RAFFLES BEREIKT ZIJN DOEL.

Een schitterend gezelschap was bij den spoorwegkoning verzameld.

Ook mevrouw Hundley was aanwezig. Zij wilde de wereld bewijzen, dat zij

aan de misdaad van haar man vreemd was en had zich onder de bescherming

van Raffles, die ook haar tafelheer was, gesteld.

Newton was eveneens door den spoorwegkoning, onder voorwendsel van gast

te zijn, geïnviteerd, hij had ook verscheidene van zijn beambten, voor

dezen avond, als kellner doen vertegenwoordigen. John Raffles had

opgemerkt, dat de detective dikwijls opmerkzaam naar hem keek. Dezen

was de intieme vriendschap tusschen mevrouw Hundley en Raffles

opgevallen. Hij veronderstelde dadelijk de mogelijkheid, dat de

vermeende Edward Bird de groote Onbekende kon zijn.

Bij de inhechtenisneming van Hundley had Newton veel gehoord uit het

intieme leven van den millionnair en toen ook de beschuldiging van

Hundley vernomen, als zou Bird de minnaar van zijn vrouw zijn.

Daarom was het ook mogelijk, dat deze den diefstal bij Hundley gepleegd

had, omdat op den dag voor de inbraak mevrouw Hundley de villa had

verlaten. Het was ook mogelijk, dat zij iets van den inhoud der

brandkast afwist.

De inbraak had wel het bijsmaakje van een persoonlijke wraakneming.

Onder de beambten, als bedienden verkleed, was er één, die eerst

denzelfden morgen uit San Francisco was teruggekeerd.

Deze beambte was pas twee maanden bij hem werkzaam, en was voorheen in

Londen aangesteld geweest.

Deze beweerde zelfs, John Raffles te kennen.

Hij heette James Green.

Toen het diner was afgeloopen, trad de assistent op zijn chef toe, en

fluisterde:

„John Raffles is hier, ik heb hem herkend.”

Eenige seconden bleef Newton naar lucht happen.

„Vergis je je niet, Green?” vroeg de detective met nadruk.

„Zeer zeker niet,” was het op beslisten toon gegeven antwoord.

Hun gesprek werd onderbroken door mevrouw Hundley, die aan den arm van

Raffles op den detective toetrad en hem begroette:

„Ik dank u, mijnheer Newton,” zeide zij, „dat het u gelukt is, dezen

ontzettenden mensch, die mij onder bedreigingen gedwongen heeft zijn

vrouw te worden, in hechtenis te nemen.”

Verrast keek Newton op.

„Onder bedreigingen...?”

„Zoo is het, mijnheer.”

„Het zou mij werkelijk interesseeren, daar iets naders van te

vernemen,” antwoordde de detective, terwijl zijn trekken groote

spanning verrieden.

Een licht drukje op haar arm, die de groote Onbekende in den zijne

hield, waarschuwde haar voor verdere uitlatingen.

Hoe onmerkbaar dit ook werd uitgevoerd, Newton kreeg toch achterdocht,

hetgeen nog versterkt werd, toen de mooie vrouw nu zeide:

„Ik wil liever niet over mijne privaataangelegenheden spreken.”

Den detective bleef voorloopig niets anders over dan een beleefde

toestemmende beweging; toen zeide hij kort:

„Zooals gij wenscht, mevrouw Hundley.”

„Ik verzoek u mij bij mijn meisjesnaam te noemen; ik wil een misdadiger

deze eer niet meer aandoen.”

„Dit kan ik u niet kwalijk nemen.”

Daarmede was het onderhoud afgeloopen. Zij wisselden nog eenige

beleefde woorden en gingen toen verder.

„Gij hadt bijna iets doms gedaan,” fluisterde Raffles tot zijn

begeleidster, terwijl zij verder gingen; „spreek in ’s hemelsnaam niet

van de misdaad.”

