WAARIN PEN AAN DE DEUR MOET WACHTEN, TOTDAT DE LEZER ONDERRICHT IS WIE
DE KLEINE LAURA WAS.
Er was dan eens een jong heer aan de hoogeschool te Cambridge, die de
groote vacantie kwam doorbrengen in het dorp, waar Helena Thistlewood
met hare moeder, de weduwe van den voor Kopenhagen gesneuvelden
luitenant; woonde. Deze heer, de eerwaarde Francis Bell, had mevrouw
Thistlewood tot tante en was dus een volle neef van Helena, zoodat het
zeer natuurlijk was, dat hij zijn intrek bij zijne tante nam, die op
een zeer bescheiden voet leefde, en daar bracht hij de groote vacantie
door, terwijl hij les bleef geven aan drie of vier studenten, die hem
naar het dorp vergezeld hadden. Mijnheer Bell was „fellow” van een der
collegiën en ging aan de academie voor een zeer geleerd man en bekwaam
onderwijzer door.
De beide vrouwen begrepen, dat de eerwaarde heer geëngageerd was en
slechts op eene predikantsplaats, die zijn Collegie hem verschaffen
zou, wachtte om zijn woord gestand te doen. Zijne verloofde was de
dochter van een ander predikant, die in vroegere jaren Bell’s
onderwijzer was geweest. Toen Bell nog onder het dak van mijnheer
Coacher vertoefde en een knaap van slechts zeventien of achttien jaar
was, had hij zich in jeugdig vuur aan de voeten van jufvrouw Martha
Coacher geworpen, die hij in den tuin erwten hielp plukken. Voor haar
en de erwten op de knieën liggende, had hij zich tot eeuwige liefde
verbonden.
Mevrouw Coacher was vele jaren ouder dan de jonge heer, en reeds had
menige teleurstelling op het gebied der liefde haar hart verscheurd.
Niet minder dan drie leerlingen van haar vader hadden met hare jeugdige
genegenheid den draak gestoken. De dorpsapotheker had haar op eene
schandelijke wijze bedrogen. De dragonder-officier, met wien zij zoo
ontelbaar veel keeren gedanst had gedurende den zaligen tijd, dien zij
met hare jichtige grootmama te Bath had doorgebracht, had op zekeren
dag vlug de teugels van zijn paard aangehaald en was heen gegaloppeerd
om nooit terug te komen. Kan het verwondering baren, dat het hart van
Martha Coacher, door zoovele pijlen van ondankbaarheid gewond, smachtte
om ergens rust te vinden? Zeer vriendelijk en goedaardig luisterde zij
naar de voorstellen van den linkschen, galanten, eerlijken knaap, en
toen hij uitgesproken had, riep zij: „Heere! Bell, gij zijt nog veel te
jong om aan zoo iets te denken,” maar gaf hem toch te kennen, dat zij
het van haar kant ook in haar maagdelijken boezem zou overwegen. Zij
kon mijnheer Bell niet naar hare mama verwijzen, want mijnheer Coacher
was weduwnaar en kon, daar hij altijd in zijne boeken verdiept zat,
natuurlijk de zorg voor zulk een broos en zonderling voorwerp als een
dameshart niet op zich nemen, zoodat Martha zelve maar daarop letten
moest.
Eene lok van haar haar, met een blauw lintje samengebonden, maakte aan
den overgelukkigen Bell den uitslag van de inwendige overlegging der
Vestaalsche maagd kenbaar. Reeds driemaal te voren had zij eene van
hare kastanjebruine lokken afgeknipt en weggegeven. De bezitters van
die panden waren trouweloos geworden, maar het haar was weer
aangegroeid; en Martha had wel reden, toen zij dit minnepand aan den
onnoozelen jongen overhandigde, er bij te voegen, dat de mannen
bedriegers waren.
Nommer 6 maakte echter eene uitzondering op de vorige engagementen:
Francis Bell was de trouwste der minnaars. Toen het tijd voor hem werd
om naar de academie te gaan en het dus noodig was mijnheer Coacher met
de beraamde schikkingen bekend te maken, riep de predikant uit: „Mijn
hemel! ik had niet het minste vermoeden van zoo iets,” hetgeen ook zeer
waarschijnlijk was, want hij was er driemaal te voren juist op dezelfde
wijze ingeloopen; en zoo ging Francis naar de academie met het
voornemen om lauweren te behalen, ten einde die aan de voeten zijner
geliefde Martha neer te leggen.
