TIENDE HOOFDSTUK.

Een duur slaapje.

Het was Vrijdag, den vierden Juni, omstreeks zes uur in den namiddag,

dat we langs den Hoogen-Rijndijk, tusschen de Ridderhofsteden Swieten

en Rhinenburg, eenen stoeren, flinkgebouwden jongen zien loopen. Hij

heeft eenen polsstok of zoogenaamden verrejager in de hand en vervolgt,

een deuntje fluitende, zijnen weg.

Van den kant van Rhinenburg ziet hij een paar Spaansche Officieren

aankomen, en het hart popelt hem van onrust, als hij denkt, dat

deze, nu hij zoo gelukkig tusschen de vijandelijke schansen tot hier

gekomen is, hem zullen ophouden of, erger nog, hem in het verhoor

zullen nemen. Hij heeft echter reeds vooraf een plan gemaakt, wat

hij in dat geval doen zal en zet bij voorbaat een jammerlijk gezicht,

terwijl hij eene hand voor het hoofd houdt.

Mijne lezers hebben zeker Leeuwke herkend.

Daar zijn de Officieren bij hem en, hen heel nederig groetend, wil

hij voorbij gaan.

"Ho, knaap," zei de een, "kunt gij niet spreken, als gij menschen

groet?"

"Jawel, Senor!"

"Zoo, en waarom doet gij het dan niet?"

"Ik heb zulk eene hevige hoofd- en kiespijn, Senor," was Leeuwkes

antwoord en hij zette er zulk een onnoozel en dom gezicht bij, dat

de Officier, die hem aangesproken had, uitriep: "Die jongen is niet

wel bij het hoofd!"

"Of een volleerde deugniet, die ons praatjes wijsmaakt en mogelijk

wel uit Leiden komt," sprak de ander.

Leeuwke verstond hem zeer goed en vroeg nu met nog onnoozeler gezicht

aan den eerste: "Wat zegt Uwe Edelheids kameraad, Senor?"

De vraag was zóó leuk en het gezicht zóó dom, dat beide Officieren

in eenen luiden lach uitbarstten.

"Hoe heet gij, bengel?" vroeg de eerste alweer.

"Ik heet Hannes Hannesz., zooals mijn Vader heet en ik kom uit

Voorschoten. Mijn Vader is daar ketelboeter en mijne Moeder wascht

voor het volk van Capitano Carion. Hi-hi, ze maken veel goed vuil die

mannen. Moeder zegt dat ik veel schooner ben, ja, zeker, dat zegt ze."

"En wat moet gij hier doen als gij te Voorschoten woont?"

"Ik ga naar Hasaertswoude, Senor! Daar woont eene vrouw, die helpt alle

menschen van de kiespijn af door wrijven, en ik wil naar die vrouw!"

"Maar dan maakt gij eenen grooten omweg, jongen!"

Dat was waar, maar Gerrit liet zich zoo gauw niet vangen en zeide: "Ik

had voor den trompetter uit Don Carions vendel eene boodschap aan den

Vaandrig van den Drossaard van Wedde, die te Leiderdorp ligt, Senor!"

"En uw Vader is ook soldaat?"

"Neen, Senor, Vader is ketelboeter!"

"Wat is dat: een ketelboeter?"

"Ja, ziet u, Senor, als Uwe Edelheid eenen kapotten ketel heeft, dan

zet Vader er een lapje op, of hij soldeert het gaatje. Dat doet hij wàt

goed, dat zeggen de soldaten van Don Carion ook, maar ze betalen niet."

"Och kom, ga maar meê, Diala," zeide de ander. "Die knaap is niet

recht wijs! Wat staat ge met dat bedelpak te snappen?"

"Hij kan toch wel degelijk een spion of overlooper uit Leiden zijn,"

merkte de ander aan.

"Denkt ge dan, bij San-Jago, dat die uit Leiden een kalf zullen

overzenden? Als ik u was, nam ik den knaap mee, en bracht hem bij

Valdez in de legertent! Wie weet welk eene belooning er op zat!"

"Als de Heeren nu soms eenen ketel mochten hebben, die gelapt moet

worden, willen ze het dan maar laten weten? Dan kom ik zelf hem

halen! Zoo waar als ik zeg, Duitsche Pier lapt ook ketels, maar die

komt ze niet halen en hij is ook veel duurder dan...."

"Loop met heel je ketellappers-famielje naar de galg bengel!" zeide

Diala en volgde zijnen vriend, die reeds heen gegaan was.

"Dat is weer door eenen zuren appel gebeten," dacht Leeuwke en

vervolgde zijnen weg.