Op dit oogenblik trad een jong Franschman, Henry Suchard genaamd, en

die eerst sedert enkele weken in New-York als gast in de Hamiltonclub

opgenomen was, op Raffles toe en liet zich aan mevrouw Hundley

voorstellen.

Van verre sloeg Newton deze scène gade. Wederom voegde zijn assistent

zich bij hem.

„Zijt gij geheel zeker dat Raffles onder de gasten vertoeft?” vroeg hem

de chef nogmaals nadrukkelijk.

„Jawel,” antwoordde de detective beslist.

„Kunt gij hem mij aanwijzen?”

„Kijk naar den heer die daar bij een palmengroep, met een dame in een

zacht rose japon, staat,” antwoordde de gevraagde en wees op den

begeleider van mevrouw Hundley.

„Prachtig! mijn vermoeden heeft mij dus niet bedrogen,” jubelde de

chef.

„Ik zag in hem reeds sedert een uur den langgezochten Raffles.”

„Hoe gaat het met u,” vroeg op dit oogenblik mijnheer Meyer, de

gastheer.

„Heel goed,” was het antwoord, „ik meen dat uw feest een gedenkdag in

de gerechtelijke wereldgeschiedenis zal worden: „Raffles is hier.””

De archi-millionnair verbleekte, hoewel hij een bijzonder krachtig man

met sterke zenuwen was.

„Om Godswil,” zeide hij, „houdt het stil. Al mijn gasten zouden het

huis uitvluchten.”

„Wees onbezorgd, ik zal mijn maatregelen nemen, en ook de

gevangenneming zal zonder opzien geschieden.”

„Ik smeek er u om.”

Hij verliet den heer Newton, die zich weder tot zijn detective wendde:

„Geef onze politieposten kennis en ga zoodanig in de voorhal staan dat

gij Raffles, wanneer hij in den wagen stappen wil, kunt pakken.”

„Ik zal hem in ’t oog houden.”

„Tegelijkertijd telephoneert gij naar onze bureaux en laat dertig

beambten hierheen komen en het huis omsingelen. De groote Onbekende mag

in geen geval ontsnappen. Dit moet een meesterstuk worden.”

Met het onverschilligste gezicht namen zij afscheid van elkaar en toen

begaf mijnheer Newton zich, nadat hij verschillende heeren en dames

gesproken had, nogmaals naar den heer Bird en mevrouw Hundley.

Na eenige onverschillige woorden vroeg de detective den cavalier der

mooie vrouw:

„Mag ik vragen, zijt gij van plan altijd in New-York te blijven?”

„Ik weet het nog niet,” antwoordde Raffles; „de lust tot reizen zit mij

in ’t bloed. Ik houd er van, bij afwisseling, dan hier, dan daar te

zijn, maar New-York trekt mij het meest van alle steden der wereld

aan.”

„Dat verwondert mij, mijnheer Bird.”

John Raffles keek Newton scherp aan.

„In hoeverre?”

„Omdat gij geen koopman zijt.”

„Maar ik ben van plan, mij in New-York veel met zaken bezig te houden.”

„New-York is een gevaarlijk terrein.”

„Hoe gevaarlijker, hoe liever,” lachte Raffles.

„Nu, nu,” weerde de detective af, „men kan zich in de vingers snijden.”

„Behalve, wanneer men ze goed beschermt voor men ze aan het vuur bloot

stelt. Voor alles bestaan voorzorgsmaatregelen.”

„Maar niet tegen boosdoeners,” wierp mevrouw Hundley er tusschen.

De tegenstanders wisselden een scherpen blik.

Toen lachte John Raffles geheel onbevangen, terwijl over het gezicht

van Newton een uitdrukking van ergernis trok.

„Het zou toch mogelijk kunnen zijn dat gij u vergist,” zeide hij

langzaam.

„Ik meen het middel te kennen, om zich voor misdadigers te behoeden:

men neemt ze in hechtenis.”