De prijs, dien hij in het vooruitzicht had, spoorde hem tot
ongeloofelijken ijver aan. Na elken studietermijn kwam er bericht van
de eerbewijzen, die hem ten deel gevallen waren. Hij zond de boeken,
die hij als prijzen voor zijne opstellen gekregen had, aan den ouden
Coacher, en den zilveren beker, dien hij behaalde bij den wedstrijd in
de welsprekendheid, aan Martha. Op den behoorlijken tijd nam hij eene
der eerste plaatsen onder de verdienstelijkste candidaten in en was hij
„fellow” van zijn collegie; en bij al die omstandigheden onderhield hij
eene drukke en teedere briefwisseling met mejufvrouw Coacher, aan wier
invloed hij, misschien niet zonder reden, de zegepralen toeschreef, die
hij behaald had.
Op het tijdstip echter toen de eerwaarde heer Bell, meester in de vrije
kunsten en „fellow” en onderwijzer van zijn collegie, zes en twintig
jaar oud was, wilde het geval, dat jufvrouw Coacher vier en dertig jaar
telde, en hare bekoorlijkheden, manieren en humeur hadden ook geene
verbetering ondergaan sedert dien zonnigen dag in den lentetijd des
levens, toen hij haar in den tuin erwten had zien plukken. Toen hij
zijne graden behaald had, verflauwde hij in zijne studiën, en misschien
was zijn oordeel en smaak ook iets veranderd. De zonneschijn van het
erwtenbed had Martha verlaten, en de arme Bell vond zich verloofd – en
dat verbond in duizend brieven met zijne hand bekrachtigd – aan eene
ruwe, twistzieke, onbekoorlijke, ongemanierde vrouw van middelbaren
leeftijd.
Het was ten gevolge van een der vele twisten (waarin Martha’s
welsprekendheid uitblonk, – waarom zij zich dan ook dikwijls dat
genoegen vergunde), dat Francis weigerde zijne leerlingen naar
Bearlender’s Green mee te nemen, waar mijnheer Coacher zijne pastorie
had en Bell gewoon was den zomer door te brengen. Hij kwam op den inval
zijne vacantie te gaan slijten in het dorp bij zijne tante, die hij in
verscheidene jaren niet gezien had, – eigenlijk niet sedert Helena als
een klein meisje op zijne knie placht te zitten. Hij kwam dus over en
nam zijn intrek bij haar. Helena was nu tot eene schoone jonkvrouw
opgewassen. Neef en nicht waren bijna vier maanden, van Juni tot
October, in elkanders gezelschap. Zij wandelden in de zomeravonden,
ontmoetten elkander op den vroegen morgen en lazen uit hetzelfde boek,
als de oude dame des avonds bij het kaarslicht zat te dutten. Wat de
kleine Helena wist, had Frans haar geleerd. Zij zong voor hem. Zij
schonk hem haar argeloos hart. Zijne gansche geschiedenis was haar
bekend. Hij had er immers geen geheim van gemaakt, maar het afbeeldsel
der vrouw, met welke hij verloofd was, laten zien, en tevens – met een
blos – hare hardvochtige, scherpe, wreede brieven? De tijd snelde
voort, elken dag waren zij gelukkiger en gevoelden zij zich nauwer tot
elkander getrokken, elke dag deed meer vriendelijkheid,
vertrouwelijkheid, medelijden ontstaan. Eindelijk kwam er een morgen in
October, toen Francis naar de academie moest terugkeeren, en het arme
meisje gevoelde, dat haar teeder hart hem vergezelde.
Ook Frans ontwaakte uit den heerlijken droom, om de afschuwelijke
werkelijkheid zijner eigen smart weer te gevoelen. Hij trok en rukte
aan de keten, die hem bond. De wensch om die te breken en weer vrij te
zijn bracht hem bijna tot waanzin. Zou hij alles bekennen, zijne
spaarpenningen overlaten aan de vrouw, met wie hij verloofd was, en
haar verzoeken hem te ontslaan? Er was nog tijd en hij schoof het dus
op de lange baan. Misschien zou hij nog in jaren geene predikantsplaats
bekomen. Neef en nicht bleven droevige maar hartelijke brieven
wisselen, terwijl de verloofde, in eene stuursche, jaloersche en
misnoegde stemming, zich bitter, en met reden, over de verandering in
den toon van haar Francis beklaagde.
Eindelijk kwamen de zaken tot eene crisis en werd de nieuwe verbintenis
ontdekt. Francis bekende het, deed geene moeite om het te verbloemen,
bestrafte Martha over haar slecht humeur en haar heerschzuchtigen zin
en verweet haar, wat nog het ergst van alles was, hare onbeschaafdheid
en hare jaren.
Haar antwoord luidde, dat zij zijne brieven, indien hij zijn woord niet
hield, bij elke rechtbank in het rijk zou aanbrengen – brieven, waarin
hij haar tienduizendmaal trouw gezworen had; en dat zij, na hem als een
meineedige en verrader ten toon gesteld te hebben, zich zelve van het
leven zou berooven.