Dicht bij Rhinenburg lag een bierhuis waar de schippers dikwijls

aanlegden tot het afgeven van pakjes en ook wel eene kan bier

dronken. De tavernier was een geheim aanhanger van den Prins en reeds

stond Leeuwke gereed om daar binnen te gaan vragen, hoe hij veilig

verder kon gaan, toen hij in de gelagkamer vier Spaansche soldaten

en "Pier Quaet-Gelaet" zag. Deze herkende hem ook terstond en riep,

terwijl hij opsprong: "Op, mannen, vat dien bengel! Dat is een spion

uit Leiden!"

Leeuwke had de woorden van den Glipper niet meer verstaan, want hij

was terstond op den loop gegaan en snelde, zoo vlug als zijne beenen

hem dragen konden, de naburige hofstede Rhinenburg op.

Daar vond hij eenen nieuwen vijand in eenen grooten wachthond, die hem

blaffend te gemoet sprong. De Spanjaarden volgden met veel geschreeuw;

maar toen dacht de hond zeker, dat de grootste schreeuwers ook de

grootste kwaaddoeners waren, en Leeuwke latende loopen, keerde het

dier zich om en vloog eenen Spanjaard naar de keel.

Deze, op zulk eene vreemde ontvangst niet voorbereid, tuimelde

achterover, en zou zeker door den hond van kant gemaakt zijn, indien

zijne kameraads hem niet in allerijl waren komen helpen.

Het kostte moeite den van pijn schreeuwenden Spanjaard van den

woedenden hond te bevrijden en, toen het razende dier eindelijk dood

aan hunne voeten nederlag, was Leeuwke in het bosch, dat achter de

huizinge lag, en tot aan het Galgeveld zich uitstrekte, ontkomen.

Maar, waar nu heen?

Den weg opzoeken, dat was te gevaarlijk! Hij wist immers niet of de

Spanjaarden daar in den omtrek kruisten. Waren er ook geene Spanjaarden

in het dorp?

Zoo besluiteloos in het hem onbekende bosch heen en weer loopende,

telkens vreezende, dat hij den eigenaar of iemand van het huis

ontmoeten zou, die hem misschien wel voor eenen dief, of iets ergers

nog, zou aanzien, begon hij te denken, dat hij, eenmaal hier zijnde,

nu maar wachten moest tot het vallen van den avond. Hier in het bosch

tusschen het hout, zou men hem niet gemakkelijk vinden, meende hij.

Dat was de knaap van weinig ondervinding, die zoo handelde; want hij

had toch lichtelijk kunnen begrijpen, dat de aanval van den hond en

de achtervolging van vier Spanjaarden en eenen Glipper de aandacht

op hem moest laten vallen.

Maar gelukkig voor Leeuwke was het, dat de Heer van Rhinenburg niet

thuis was, en dat de Spanjaarden te veel met hunnen kameraad te doen

hadden, om den vluchteling in het geboomte op te sporen. Daardoor

kwam het dat hij ongestoord in het bosch blijven kon, tot het donker

genoeg was om te wagen verder te gaan.

Zijn eerste werk was nu uit het bosch te komen. Op goed geluk ging

hij rechtuit en kwam eindelijk aan eene vaart, die te breed was om

er over te springen. Daar lag aan de andere zijde eene baggerschouw,

en zonder zich lang te bedenken, ging hij de vaart door naar den

overkant. Ze was dieper dan hij vermoed had; want in het midden begon

hij plotseling te zakken. Leeuwke gaf onwillekeurig eenen schreeuw

en begon allerlei bewegingen in het water te maken. Eindelijk was

hij, waar hij zijn wilde; maar hoe hij er gekomen was, dat wist hij

niet! Hij rilde van de koude, en gaarne zou hij ginder op een van de

huisjes, waarin hij licht schemeren zag, afgegaan zijn, om zich bij een

goed vuur te warmen en een stuk brood te vragen; maar hij durfde niet.

Goede raad was duur; wat moest hij nu doen?

"In vrede," dacht hij, "maar dwars de weilanden over."

Hij stapte dus voort, doch kwam weldra weer aan eene breede wetering,

die hij waagde over te springen. Hij nam echter den sprong te kort

en kwam dicht bij den kant andermaal in het water terecht.

"Ho, jongen, wat doet gij daar? Hoe komt gij hier? Wie zijt gij?" riep

eensklaps een man, die daar te visschen stond en Leeuwke uit het

water op den kant hielp.

Het was een oud man en zijne stem had zoo vriendelijk geklonken,

dat de knaap zich geen oogenblik bedacht, maar, het was onvoorzichtig

genoeg, alles zeide, wat hem op het hart lag.