„Als men ze heeft.” Raffles lachte rustig bij deze opmerking.

Weder wisselden de beide mannen een blik zooals kampvechters voor het

begin van den strijd.

Zooveel stond voor beiden vast: Zij schatten de kracht van hun

tegenstander. Hier ontmoetten twee vastberaden mannen elkaar.

Eenige gasten begonnen intusschen op te breken, hoewel juist op dit

oogenblik een beroemde zangeres van de New-Yorker opera in de

muziekzaal een aria zong.

„Laat ons de muzikale uitvoering eens gaan hooren,” zeide mevrouw

Hundley tot Raffles en zonder op den detective acht te slaan, nam zij

zijn arm en ging in de muziekzaal.

Newton bleef alleen achter. Hij vreesde, dat hij al te zeer in de

kijker zou loopen als hij den verdachte zóó op de hielen zat.

Voor een inhechtenisneming was het nog te vroeg, eerst moest hij al

zijn helpers bij elkaar hebben en wilde ook op verzoek van den

spoorwegkoning zoo min mogelijk opzien baren.

En dan, het was nu toch onmogelijk, dat Raffles ongemerkt het huis

verlaten zou.

Mevrouw Hundley had zich intusschen zoo ver met haar begeleider van den

heer Newton verwijderd, dat deze niet in staat was hun gesprek te

hooren. Zij begon nu:

„Als ik mij niet vergis, dan heeft de detective u herkend. Denk er eens

over na, hoe gij het gemakkelijkst ontkomen kunt.”

Raffles lachte vroolijk.

„De diva in den muzieksalon interesseert mij meer dan Newton en al zijn

detectives.”

De dame zag met angstige blikken naar hem op. Maar in het gevoel van

vrees mengde zich ook een van bewondering, hoe hij zonder met de oogen

te knippen het gevaar voor zich zag. Toen de zang had opgehouden

maakten alle gasten zich gereed te vertrekken.

„Ga nu, wat ik u bidden mag, alleen naar de vestibule, mevrouw

Hundley,” fluisterde Raffles tot zijn dame, „en bemoei u verder niet

met mij. Ik moet mijn weg nu alleen vinden.”

Zij begreep hem, drukte zijn hand, keek hem eenige seconden innig aan

en zeide zachtjes:

„God behoede u!”

Zij zag nog, hoe hij in het gewoel van de menigte verdween, toen ging

zij naar de vestibule om naar huis te rijden.

De heer Suchard was haar behulpzaam, hing den mantel om haar mooie

schouders en geleidde haar naar het rijtuig.

Hij bemerkte niet, dat de als lakei verkleede James Green hem opvallend

op de hielen zat.

„Roep mijn rijtuig,” beval hij.

De verkleede detective zette een klein zilveren fluitje aan den mond en

liet drie merkwaardige, kort afgebroken klanken hooren.

Dit was het teeken voor het rijtuig, dat hij besteld had, om den

aangehouden Raffles in begeleiding van detectives naar het bureau te

brengen.

Suchard lette er niet op, dat op het oogenblik, dat het fluitsignaal

weerklonk, een aantal met stokken gewapende heeren zich om hem heen

plaatsten. Het rijtuig kwam en James Green opende het portier.

„Halt! Raffles, gij zijt onze gevangene.” Met deze woorden grepen de

detectives den grooten Onbekende, die de beambten van het Newton-bureau

in den heer Suchard meenden voor zich te zien. (Zie de titelplaat.)

De aangegrepene was sprakeloos van verbazing, hij wilde protesteeren,

maar kwam er niet toe, want in het volgende moment zat hij tusschen

vier detectives in het rijtuig.

Newton, die terzelfder tijd, dat de aanhouding van Suchard plaats had,

aan de achterzijde van het huis zijn beambten inlichtte, kwam juist op

het oogenblik aan, dat het rijtuig met den aangehoudene en de vier

detectives afreed.