Frans had nog één onderhoud met Helena, die intusschen hare moeder
verloren had en nu gezelschapsdame bij de oude Lady Pontypool was, –
een onderhoud, waarin besloten werd, dat hij zijn plicht moest doen:
met andere woorden, dat hij woord moest houden, dat hij eene schuld
moest betalen, die hem door een woekeraar afgedwongen werd, dat twee
brave menschen rampzalig moesten gemaakt worden. Dit beschouwden die
twee als hun plicht, en daarop scheidden zij.
De predikantsplaats viel hem maar al te spoedig ten deel, maar
desniettemin was Frans Bell reeds grijs en afgeleefd toen hij in zijn
ambt bevestigd werd. Helena schreef hem bij zijn huwelijk een brief,
beginnende: „Lieve neef,” en eindigende: „Altijd de uwe.” De andere
brieven en de lok van zijn haar – met uitzondering van een heel klein
vlokje – zond zij hem terug. Dat vlokje lag in haar lessenaar, toen zij
met den majoor zat te spreken.
Bell bracht drie af vier jaar op zijne standplaats door, toen het
predikantsambt op Coventry-eiland openviel, waarom hij onder de hand
aanzoek deed. Hij werd inderdaad benoemd, en toen hij zijne aanstelling
aan zijne vrouw meedeelde, had zij er veel tegen, gelijk tegen alles.
Op bitteren toon verklaarde hij, dat hij haar ook liefst niet meenam,
en nu ging zij mee. Bell vertrok ten tijde van gouverneur Crawley en
stond met dien heer in zijne latere jaren op zeer vertrouwelijken voet.
Het was op Coventry-eiland, jaren na zijn huwelijk en vijf jaar nadat
hij de geboorte van Helena’s zoon vernomen had, dat zijne eigen dochter
geboren werd.
Zij was geen dochter van de eerste mevrouw Bell, die aan de inheemsche
koortsen van het eiland overleden was, zeer kort nadat Helena Pendennis
en haar echtgenoot (dien Helena met al het voorgevallene bekend gemaakt
had) de geboorte van hun kind aan Bell gemeld hadden. „Ik was te oud,
niet waar?” zeide mevrouw Bell de eerste. „Ik was te oud, en kon in
hare schaduw niet staan, niet waar? Maar ik trouwde u toch, mijnheer
Bell, en belette u, haar te trouwen!” en daarop stierf zij. Bell huwde
vervolgens eene dame uit de kolonie, die hij van harte liefhad. Maar
het was niet voorbeschikt, dat hij gelukkig in zijne liefde zou zijn,
en toen deze vrouw in het kraambed stierf, bezweek Bell er ook onder,
en zond het kleine meisje naar Helena Pendennis en haar man, met de
bede op zijne stervende lippen, dat zij zich haar zouden aantrekken.
Het schaapje kwam in rouwkleederen, in gezelschap van hare min, eene
soldatenvrouw, van Bristol op Fairoaks, – dus niet heel ver, – en
weende bitter bij het scheiden van hare voedster. Maar onder Helena’s
moederlijke zorgen hield het verdriet van het kind spoedig op.
Zij droeg aan haar hals een medaillon met haar, dat Helena, o hoeveel
jaren geleden! den armen Francis geschonken had, die nu reeds dood was
en begraven. Dit kind was al wat er van hem overbleef, en Helena
verzorgde, gelijk men van zulk eene teedere ziel verwachten mocht, met
volle liefde de kleine, die hij haar opgedragen had. Het meisje heette,
volgens den brief van den stervenden man, Helena Laura, maar John
Pendennis was, ofschoon hij het toevertrouwde pand aanvaardde, altijd
eenigszins jaloersch op de wees, en gelastte met een somber gelaat, dat
zij bij den naam van hare eigen moeder genoemd moest worden, en niet
bij den eersten der beide namen, die haar vader haar gegeven had. Zij
was tot het laatste toe bevreesd voor mijnheer Pendennis; en eerst toen
haar echtgenoot ten grave gedaald was, durfde Helena ongedwongen
toegeven aan de teedere liefde, die zij het meisje toedroeg.
Op zoodanige wijze werd Laura Bell de dochter van mevrouw Pendennis.
Noch haar man, noch diens broeder de majoor, zagen gunstig op het kind
neer. Den eersten herinnerde zij aan omstandigheden in het leven zijner
vrouw, die hij zich moest getroosten, maar die hij veel liever had
willen vergeten; en met welke oogen kon de majoor haar aanzien? Zij was
niet verwant aan zijn eigen geslacht, noch aan eenigen edelman in het
gansche rijk, terwijl zij voor haar gansche fortuin niet meer dan een
paar duizend pond bezat.
En nu mag mijnheer Pen binnenkomen, die al dezen tijd heeft staan
wachten.
