Een duur slaapje.
Het was Vrijdag, den vierden Juni, omstreeks zes uur in den namiddag,
dat we langs den Hoogen-Rijndijk, tusschen de Ridderhofsteden Swieten
en Rhinenburg, eenen stoeren, flinkgebouwden jongen zien loopen. Hij
heeft eenen polsstok of zoogenaamden verrejager in de hand en vervolgt,
een deuntje fluitende, zijnen weg.
Van den kant van Rhinenburg ziet hij een paar Spaansche Officieren
aankomen, en het hart popelt hem van onrust, als hij denkt, dat
deze, nu hij zoo gelukkig tusschen de vijandelijke schansen tot hier
gekomen is, hem zullen ophouden of, erger nog, hem in het verhoor
zullen nemen. Hij heeft echter reeds vooraf een plan gemaakt, wat
hij in dat geval doen zal en zet bij voorbaat een jammerlijk gezicht,
terwijl hij eene hand voor het hoofd houdt.
Mijne lezers hebben zeker Leeuwke herkend.
Daar zijn de Officieren bij hem en, hen heel nederig groetend, wil
hij voorbij gaan.
"Ho, knaap," zei de een, "kunt gij niet spreken, als gij menschen
groet?"
"Jawel, Senor!"
"Zoo, en waarom doet gij het dan niet?"
"Ik heb zulk eene hevige hoofd- en kiespijn, Senor," was Leeuwkes
antwoord en hij zette er zulk een onnoozel en dom gezicht bij, dat
de Officier, die hem aangesproken had, uitriep: "Die jongen is niet
wel bij het hoofd!"
"Of een volleerde deugniet, die ons praatjes wijsmaakt en mogelijk
wel uit Leiden komt," sprak de ander.
Leeuwke verstond hem zeer goed en vroeg nu met nog onnoozeler gezicht
aan den eerste: "Wat zegt Uwe Edelheids kameraad, Senor?"
De vraag was zóó leuk en het gezicht zóó dom, dat beide Officieren
in eenen luiden lach uitbarstten.
"Hoe heet gij, bengel?" vroeg de eerste alweer.
"Ik heet Hannes Hannesz., zooals mijn Vader heet en ik kom uit
Voorschoten. Mijn Vader is daar ketelboeter en mijne Moeder wascht
voor het volk van Capitano Carion. Hi-hi, ze maken veel goed vuil die
mannen. Moeder zegt dat ik veel schooner ben, ja, zeker, dat zegt ze."
"En wat moet gij hier doen als gij te Voorschoten woont?"
"Ik ga naar Hasaertswoude, Senor! Daar woont eene vrouw, die helpt alle
menschen van de kiespijn af door wrijven, en ik wil naar die vrouw!"
"Maar dan maakt gij eenen grooten omweg, jongen!"
Dat was waar, maar Gerrit liet zich zoo gauw niet vangen en zeide: "Ik
had voor den trompetter uit Don Carions vendel eene boodschap aan den
Vaandrig van den Drossaard van Wedde, die te Leiderdorp ligt, Senor!"
"En uw Vader is ook soldaat?"
"Neen, Senor, Vader is ketelboeter!"
"Wat is dat: een ketelboeter?"
"Ja, ziet u, Senor, als Uwe Edelheid eenen kapotten ketel heeft, dan
zet Vader er een lapje op, of hij soldeert het gaatje. Dat doet hij wàt
goed, dat zeggen de soldaten van Don Carion ook, maar ze betalen niet."
"Och kom, ga maar meê, Diala," zeide de ander. "Die knaap is niet
recht wijs! Wat staat ge met dat bedelpak te snappen?"
"Hij kan toch wel degelijk een spion of overlooper uit Leiden zijn,"
merkte de ander aan.
"Denkt ge dan, bij San-Jago, dat die uit Leiden een kalf zullen
overzenden? Als ik u was, nam ik den knaap mee, en bracht hem bij
Valdez in de legertent! Wie weet welk eene belooning er op zat!"
"Als de Heeren nu soms eenen ketel mochten hebben, die gelapt moet
worden, willen ze het dan maar laten weten? Dan kom ik zelf hem
halen! Zoo waar als ik zeg, Duitsche Pier lapt ook ketels, maar die
komt ze niet halen en hij is ook veel duurder dan...."
"Loop met heel je ketellappers-famielje naar de galg bengel!" zeide
Diala en volgde zijnen vriend, die reeds heen gegaan was.
"Dat is weer door eenen zuren appel gebeten," dacht Leeuwke en
vervolgde zijnen weg.