"Ik heb medelijden met uwe jaren, knaap, en ik zal u niet verklikken;

maar weet, dat Klaas Koot den opstand tegen onzen wettigen Vorst

verfoeit, en dat hij der Moederkerk is trouw gebleven. Maar ik bleef

ook mensch, jongen, en daarom zal ik u helpen, al ben ik overtuigd,

dat ik door dat te doen, de zaak van Willem van Oranje bevoordeel

en de mijne kwaad doe. Gij vraagt naar Spanjaarden, nietwaar? Nu, ze

zijn in mijn huis en het is voor hen, dat ik op mijnen ouden dag, in

den laten avond, nog uit visschen ga. Ik heb nu nog al eene tamelijke

zoô en kan dus ophouden! Ik ga vooruit en een kwartier daarna klopt

gij aan. Dan ben ik uw Oom Klaas en gij zijt?"

"Gerrit, goede man!"

"Best, neef Gerrit, die naar Boskoop moet om mijne zuster te

zeggen, dat uwe Moeder ziek is! Begrepen? De Heere vergeve me deze

leugens. Maar het is zooals ik zeg, ik heb medelijden met u, ik wil

u niet ongelukkig maken! Dus, zooals afgesproken is!"

De oude man pakte zijn vischtuig bij elkander en ging heen, een

oogenblik later door Gerrit gevolgd.

Wel keken de Spanjaarden vreemd op toen een jongen, van onder tot boven

bemodderd en doornat, binnentrad. Maar zij geloofden het sprookje,

dat hij opdischte en lieten hem zelfs vrij goeden Spaanschen wijn uit

hunne flesschen drinken, om ook van binnen wat warm te worden. En dat

was hard noodig, want Leeuwke rilde en beefde zoo, dat hij haast op

de beenen niet kon blijven staan, en zijne tanden klapperden, alsof

hij eene harde koorts kreeg.

De oude Koot had spoedig een vuur gebouwd, alsof er een os op gebraden

moest worden en zeide: "Nu, neefje, gij weet den weg! Daar hangen

mijne Zondagsche kleeren! Gij trekt die natte uit, die kunnen dan

hier drogen. Onderwijl eet gij met ons van den baars mede, en als dan

uwe kleeren weder droog en in orde zijn, gaat gij maar dadelijk naar

Boskoop; want zuster Mina zal er vast van opzien, als ze het hoort!"

Leeuwke had zich spoedig in de veel te ruime kleeding van zijnen

zoogenaamden Oom Klaas gestoken en diens vrouw, "Meu Sientje," die

hem nog droog ondergoed gegeven had bovendien, zeide toen hij weer

in het vertrek kwam: "Toe, neefje-jongen, eet maar! Gij zult ervan

opknappen, dat zult gij!"

Leeuwke liet zich niet tweemaal noodigen en daar hij Roomsch was,

verried hij zich ook niet bij het gebed, dat hij vooraf deed. Hij at

als een delver en dronk als een tempelier, terwijl de Spanjaarden gul

genoeg waren hem de beste visschen en de grootste boterhammen te laten.

Een paar uren later ging Leeuwke heen en nog nimmer had hij meer

welgemeend, dan op dit oogenblik, gezegd: "God vergelde het u!"

Nu was er voor hem geen gevaar meer. Hier aan deze plas, De Cat

geheeten, was de uiterste wachtpost der belegeraars.

Met vernieuwden moed vervolgde hij zijnen weg midden door het

dorp. Niemand hoorde hem daar; want alles was er reeds in diepe rust.

Wel had hij gaarne naar den weg gevraagd, maar daar hij nergens eenig

leven ontdekte, ging hij, toen hij het dorp uit was, op goed geluk

altijd maar rechtuit.

Na een half uurtje geloopen te hebben, kwam hij bij de eerste huizen

van Boskoop aan. Eenmaal dáár zijnde, wist hij goed den weg; want

hij had de Gouwe dikwijls genoeg bevaren.

Zonder ergens gestoord geworden te zijn, kwam hij midden in den nacht

in Ter Gouw.

Gelukkig wist hij waar Geert Soet vertoefde, en onbeschroomd den

klopper op de deur latende vallen, stond hij op de stoep te wachten

tot hem zou worden opengedaan.

Dat duurde nog al lang en terwijl hij daar zoo stond, begon hij na

te denken over alles, wat hem den verloopen dag gebeurd was. En de

slotsom was?

"De Spaanschgezinden kunnen toch ook hartelijk en braaf zijn en de

Spanjaarden zijn ook menschen, die het zoo kwaad niet meenen!"

Arme jongen, hoe spoedig zou hij ondervinden, dat dan toch vast niet

alle Spanjaarden zulke goedige menschen waren, als die welke hij bij

Klaas Koot ontmoet had.

Eindelijk werd de deur even geopend en toen hij op de vraag, vanwaar

hij kwam en wie hij was, geantwoord had, dat hij uit Leiden kwam en

Gerrit Verlaen heette, werd hij terstond binnengelaten.