Na zijne zenuwen verstaald en zich buiten de deur op de ontmoeting
voorbereid te hebben, trad hij binnen met het vaste plan om zijn
geduchten oom het hoofd te bieden. Hij had zich ingeprent, dat het een
vreeselijke strijd zou zijn, en had besloten zich met al den moed en al
de waardigheid der vermaarde familie, waarvan hij de vertegenwoordiger
was, er doorheen te slaan. Hij wierp dus de deur open en trad met eene
zooveel mogelijk barsche en krijgshaftige uitdrukking op zijn gelaat
binnen, als het ware in harnas gedost, met gevelde lans en wapperende
pluimen, en met een blik op zijne tegenpartij alsof hij zeggen wilde:
„Val aan! – ik wacht u af!”
Toen de oude wereldman de houding van den knaap opmerkte, kon hij een
grijns over diens onnoozele deftigheid nauwelijks weerhouden. Majoor
Pendennis had van zijn kant ook het terrein opgenomen; en daar hij
bevond, dat de weduwe reeds half op de hand van den vijand was en hij
wel begreep, dat bedreigingen en tragische vertoogen geen invloed
zouden hebben op den knaap, die onverzettelijk koppig en akelig ernstig
wilde wezen, zag de majoor dadelijk van den toon van gezag af, stak met
het welwillendste en natuurlijkste lachje aan Pen de hand toe, drukte
vroolijk de lijdelijke vingers van den knaap en zeide: „Kom, Pen, mijn
jongen, vertel er ons nu eens alles van!”
Helena was opgetogen over de edelmoedigheid en toegeeflijkheid van den
majoor. De arme Pen daarentegen was er geheel van onthutst en uit het
veld geslagen, want zijne zenuwen waren opgeschroefd voor een treurspel
en hij gevoelde nu, dat zijne grande entrée geheel mislukt en
belachelijk was. Hij bloosde en beefde van gekwetste ijdelheid en
radeloosheid. Hij verkeerde in het grootste gevaar om in schreien uit
te barsten. „Ik – ik – ik heb zoo pas gehoord, dat gij hier waart,”
zeide hij: „het is nu – nu – zeker zeer druk in de stad?”
Terwijl Pen ternauwernood de tranen onderdrukken kon, had de majoor de
grootste moeite om het niet uit te schateren. Hij draaide zich om en
wierp vlug een comischen blik op mevrouw Pendennis, die ook gevoelde,
dat het een even bespottelijk als sentimenteel tooneel was. En daar zij
niets te zeggen had, ging zij naar mijnheer Pen en kuste hem. Het is
zeer waarschijnlijk, dat de knaap ook week werd, als het hem inviel hoe
lief zij hem had en hoe gaarne zij al zijne wenschen vervulde.
„Wat een paar dwazen zijn dat toch!” dacht de oude voogd. „Als ik niet
overgekomen was, zou zij in staatsie uitgereden zijn om de familie der
jonge dame een bezoek te brengen en het meisje haar zegen te geven.”
„Kom, kom!” sprak hij en zag nog altijd met een grijns het tweetal aan,
„wij moeten zoo weinig mogelijk aan onze aandoeningen toegeven. Kom,
Pen, mijn beste jongen, vertel ons maar de geheele geschiedenis eens.”
Pen nam dadelijk zijne tragische en heldhaftige houding weer aan. „De
geschiedenis is gelijk ik die reeds aan u geschreven heb, oom. Ik heb
kennis gemaakt met eene allerschoonste en allerdeugdzaamste dame, van
eene hoogst aanzienlijke familie, ofschoon in bekrompen omstandigheden;
ik heb de vrouw gevonden, waarvan ik weet, dat het geluk van mijn leven
afhangt; ik gevoel, dat ik nooit, – neen, nooit aan eene andere vrouw
dan haar zal kunnen denken. Ik weet, dat ik verschil van leeftijd en
andere hinderpalen op mijn weg ontmoet. Maar mijne liefde is zoo groot,
dat ik gevoel, dat ik ze alle kan overwinnen; – dat wij er beiden toe
in staat zijn; en zij heeft toegestemd haar lot met het mijne te
verbinden, en mijn hart en mijn vermogen te aanvaarden.”
„Hoeveel bedraagt dat, beste jongen?” vroeg de majoor. „Heeft iemand u
geld nagelaten? Ik weet althans niet, dat gij een duit in de wereld
hebt.”
„Gij weet, dat al het mijne het zijne is,” riep mevrouw Pendennis uit.
„Hemeltje-lief, zwijg, mevrouw!” had de voogd wel willen zeggen, maar
hij bedwong zich, hoewel niet zonder moeite. „Zeker, zeker,” zeide hij
dus, „Gij zoudt alles voor hem opofferen. Dat weet iedereen. Maar het
is dan toch in ieder geval uw fortuin, dat Pen aan de jonge dame
aanbiedt, en die hij op zijn achttiende jaar in bezit wenscht te
nemen.”
