Naverteld door G. M.,
redacteur van de Evening-Post te New-York.
Zeer nauw verbonden met de Italiaansche wijk in New-York is daar de
zoogenaamde China-town in de Bowery.
Er bestaat wellicht geen tweede plaats ter wereld, waar zooveel
gevaarlijke en griezelige inbrekersspelonken, moordenaarsholen en
dievenkelders zijn aaneengerijd als in deze geheele stadswijk.
Stel u voor een huizencomplex, doorsneden door nauwe, bochtige, hoekige
straten en bebouwd met woningen van vijf, zes of meer verdiepingen.
Het heele stadsgedeelte is bijna één aaneengegroeide massa.
De muren der huizen zijn doorgebroken en vol geheime verbindingsdeuren,
de straten zijn ondermijnd en houten galerijen overwelven de ontelbare
binnenplaatsen.
Het geheel is als een groot net, een labyrinth, dat niet te ontwarren
is.
Nooit, zoolang als deze reusachtige schuilhoek der Italiaansche
misdadigers bestaat, was de Amerikaansche politie er in doorgedrongen
vóór het optreden van Petrosino.
De toegang tot het district wordt verleend door een Italiaansch
danslokaal, waarin iederen avond langstaartige Chineezen en deernen van
de allerergste soort de vreeselijkste zwelgpartijen vieren.
China-town was een der plekken, waar Petrosino het liefst arbeidde.
Hij kende de omgeving beter dan de bewoners der buurt.
Op mijn vriendelijk verzoek nam hij mij en Rudolf Christians, een
bekend tooneelspeler van den koninklijken schouwburg en de lieveling
uit de Berlijnsche residentie, mede op nachtelijken strooptocht door
het beruchte en levensgevaarlijke misdadigerskwartier.
Eerst enkele dagen geleden was daar door Italianen een vreeselijk
misdrijf gepleegd, een misdaad, zóó afschuwelijk, dat iemand de haren
te berge rezen alleen reeds bij het lezen van dit beestachtig bedrijf.
De kapitein van een Engelsch koopvaardijschip was door een blanke
Chineesche vrouw in het misdadigerskwartier gelokt.
Daar was de man door een paar wijven dronken gevoerd. Toen dit was
geschied, bedwelmde men hem met een bekend Chineesch verdoovingsmiddel
en toen was hij naar een onderaardsche gang gesleept.
Daar had men hem zijn zware beurs, zijn kostbaar horloge en zijn ringen
afgenomen.
Toen had men den ongelukkige van alle kleeren ontdaan en daarna een
dier afschuwwekkende misdrijven op hem gepleegd, waartoe alleen maar
Italianen in staat zijn.
Met hoefspijkers hadden de beesten den ongelukkigen man, die in de
zwaarste verdooving daar nederlag, zijn handen en voeten vastgespijkerd
op den vloer.
En toen had men nog een schrikwekkend, onbeschrijflijk schandaal op hem
begaan, waarvan gelukkig slechts zelden of nooit wordt gehoord.
Na een verdooving van meer dan vier-en-twintig uren ontwaakte de
rampzalige man uit zijn bewusteloosheid en ontdekte toen den
ontzettenden toestand, waarin hij zich bevond.
Met de kracht der vertwijfeling rukte hij zich onder de vreeselijkste
pijnen van de spijkers los en, als een waanzinnige, overstroomd door
bloed, vloog hij de straat op.
Totaal krankzinnig geworden, moest men hem naar een hospitaal
overbrengen.— — — — — — — — —
Opiumkitten van de allerergste soort; werkplaatsen waar valsch geld
wordt gemaakt, onderaardsche putten, waarin de misdadigers hun
ongelukkige, wanhopige slachtoffers voor goed laten verdwijnen,
bevinden zich in de beruchte China-town.
De werkelijkheid, de naakte, droeve, vreeselijke werkelijkheid hier
herinnert aan de ongebreidelde fantasie van de vervaardigers der
bloederige schandaalverhalen.
En toch is alles, wat ik hier mededeel, niets dan de nuchtere waarheid.
Zelfs de kracht, het vernuft van een Petrosino stond machteloos
tegenover deze inbrekersholen.
Met zijn electrische zaklantaarn in de linker, een revolver in de
rechtervuist, liep hij voor ons uit door de eindelooze stille gangen.
Onze rij werd gesloten door een der dapperste, kranigste mannen, die
onder Petrosino werkten en die, evenals hij, een electrische lantaarn
en een gespannen revolver in de handen droeg.
Wij hielden onzen adem in, want Petrosino had ons gewaarschuwd, geen
enkele schrede ons van hem te verwijderen.
Voorzichtig rondtastend, als liep hij over onzeker ijs, schreed hij
voorwaarts.
Af en toe, als reusachtig groote nachtvlinders, schoven ons Chineezen
voorbij, geluidloos voortsluipend op hun vilten schoenen en in het
schijnsel der electrische zaklantaarns flikkerde het ons duivelsch
tegen uit die scheefstaande oogen.
Spookachtig grijnsden ons die uitgemergelde gelaatstrekken der Mongolen
aan.
Af en toe klonk een schel krijschen op.
Dat was het gillende lachen of zingen der blanke Chineesche vrouwen,
die vertoefden in de woningen, aan weerszijden der gang gelegen.
Een zoetige lucht van opium, de slechte reuk van Italiaansche koeken—en
dan plotseling in het donker een scherpe lichtstraal—Petrosino stoot
een deur open en wij treden een groot restaurant binnen, met overdadige
weelde gestoffeerd.
In de ruimte zitten, rookend en spelend, Chineezen en Italianen aan
tafeltjes.
Blanke Chineesche vrouwen bedienen de gasten.
Ons troffen vijandige blikken van alle kanten.
Haat en woede teekende zich af op de meeste gelaatstrekken, toen de in
de zaal aanwezige gasten Petrosino bemerkten.
Hij van zijn kant echter had niets dan een lachje vol minachting over
voor zijn omgeving.
Hij kent ze alle, stuk voor stuk.
Geen enkele der hier aanwezige galgenvogels, die niet reeds overrijp
was voor den electrischen stoel.
Maar hier in China-town heerschte eeuwige wapenstilstand tusschen
Petrosino, zijn detectives en de Italiaansche misdadigers.
Hier was inderdaad een inhechtenisneming uitgesloten.
En van alle politie-mannen durfde ook slechts Petrosino het te wagen,
deze plaats te betreden.
Misschien was het wel de openlijke verachting voor alle gevaar, door
hem zoo duidelijk aan den dag gelegd, die de knapen ervan weerhield,
hun wraak op hem te koelen.
In dien nacht, toen Christians en ik hem vergezelden, verzocht ik
Petrosino, dat hij mij iets van zijn levensherinneringen zou vertellen.
Hij beloofde het.
Misschien kan ik in een volgenden keer een en ander mededeelen van de
wederwaardigheden van dezen hoogst belangwekkenden man.