden
oom uit Londen, die mettertijd zeker wel aan zijne wenschen zou
toegeven, – kortom, in een ongeloofelijken staat van tevredenheid met
zich zelven en de gansche wereld.