„Ik weet, dat moeder alles voor mij over heeft,” zeide Pen, met een
tamelijk onthutst gezicht.
„Ja wel, beste jongen, maar bij alles moet men zijn verstand
raadplegen. Als uwe moeder het huis houdt, is het niet anders dan
billijk, dat zij haar eigen gezelschap kiest. Als gij haar huis terwijl
zij leeft wegschenkt en hare gelden bij den bankier op uw naam laat
overschrijven ten voordeele van jufvrouw Dings – jufvrouw Costigan, –
hadt gij mijne zuster toch wel als eene der voornaamste van de
betrokkene partijen mogen raadplegen. Gij ziet, ik spreek met u zonder
eenige boosheid of zonder het gezag te gebruiken, dat de wet en uw
vaders testament mij nog voor de drie volgende jaren toekennen – maar
als de eene man van de wereld tegen den ander, – en dan vraag ik u, of
gij denkt, dat gij, omdat gij alles wat gij wilt met uwe moeder doen
kunt, ook het recht hebt om dat te doen? Zou het, daar gij van haar
afhankelijk zijt, niet passender geweest zijn een weinig te wachten eer
gij dien stap deedt, en haar ten minste de beleefdheid te bewijzen om
hare toestemming te vragen?”
Pen liet het hoofd hangen en begon een flauw vermoeden te krijgen, dat
het bedrijf, waarop hij zich verhoovaardigd had als op een hoogst
romanesk en edelmoedig voorbeeld van onbaatzuchtige genegenheid,
misschien eene zeer zelfzuchtige en onbekookte dwaasheid was.
„Ik deed het in een oogenblik van opgewondenheid,” stamelde Pen; „ik
wist niet recht wat ik zeide of deed” (en in dit opzicht sprak hij
volkomen de waarheid). „Maar nu is het gezegd, en ik blijf er bij.
Neen, ik kan noch wil het herroepen. Ik wil liever sterven dan dat te
doen. En ik – ik wil mijne moeder niet tot last wezen,” ging hij voort.
„Ik wil voor mij zelven werken. Ik zal op het tooneel gaan en met haar
optreden. Zij – zij verzekert mij, dat ik er zeer goed zou voldoen.”
„Maar zal zij u op die voorwaarden willen nemen?” voegde de majoor er
tusschen in. „Let wel, dat ik niet zeg, dat jufvrouw Costigan niet de
onbaatzuchtigste aller vrouwen zou zijn; maar gelooft gij niet, oprecht
gesproken, dat uwe positie als jongmensch van oude afkomst en tamelijke
vooruitzichten, voor een gedeelte de reden is, waarom uw aanzoek haar
welkom is?”
„Ik zou liever sterven, dan mijne trouw aan haar te verbreken,” zeide
Pen, terwijl hij de vuisten balde en rood werd.
„Wie vergt dat van u, vriendje-lief?” gaf de onverstoorbare voogd ten
antwoord. „Natuurlijk breekt geen gentleman zijn woord, wanneer hij het
uit vrijen wil gegeven heeft. Maar in ieder geval hebt gij zoo’n haast
niet. Gij zijt iets aan uwe moeder, iets aan uwe familie, iets aan mij,
als den gemachtigde van uw vader, verschuldigd.”
„O, natuurlijk,” zeide Pen, die zich min of meer verlicht gevoelde.
„Nu, Arthur, wilt gij, daar gij uw woord aan haar verpand hebt, ons ook
niet eene belofte doen?”
„En dat is?” vroeg Arthur.
„Dat gij geen geheim huwelijk zult sluiten – dat gij geen uitstapje
naar Schotland zult doen, begrijpt ge?”
„Dat zou eene laagheid zijn,” merkte Helena aan; „en Pen heeft zijne
moeder nog nooit bedrogen.”
Pen liet andermaal het hoofd hangen en zijne oogen stonden vol tranen
van schaamte. Was niet deze heele intrigue eene laagheid tegenover dat
liefderijke en goedgeloovige schepseltje geweest, dat bereid was alles
om zijnentwil af te staan? Hij gaf zijn oom de hand.
„Neen, oom, – op mijn woord van eer als gentleman.” zeide hij. „Ik zal
nimmer zonder mijn moeders toestemming trouwen!” en terwijl hij op
Helena een laatsten helderen blik vol vertrouwen en hartelijkheid
wierp, verliet hij het vertrek om zich naar zijne eigen kamer te
begeven.
„Het is een engel, het is een engel!” riep zijne moeder in eene van
hare gewone vlagen van vervoering uit.
