Nog eens, maar veel harder: "Schooneman!!!"

Nog geen antwoord.

"Zou de zaak aan de Spanjaarden verraden zijn? Zouden ze den arbeider

gevangen hebben genomen?"

Ja, niemand wist hierop wat te zeggen.

Er werd gezocht, hier, daar en overal, behalve in het boschje, dat

een paar minuten verder lag en waarin de luiwammes lag te slapen,

dat hij ronkte.

De schuitenvoerders belegden nu raad en eindelijk besloot de

meerderheid, dat men zou terugkeeren.

Touw ontving zijn geld en ging naar huis in de gedachten, dat

Schooneman, zeker al lang thuis zou zijn of, bij den Spanjaard achter

de tralies zou zitten kijken.

Tegen den middag werd de slaper wakker. Hij stond op, keek naar de zon,

zette een strootje, als zonnewijzer tusschen de vingers en zei: "Twaalf

uur, jongens, dat is een voordeeltje. Ik reken van gisteren-avond

zeven uur. Vijf en twaalf is zeventien, dat is zeventien keer drie

.... eenenvijftig stuivers! En nog zijn de schuiten er niet! Dat heet

ik nog eens de kaas snijden, al zeg ik het zelf!"

Zijn slaap was over en hij begon heen en weer te loopen; maar hoe

graag hij ook drie stuivers voor het uur kreeg, toch begon het nu

te lang te duren. Eindelijk nam hij zijn strootje weer te baat en

rekende uit, dat het al zes uur was.

Hij wachtte nog een uur en ging toen heen, natuurlijk rechtstreeks

naar het huis van den Baljuw om te zeggen, dat ze niet gekomen waren

en of hij vierentwintig maal drie, dat is tweeënzeventig stuivers

mocht hebben.

"Wat?" bulderde de Baljuw. "Jij tweeënzeventig stuivers! Pak je weg,

lummel! tweeënzeventig stokslagen, ja! Waar zat-je toen de schuiten

kwamen?"

"De schuiten zijn er niet geweest, Heer Baljuw! Ik ben tot van avond

zes uur aan de Koppieren kade geweest!"

"En van morgen om negen uur waren de schuiten er al! Hebt gij dan

geslapen?"

"Hé ja, Heer Baljuw, ik heb wel een tikkie gedaan, al zeg ik het

zelf, maar...."

"Ongeluksvogel, die je bent," bulderde de Baljuw, "jij met je

tikkie! Kom hier, dan zal ik je tweeënzeventig tikkies geven!"

"Als het geene stuivers zijn, houd ze dan zelf maar, Heer

Baljuw!" zeide Schooneman en liep zoo hard, als zijn luie beenen hem

dragen konden, naar huis.

"Dat was een duur tikkie," bromde hij, "maar nooit meer zulke baantjes,

hoor! Daar zal ik geene vette soppen mee weeken!"

Door de verregaande onvoorzichtigheid van dezen huisman, was dus de

geheele onderneming in duigen gevallen.

Leeuwke kon niet verdragen, dat men hem misschien verdenken zou

van zijne boodschap niet goed gedaan te hebben, en daarom ging hij,

hoe men er ook op aandrong, dat hij blijven zou, tegen den avond,

in eenen Spaanschen wachtmantel gedoken, op pad naar Leiden. In

zijnen stok had hij nu weer een briefje en hierin werd gemeld dat

de schuld niet aan hem lag, maar dat door eenen boeren arbeider,

die was gaan slapen, inplaats van wakend op zijnen post te blijven,

de onderneming geheel en al mislukt was.

"In den donker zijn alle katjes grauw," zegt men wel eens en daar

vandaan zal het dan ook wel gekomen zijn, dat hij onderweg door

eenen Waal, uit het leger van Valdez, als Spaansch soldenier, werd

aangesproken.

Van dezen vernam hij, dat den volgenden dag van Amsterdam over het

Haarlemmermeer een nieuwe voorraad levensmiddelen voor het Spaansche

leger zou aankomen, en de Waal wist er zoo veel van te vertellen,

en hij zeide alles zoo zonder erg, dat Leeuwke begreep, dat het vast

waar moest zijn.

Sluipend tusschen het lange gras en met zijnen verrejager over de

slooten springende, kwam hij gelukkig de wachtposten door en voor de

Koepoort aan.

Natuurlijk was zijn eerste gang naar Pieter Adriaensz. van der Werff,

den Burgemeester, en toen naar Jonker van der Does. Beiden hadden hem

gezegd, dat hij eens bij Van Keulen moest aanloopen om hem een en ander

te vertellen, en vooral het laatste niet te vergeten, en, omdat hij

nu een paar dagen lang aan zoovele vermoeienissen was blootgesteld

geweest, gaf van der Does hem dezen dag en den volgenden nacht vrij

van den dienst.

Hoe hij dien vrijen dag gebruikte, zullen we in het volgende hoofdstuk

zien.

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 16 / 31 题