Dicht bij Rhinenburg lag een bierhuis waar de schippers dikwijls
aanlegden tot het afgeven van pakjes en ook wel eene kan bier
dronken. De tavernier was een geheim aanhanger van den Prins en reeds
stond Leeuwke gereed om daar binnen te gaan vragen, hoe hij veilig
verder kon gaan, toen hij in de gelagkamer vier Spaansche soldaten
en "Pier Quaet-Gelaet" zag. Deze herkende hem ook terstond en riep,
terwijl hij opsprong: "Op, mannen, vat dien bengel! Dat is een spion
uit Leiden!"
Leeuwke had de woorden van den Glipper niet meer verstaan, want hij
was terstond op den loop gegaan en snelde, zoo vlug als zijne beenen
hem dragen konden, de naburige hofstede Rhinenburg op.
Daar vond hij eenen nieuwen vijand in eenen grooten wachthond, die hem
blaffend te gemoet sprong. De Spanjaarden volgden met veel geschreeuw;
maar toen dacht de hond zeker, dat de grootste schreeuwers ook de
grootste kwaaddoeners waren, en Leeuwke latende loopen, keerde het
dier zich om en vloog eenen Spanjaard naar de keel.
Deze, op zulk eene vreemde ontvangst niet voorbereid, tuimelde
achterover, en zou zeker door den hond van kant gemaakt zijn, indien
zijne kameraads hem niet in allerijl waren komen helpen.
Het kostte moeite den van pijn schreeuwenden Spanjaard van den
woedenden hond te bevrijden en, toen het razende dier eindelijk dood
aan hunne voeten nederlag, was Leeuwke in het bosch, dat achter de
huizinge lag, en tot aan het Galgeveld zich uitstrekte, ontkomen.
Maar, waar nu heen?
Den weg opzoeken, dat was te gevaarlijk! Hij wist immers niet of de
Spanjaarden daar in den omtrek kruisten. Waren er ook geene Spanjaarden
in het dorp?
Zoo besluiteloos in het hem onbekende bosch heen en weer loopende,
telkens vreezende, dat hij den eigenaar of iemand van het huis
ontmoeten zou, die hem misschien wel voor eenen dief, of iets ergers
nog, zou aanzien, begon hij te denken, dat hij, eenmaal hier zijnde,
nu maar wachten moest tot het vallen van den avond. Hier in het bosch
tusschen het hout, zou men hem niet gemakkelijk vinden, meende hij.
Dat was de knaap van weinig ondervinding, die zoo handelde; want hij
had toch lichtelijk kunnen begrijpen, dat de aanval van den hond en
de achtervolging van vier Spanjaarden en eenen Glipper de aandacht
op hem moest laten vallen.
Maar gelukkig voor Leeuwke was het, dat de Heer van Rhinenburg niet
thuis was, en dat de Spanjaarden te veel met hunnen kameraad te doen
hadden, om den vluchteling in het geboomte op te sporen. Daardoor
kwam het dat hij ongestoord in het bosch blijven kon, tot het donker
genoeg was om te wagen verder te gaan.
Zijn eerste werk was nu uit het bosch te komen. Op goed geluk ging
hij rechtuit en kwam eindelijk aan eene vaart, die te breed was om
er over te springen. Daar lag aan de andere zijde eene baggerschouw,
en zonder zich lang te bedenken, ging hij de vaart door naar den
overkant. Ze was dieper dan hij vermoed had; want in het midden begon
hij plotseling te zakken. Leeuwke gaf onwillekeurig eenen schreeuw
en begon allerlei bewegingen in het water te maken. Eindelijk was
hij, waar hij zijn wilde; maar hoe hij er gekomen was, dat wist hij
niet! Hij rilde van de koude, en gaarne zou hij ginder op een van de
huisjes, waarin hij licht schemeren zag, afgegaan zijn, om zich bij een
goed vuur te warmen en een stuk brood te vragen; maar hij durfde niet.
Goede raad was duur; wat moest hij nu doen?
"In vrede," dacht hij, "maar dwars de weilanden over."
Hij stapte dus voort, doch kwam weldra weer aan eene breede wetering,
die hij waagde over te springen. Hij nam echter den sprong te kort
en kwam dicht bij den kant andermaal in het water terecht.
"Ho, jongen, wat doet gij daar? Hoe komt gij hier? Wie zijt gij?" riep
eensklaps een man, die daar te visschen stond en Leeuwke uit het
water op den kant hielp.
Het was een oud man en zijne stem had zoo vriendelijk geklonken,
dat de knaap zich geen oogenblik bedacht, maar, het was onvoorzichtig
genoeg, alles zeide, wat hem op het hart lag.