„Hij komt van een goeden stam, mevrouw,” zeide haar schoonbroeder, „van
een goeden stam van weerskanten.” De majoor was ten hoogste verheugd
over den uitslag van zijn diplomatisch gedrag, en wel in die mate, dat
hij andermaal de toppen van mevrouw Pendennis handschoenen aan zijne
lippen drukte en den korten, mannelijken, oprechten toon, waarmede hij
tegen den knaap gesproken had, liet varen, en een zeker brouwen aannam,
dat hem altijd kenmerkte wanneer hij zich geaffecteerd en voornaam
voordeed.
„Zusje-lief,” zeide hij op zijn wellevendsten toon, „ik geloof, dat het
zeer goed was dat ik overkwam, en ik vlei mij, dat die laatste botte
niet onverdienstelijk was. Ik zal u zeggen, hoe ik op het denkbeeld
kwam. Drie jaar geleden liet mijne waarde vriendin Lady Ferrybridge mij
roepen; zij verkeerde in de grootste ongerustheid omtrent haar zoon
Gretna, wiens geschiedenis gij u wel herinnert, en bezwoer mij, dat ik
mijn invloed zou aanwenden bij dien jongen heer, die in eene affaire de
coeur met de dochter van een Schotschen dominé, zekere jufvrouw Mac
Toddy, gewikkeld was. Ik smeekte en trachtte langs minnelijken weg mijn
doel te bereiken; maar Lord Ferrybridge van zijn kant was woedend en
ging ruw te werk. Gretna was norsch en stil, zoodat zijne ouders
dachten, dat zij de overhand behouden hadden. Maar wat was het geval,
mevrouw-lief? De jongelui waren al drie maanden lang getrouwd, eer Lord
Ferrybridge er de lucht van had gekregen. Dat is de reden, waarom ik
Pen die belofte afperste.”
„Arthur zou nooit zoo iets gedaan hebben,” zeide mevrouw Pendennis.
„Hij heeft het althans niet gedaan, dat is één troost,” antwoordde haar
schoonbroeder.
Majoor Pendennis, die een scherpzinnig en bezadigd man van de wereld
was, drong bij den armen Pen op het oogenblik niet verder aan, maar
wilde het beste van den tijd hopen, en verwachtte, dat de oogen van den
jonkman eerlang genoegzaam zouden opengaan, om de dwaasheid in te zien,
waaraan hij zich had schuldig gemaakt. En toen hij bespeurd had hoe
gevoelig de knaap op het punt van eer was, werkte hij met groote
bekwaamheid op dat fijne gevoel. – Als zij na het diner hun glas wijn
zaten te drinken, hield hij Pen de noodzakelijkheid van de volkomenste
oprechtheid en openhartigheid bij al zijne handelingen voor oogen en
drukte hem op het hart, dat hij zijn omgang met zijne belangwekkende
vriendin (gelijk de majoor jufvrouw Fotheringay zeer beleefd noemde)
alleen met voorkennis, zoo niet met goedkeuring, van mevrouw Pendennis
zou voortzetten. „In ieder geval, Pen,” zeide de majoor met eene
natuurlijkheid en rondheid, die den jonkman niet mishaagden en te
gelijk de oogmerken van den onderhandelaar bevorderden, „moet gij in
gedachte houden, dat gij u zelven wegwerpt. Uwe moeder zal zich
misschien uw huwelijk getroosten, gelijk zij zich alles getroosten zou
wat gij begeeren mocht, indien gij er maar lang genoeg om aanhieldt;
maar wees zeker, dat het haar nooit genoegen kan doen. Gij haalt eene
jonge vrouw van de planken van een plattelandstooneel en geeft haar de
voorkeur, want dat is het geval, boven eene der achtenswaardigste dames
in Engeland. En uwe moeder zal zich aan uwe keus onderwerpen, maar gij
kunt toch niet verwachten, dat zij zich daarin gelukkig zal gevoelen.
Ik heb mij dikwijls verbeeld, entre nous, dat mijne zuster een huwelijk
tusschen u en hare kleine pupil – Flora, Laura, hoe heet zij ook? – op
het oog had, en ik had mij altijd voorgenomen, zoover mijn gering
vermogen strekte, zulk een huwelijk tegen te houden. Voor zooveel ik
weet, bezit dat kind niet meer dan twee duizend pond. Alleen door de
uiterste zuinigheid en overleg kan mijne zuster voor eene fatsoenlijke
huishouding en voor uwe verschijning en opvoeding als gentleman zorgen;
en ik wil u wel bekennen, dat ik andere en betere dingen met u voorhad.