Zoodra men uit het medegebrachte briefje, dat geheel ongeschonden was,

vernam, dat ze Zondag tegen den noen eerst te Leiden verwacht werden,

behoefde er niet zulke eene haast gemaakt te worden, en daarom maakte

Leeuwke een gretig gebruik van het verlof om gerust te gaan slapen.

Het is waar, de jongen lag maar op eenen stroozak en onder een paar

paardendekens, doch dat voelde hij niet, want nauwelijks had hij

zich uitgekleed en zijne moede leden op het harde bed uitgestrekt,

of hij sliep! Of hij droomde, ja, ziet ge, dat weet ik zoo juist

niet te zeggen; maar dat is zeker, dat Geert Soet, toen hij hem

des morgens te acht uren kwam wekken, in den slaap hoorde zeggen:

"God vergelde het u!"

Waar het hart vol van is, daarvan loopt, in den slaap zelfs, de mond

vaak over.

Er was handen vol werks; want de buiten-geslotenen wenschten zooveel

binnen de stad te brengen, als hun maar mogelijk was. Dertig schuiten

werden volgeladen met allerhande levensmiddelen benevens eenigen

voorraad van kruit en lood.

Het zou natuurlijk onmogelijk geweest zijn met deze bezending voorbij

de Gouwesluis of Alfen te komen, en daarom had men naar andere wegen

uitgezien.

De Baljuw van Hasaertswoude, een man aan de zijde van den Prins, had

aangeboden om de vaartuigen, mits ze niet te breed en te lang waren,

langs eene binnenvaart, den Spanjaarden onbekend, uit de Gouwe in den

Rijn te brengen. Hij kwam des avonds te Ter Gouw aan en zeide, dat

hij twee mannen besteld had, die hen nu verder zouden voorthelpen. De

een zou vooruitgaan en de Koppieren-kade doorsteken, terwijl de andere

achter zou blijven om hun den volgenden morgen den weg te wijzen.

Een oogenblik later kwamen de beide mannen aan.

"G'n avond, Heer Baljuw! Mooi weertje, hè, al zeg ik het zelf,"

zeide de een.

"Ja, Schooneman, dat is het. Verdient gij nog al graag wat?"

"Dat zou ik gelooven, Heer Baljuw, hoe meer hoe liever, al zeg ik

het zelf!"

"Nu best, dan moet ge vannacht de Koppieren-kade bij het Rietveld

doorsteken!"

"Ai, Heer Baljuw, als ze me snappen, dan ben ik er bij, gloeiend bij

ook, al zeg ik het zelf!"

"Ze zullen je niet snappen, Schooneman, ga maar gerust uwen gang! Het

is immer de Baljuw zelf, die het u beveelt."

"Ja, maar Heer Baljuw, hoeveel .... nu, de Heer Baljuw begrijpt

me wel!"

"Gij verdient er drie stuivers per uur aan, en ge blijft er, tot hier

uw kameraad met deze schuiten aankomt."

"Dat is goed, Heer Baljuw, maar hoeveel verdient mijn kameraad Touw,

als ik weten mag?"

"Daar hebt gij immers niemendal mee te maken, Schooneman?"

"Dat is te zeggen, niemendal mee te maken? Als Touw precies zooveel

verdient, als ik, dan wil ik wel hier blijven en morgen dezen luiden

den weg wijzen. Al zeg ik het zelf, ik ben niet voor ruzie! Hi-hi-hi!"

"Nu, wees maar gerust, Schooneman! Uw kameraad Touw verdient maar twee

stuivers in het uur! Hoe denkt gij er over? Gauw hoor, niet of wel!"

"Wel, dan zal ik maar gaan, Heer Baljuw! Voor drie stuivers per uur

wil ik graag een pak ransel oploopen, al zeg ik het zelf!"

Schooneman ging heen om zijn werk te verrichten. Omstreeks

middernacht kwam hij aan de genoemde Koppieren-kade en begon ijverig

te werken. Tegen acht ure hiermede klaar zijnde, keek hij op; maar

nog kwamen de schuiten niet.

"Weet-je wat, ik ga een tikkie doen! Zoo den heelen nacht in de kousen,

neen maar, een mensch is een mensch, een paar uurtjes slapen en dan

toch tweemaal drie, dat is zes stuivers verdienen,--goed dagwerk!"

Na dit bij zichzelven gezegd te hebben stond hij op en ging een eind

van den dijk af in een boschje liggen slapen.

Het was negen uren en daar kwam Touw met de schuiten aan. Ja, de

Koppieren kade was doorgestoken, maar, waar was Schooneman?

"Schooneman! Schooneman!!!"

Geen antwoord.

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 15 / 31 题