"Ik heb medelijden met uwe jaren, knaap, en ik zal u niet verklikken;
maar weet, dat Klaas Koot den opstand tegen onzen wettigen Vorst
verfoeit, en dat hij der Moederkerk is trouw gebleven. Maar ik bleef
ook mensch, jongen, en daarom zal ik u helpen, al ben ik overtuigd,
dat ik door dat te doen, de zaak van Willem van Oranje bevoordeel
en de mijne kwaad doe. Gij vraagt naar Spanjaarden, nietwaar? Nu, ze
zijn in mijn huis en het is voor hen, dat ik op mijnen ouden dag, in
den laten avond, nog uit visschen ga. Ik heb nu nog al eene tamelijke
zoô en kan dus ophouden! Ik ga vooruit en een kwartier daarna klopt
gij aan. Dan ben ik uw Oom Klaas en gij zijt?"
"Gerrit, goede man!"
"Best, neef Gerrit, die naar Boskoop moet om mijne zuster te
zeggen, dat uwe Moeder ziek is! Begrepen? De Heere vergeve me deze
leugens. Maar het is zooals ik zeg, ik heb medelijden met u, ik wil
u niet ongelukkig maken! Dus, zooals afgesproken is!"
De oude man pakte zijn vischtuig bij elkander en ging heen, een
oogenblik later door Gerrit gevolgd.
Wel keken de Spanjaarden vreemd op toen een jongen, van onder tot boven
bemodderd en doornat, binnentrad. Maar zij geloofden het sprookje,
dat hij opdischte en lieten hem zelfs vrij goeden Spaanschen wijn uit
hunne flesschen drinken, om ook van binnen wat warm te worden. En dat
was hard noodig, want Leeuwke rilde en beefde zoo, dat hij haast op
de beenen niet kon blijven staan, en zijne tanden klapperden, alsof
hij eene harde koorts kreeg.
De oude Koot had spoedig een vuur gebouwd, alsof er een os op gebraden
moest worden en zeide: "Nu, neefje, gij weet den weg! Daar hangen
mijne Zondagsche kleeren! Gij trekt die natte uit, die kunnen dan
hier drogen. Onderwijl eet gij met ons van den baars mede, en als dan
uwe kleeren weder droog en in orde zijn, gaat gij maar dadelijk naar
Boskoop; want zuster Mina zal er vast van opzien, als ze het hoort!"
Leeuwke had zich spoedig in de veel te ruime kleeding van zijnen
zoogenaamden Oom Klaas gestoken en diens vrouw, "Meu Sientje," die
hem nog droog ondergoed gegeven had bovendien, zeide toen hij weer
in het vertrek kwam: "Toe, neefje-jongen, eet maar! Gij zult ervan
opknappen, dat zult gij!"
Leeuwke liet zich niet tweemaal noodigen en daar hij Roomsch was,
verried hij zich ook niet bij het gebed, dat hij vooraf deed. Hij at
als een delver en dronk als een tempelier, terwijl de Spanjaarden gul
genoeg waren hem de beste visschen en de grootste boterhammen te laten.
Een paar uren later ging Leeuwke heen en nog nimmer had hij meer
welgemeend, dan op dit oogenblik, gezegd: "God vergelde het u!"
Nu was er voor hem geen gevaar meer. Hier aan deze plas, De Cat
geheeten, was de uiterste wachtpost der belegeraars.
Met vernieuwden moed vervolgde hij zijnen weg midden door het
dorp. Niemand hoorde hem daar; want alles was er reeds in diepe rust.
Wel had hij gaarne naar den weg gevraagd, maar daar hij nergens eenig
leven ontdekte, ging hij, toen hij het dorp uit was, op goed geluk
altijd maar rechtuit.
Na een half uurtje geloopen te hebben, kwam hij bij de eerste huizen
van Boskoop aan. Eenmaal dáár zijnde, wist hij goed den weg; want
hij had de Gouwe dikwijls genoeg bevaren.
Zonder ergens gestoord geworden te zijn, kwam hij midden in den nacht
in Ter Gouw.
Gelukkig wist hij waar Geert Soet vertoefde, en onbeschroomd den
klopper op de deur latende vallen, stond hij op de stoep te wachten
tot hem zou worden opengedaan.
Dat duurde nog al lang en terwijl hij daar zoo stond, begon hij na
te denken over alles, wat hem den verloopen dag gebeurd was. En de
slotsom was?
"De Spaanschgezinden kunnen toch ook hartelijk en braaf zijn en de
Spanjaarden zijn ook menschen, die het zoo kwaad niet meenen!"
Arme jongen, hoe spoedig zou hij ondervinden, dat dan toch vast niet
alle Spanjaarden zulke goedige menschen waren, als die welke hij bij
Klaas Koot ontmoet had.
Eindelijk werd de deur even geopend en toen hij op de vraag, vanwaar
hij kwam en wie hij was, geantwoord had, dat hij uit Leiden kwam en
Gerrit Verlaen heette, werd hij terstond binnengelaten.