Met uw naam en geboorte, mijnheer; met uwe talenten, die ik
vooronderstel, dat niet al te gering zijn; met de vrienden, die ik de
eer heb te bezitten, zou ik u uitmuntend hebben kunnen helpen, – een
bijzonder goeden stand kunnen verschaffen voor een jonkman van zulke
uiterst geringe middelen, en ik had gehoopt, dat ik u ten minste eene
poging zou hebben zien doen, om onzen naam in zijn luister te
herstellen. Uw moeders weekhartigheid heeft een dier vooruitzichten
verijdeld; anders hadt gij generaal kunnen worden, gelijk onze dappere
voorvader, die bij Ramillies en Malplaquet streed. Ik had nog een ander
plan gevormd; mijn uitmuntende en toegenegen vriend Lord Bagwig, die
veel voor mij overheeft, zou, ik twijfel er niet aan, u wel hebben
willen toevoegen aan zijn gezantschap naar Pumpernickel, en dan hadt
gij in de diplomatische loopbaan kunnen vooruitkomen. Maar vergeef mij,
dat ik weder op dat onderwerp kom; hoe kan iemand een jongmensch van
achttien jaar van dienst zijn, die eene vrouw van dertig wil trouwen,
eene vrouw, die hij uit eene kermiskraam gehaald heeft? of neen, geen
kraam – eene loods. Die loopbaan is u voor goed ontzegd. ’s Lands
dienst is voor u gesloten, en de fatsoenlijke wereld ook. Gij ziet,
beste vriend, waartoe gij u zelven brengt. Misschien kunt gij in eene
rechtsgeleerde loopbaan nog slagen, waarin ik vernomen heb, dat mannen
van talent soms hunne keukenmeid trouwen; maar in geen ander vak. Of
gij kunt u hier vestigen, en hier, mon Dieu! voor altijd blijven leven”
(en dit zeide de majoor met een moedeloos schouderophalen, terwijl hij
met onuitsprekelijke voorliefde aan Pall Mall dacht), „waar uwe moeder
de aanstaande mevrouw Arthur met de meeste welwillendheid ontvangen
zal; waar de fatsoenlijke lui van het graafschap u niet zullen komen
bezoeken; en waar ik, bij den hemel, mijnheer, zelf huiverig zal zijn u
een bezoek te brengen, want ik spreek zooals ik het meen, en ik wil u
wel bekennen, dat ik liefst gentlemen tot vrienden heb; waar ge zult
moeten omgaan met grogdrinkende boeren en uw leven voortslepen als de
jonge man van eene oude vrouw, die, zoo zij uwe moeder het leven niet
verbittert, die dame althans hare positie in de maatschappij zal doen
verliezen, en haar met zich naar beneden zal slepen in dien
twijfelachtigen stand van menschen, waaronder gij onvermijdelijk
vervallen zult. Het is eene zaak, die mij niet aangaat, waarde heer. Ik
ben niet boos. Uw val zal mij niet verder deren, dan dat hij de hoop
vernietigt, die ik koesterde, om mijne familie nog eenmaal hare plaats
in de wereld te zien hernemen. Alleen gij zelf en uwe moeder zult
geruïneerd zijn. En ik beklaag u beiden uit den grond van mijn hart.
Reik den wijn eens aan; die is van een partijtje, dat ik aan uw armen
vader heb gezonden; ik herinner mij, dat ik het gekocht heb op de
veiling der nalatenschap van den armen Lord Levant. Maar daar gij u
verbonden hebt,” vervolgde de majoor, den wijn aandachtig proevende,
„zult gij natuurlijk doen wat u als man van eer betaamt, hoe nadeelig
dat ook voor u uitvallen moge. Beloof ons echter, beste jongen, hetgeen
ik begonnen ben u te verzoeken, dat er niets in het geheim zal
geschieden, dat gij uwe studiën zult voortzetten en dat gij alleen met
voegzame tusschenpoozen uwe belangwekkende vriendin bezoeken zult.
Schrijft gij haar veel?”
Pen bloosde toen hij antwoordde, dat hij haar inderdaad had geschreven.
„Zeker verzen, hè, zoowel als proza? Ik deed vroeger zelf aan verzen.
Ik herinner mij, dat, toen ik pas officier was geworden, ik verzen voor
mijne kameraden in het regiment placht te schrijven, en ik heb vrij
aardige dingen voor den dag gebracht. Ik sprak met mijn ouden vriend
generaal Hobbler over eenige regels, die ik in 1806 voor hem op het
papier wierp toen wij aan de Kaap waren, en, bij den hemel, hij kon
zich nog elken regel herinneren; want de oude schelm had ze ik weet
niet hoeveel maal gebruikt en er zich zelfs van bediend jegens mevrouw
Hobbler, mijnheer, – die hem zestig duizend pond aanbracht. Gij hebt
zeker ook wel verzen gemaakt, hé, Pen?”
Pen bloosde weer en zeide ja; hij had verzen gemaakt.
„En antwoordt de schoone in dichtmaat of in proza?” vroeg de majoor,
terwijl hij zijn neef met eene zeer snaaksche uitdrukking aanzag, alsof
hij zeggen wilde: „O Mozes en Groene Brillen! [3] wat is die knaap een
uil!”
Pen bloosde andermaal. Zij had geschreven, bekende de jeugdige minnaar,
doch niet in verzen, en daarbij gaf hij zijn borstzak eene neep, met
den linkerarm, hetgeen de majoor, als naar gewoonte, opmerkte.
„Daar hebt gij de brieven, zie ik,” zeide de oude krijgsman, Pen
toeknikkende en op zijne eigen borst wijzende (die door den kleermaker
Stultz dapper gewatteerd was). „Dat zult gij mij niet tegenspreken. Ik
zou een dubbeltje geven, om ze te zien.”
„Wel,” zeide Pen, de steeltjes van de aardbeziën tusschen zijne vingers
rollende, „ik – ik –,” maar die volzin werd niet voltooid, want Pen
keek zoo comisch en verlegen terwijl de majoor hem aanzag, dat deze
zich niet langer ernstig kon houden, maar in eene lachbui schoot,
waarmee Pen eene minuut later verplicht was in te stemmen, omdat hij
het ook moest uitschateren.
Hierna traden zij in eene bijzonder goede luim in mevrouw Pendennis’
gezelschapskamer. Het deed haar goed, hun lachen te hooren toen zij de
vestibule doorgingen.
„Slimme guit!” zeide de majoor, met den arm op Pen’s schouder en gaf
een schalkschen duw tegen den borstzak van den knaap. Hij voelde zonder
twijfel de papieren, die daar kraakten. De jonge kerel was opgetogen –
hij was trotsch – hij triomfeerde, – in één woord, hij was een
uilskuiken.
Het tweetal kwam in de vroolijkste bui aan de theetafel. De majoor was
boven alle beschrijving innemend. Hij had nooit zulke lekkere thee
geproefd, en zulk brood was alleen op het land te krijgen. Hij verzocht
mevrouw Pendennis, een van hare heerlijke liederen te zingen, waarbij
hij verwonderd en opgetogen stond over de mooie stem van den knaap. Hij
bewoog Pen zijne kaarten en teekeningen te halen en prees die als
wezenlijk merkwaardige bewijzen van talent in een jongmensch. Hij
maakte hem een compliment over zijne uitspraak van het Fransch. Kortom,
hij vleide den eenvoudigen knaap zoo behendig als ooit een minnaar
zijne geliefde gevleid heeft; en toen het tijd werd om naar bed te gaan
en moeder en zoon zich naar hun vertrek begaven, waren zij letterlijk
betooverd door den vriendelijken majoor.
Toen ieder op zijne kamer was, houd ik het er voor, dat Helena zich als
naar gewoonte op de knieën wierp en Pen zijne brieven nog eens overlas
alvorens in bed te stappen, – alsof hij ze niet reeds woord voor woord
van buiten kende. Eigenlijk bestonden er maar drie van die documenten,
en er was geene groote inspanning van het geheugen noodig, om ze van
buiten te leeren.
In No. 1 doet jufvrouw Fotheringay haar compliment aan mijnheer
Pendennis en bedankt hem, ook namens haar papa, voor zijne allerliefste
geschenken. Zij zal die altijd zorgvuldig bewaren; en jufvrouw F, en
kapitein C, zullen nooit den heerlijken avond vergeten, dien zij
verleden Dinsdag hebben doorgebracht.
No. 2 luidde: „Waarde heer, wij krijgen aanstaanden Dinsdagavond een
klein, stil gezelschapje goede vrienden aan onzen nederigen disch, die
vroeg komen theedrinken. Ik zal dan de keurige sjerp dragen, die ik,
met de begeleidende heerlijke verzen, altijd, altijd op hoogen prijs
zal stellen, en papa verzoekt mij te melden, dat het hem veel genoegen
zal doen als gij deel wilt nemen aan „het feest des verstands en de
uitstorting van de ziel” in onzen vriendenkring, gelijk het een
genoegen zal zijn voor uwe dankbare
Emily Fotheringay.”
No. 3 was op eenigszins vertrouwelijker toon gesteld en droeg het
bewijs, dat de zaak vrij ver gevorderd was. „Gij waart gisterenavond
heel ondeugend,” stond er in den brief. „Waarom zijt gij niet aan de
deur van het tooneel gekomen? Papa kon niet met mij gaan wegens zijn
oog, want hij heeft er een ongemak aan gekregen door een val, dien hij
Zondagavond over een los kleed op de trap deed. Ik zag u den ganschen
avond naar jufvrouw Diggle kijken, en gij waart zoo betooverd door
Lydia Languish, dat gij nauwelijks eens naar Julia hebt gezien. Ik had
Bingley wel kunnen vernielen, zoo boos was ik. Aanstaanden Vrijdag
speel ik Ella Rozenberg; komt gij dan? Jufvrouw Diggle speelt ook –
altijd uwe