Zoodra men uit het medegebrachte briefje, dat geheel ongeschonden was,
vernam, dat ze Zondag tegen den noen eerst te Leiden verwacht werden,
behoefde er niet zulke eene haast gemaakt te worden, en daarom maakte
Leeuwke een gretig gebruik van het verlof om gerust te gaan slapen.
Het is waar, de jongen lag maar op eenen stroozak en onder een paar
paardendekens, doch dat voelde hij niet, want nauwelijks had hij
zich uitgekleed en zijne moede leden op het harde bed uitgestrekt,
of hij sliep! Of hij droomde, ja, ziet ge, dat weet ik zoo juist
niet te zeggen; maar dat is zeker, dat Geert Soet, toen hij hem
des morgens te acht uren kwam wekken, in den slaap hoorde zeggen:
"God vergelde het u!"
Waar het hart vol van is, daarvan loopt, in den slaap zelfs, de mond
vaak over.
Er was handen vol werks; want de buiten-geslotenen wenschten zooveel
binnen de stad te brengen, als hun maar mogelijk was. Dertig schuiten
werden volgeladen met allerhande levensmiddelen benevens eenigen
voorraad van kruit en lood.
Het zou natuurlijk onmogelijk geweest zijn met deze bezending voorbij
de Gouwesluis of Alfen te komen, en daarom had men naar andere wegen
uitgezien.
De Baljuw van Hasaertswoude, een man aan de zijde van den Prins, had
aangeboden om de vaartuigen, mits ze niet te breed en te lang waren,
langs eene binnenvaart, den Spanjaarden onbekend, uit de Gouwe in den
Rijn te brengen. Hij kwam des avonds te Ter Gouw aan en zeide, dat
hij twee mannen besteld had, die hen nu verder zouden voorthelpen. De
een zou vooruitgaan en de Koppieren-kade doorsteken, terwijl de andere
achter zou blijven om hun den volgenden morgen den weg te wijzen.
Een oogenblik later kwamen de beide mannen aan.
"G'n avond, Heer Baljuw! Mooi weertje, hè, al zeg ik het zelf,"
zeide de een.
"Ja, Schooneman, dat is het. Verdient gij nog al graag wat?"
"Dat zou ik gelooven, Heer Baljuw, hoe meer hoe liever, al zeg ik
het zelf!"
"Nu best, dan moet ge vannacht de Koppieren-kade bij het Rietveld
doorsteken!"
"Ai, Heer Baljuw, als ze me snappen, dan ben ik er bij, gloeiend bij
ook, al zeg ik het zelf!"
"Ze zullen je niet snappen, Schooneman, ga maar gerust uwen gang! Het
is immer de Baljuw zelf, die het u beveelt."
"Ja, maar Heer Baljuw, hoeveel .... nu, de Heer Baljuw begrijpt
me wel!"
"Gij verdient er drie stuivers per uur aan, en ge blijft er, tot hier
uw kameraad met deze schuiten aankomt."
"Dat is goed, Heer Baljuw, maar hoeveel verdient mijn kameraad Touw,
als ik weten mag?"
"Daar hebt gij immers niemendal mee te maken, Schooneman?"
"Dat is te zeggen, niemendal mee te maken? Als Touw precies zooveel
verdient, als ik, dan wil ik wel hier blijven en morgen dezen luiden
den weg wijzen. Al zeg ik het zelf, ik ben niet voor ruzie! Hi-hi-hi!"
"Nu, wees maar gerust, Schooneman! Uw kameraad Touw verdient maar twee
stuivers in het uur! Hoe denkt gij er over? Gauw hoor, niet of wel!"
"Wel, dan zal ik maar gaan, Heer Baljuw! Voor drie stuivers per uur
wil ik graag een pak ransel oploopen, al zeg ik het zelf!"
Schooneman ging heen om zijn werk te verrichten. Omstreeks
middernacht kwam hij aan de genoemde Koppieren-kade en begon ijverig
te werken. Tegen acht ure hiermede klaar zijnde, keek hij op; maar
nog kwamen de schuiten niet.
"Weet-je wat, ik ga een tikkie doen! Zoo den heelen nacht in de kousen,
neen maar, een mensch is een mensch, een paar uurtjes slapen en dan
toch tweemaal drie, dat is zes stuivers verdienen,--goed dagwerk!"
Na dit bij zichzelven gezegd te hebben stond hij op en ging een eind
van den dijk af in een boschje liggen slapen.
Het was negen uren en daar kwam Touw met de schuiten aan. Ja, de
Koppieren kade was doorgestoken, maar, waar was Schooneman?
"Schooneman! Schooneman!!!"
Geen antwoord.