Dadelijk gaf hij allen last te volgen en volgde zelf in een ander

rijtuig.

Hoe verbaasd was hij echter, toen hem in plaats van Raffles, een hem

volslagen onbekende werd gebracht.

„Dit moet Raffles zijn?” vroeg hij den detective die de aanhouding

geregeld had.

„Jawel, dat is Raffles,” antwoordde James Green. „Hij houdt wel vol een

Franschman met name Suchard te zijn, maar ik ken hem door mijn

bezigheden in Londen heel nauwkeurig. Het is Raffles en niet Suchard

uit Parijs.”

Newton wist hierop niets te antwoorden.

„Ik zal mij bij mijn gezant beklagen, gij zijt allemaal gek!” riep de

aangehoudene; „ik ben een eerlijke man en door geen politiebureau ter

wereld gezocht.”

De eigenaar van het detectivebureau maakte hieraan echter een einde,

met de woorden:

„Voer den gevangene weg en stel het hoofdbureau van politie van

New-York hiervan in kennis.”

De detectives brachten den aangehoudene in een cel, waaruit ontvluchten

onmogelijk was.

„Ik heb mij vreeselijk vergist”, zeide Newton tot inspecteur Harkel,

„ik heb een heel ander spoor gevolgd; ik zou den zoogenaamden

clubkoning, een lid van de Hamilton club, een zekeren mijnheer Bird,

die hier in het Centraal park een villa bezit, en de intieme vriend van

mevrouw Hundley is, gevangen genomen hebben.”

„Werkelijk een geluk, dat dit niet het geval is geweest,” antwoordde de

inspecteur, „het zou een groot schandaal gegeven hebben.”

„Dat is zoo! Ik hoop nu maar, dat James Green geen bok geschoten

heeft.”

„Dat is onmogelijk,” sprak de andere tegen, „want Green is eerst sedert

vier weken in Amerika en was, zooals gij zelf weet, tot zijn aankomst

in New-York in dienst van Scotland Yard in Londen. Hij moet dus Raffles

precies kennen.”

Gedurende dit gesprek bevond zich Raffles in de werkkamer van den

spoorwegkoning, waar hij zich onder den divan verborgen hield.

Hij moest wachten, tot het personeel zich te ruste had begeven.

Bijna twee uren moest hij in deze ongemakkelijke houding vertoeven.

Toen stond hij op, gleed geluidloos als een schaduw in de slaapkamer

van den spoorwegkoning, verdoofde hem op de gewone manier met

chloroform en nam den sleutel van de brandkast, die in de werkkamer

stond, van het nachtkastje weg.

Het was nu gemakkelijk voor hem de geldkast te openen.

Langen tijd doorzocht hij de documenten en vond eindelijk dat, wat hem

interesseerde: een geheime overeenkomst, over een trustverbintenis

tusschen den spoorwegkoning en een kolensyndicaat, dat tegen de wetten

van de Vereenigde Staten was.

Nu legde hij, als bij de vroegere inbraken, de in de brandkast bewaarde

papieren uit de kast op de schrijftafel en verliet de werkkamer.

Hij was, wat de bedienden bij zijn aankomst niet bemerkt hadden, zonder

pelsjas uit zijn auto in huis gekomen, daardoor hadden zij, bij het

heengaan der gasten, niet bemerkt dat zich nog iemand in huis moest

bevinden, want alle jassen en pelzen hadden hun bezitter gevonden. John

Raffles zette nu den kraag van zijn rok op. Nu haalde hij uit zijn

achterzak een fijngewerkte zijden jas te voorschijn, eveneens een dun

zijden mutsje, zooals de sportlui wel dragen.

De sweater trok hij over zijn frak aan, zóó dat dit kleedingstuk geheel

was bedekt en het zijden mutsje zette hij op, daarna sloop hij naar het

sousterrain der villa.

Hij klom door een geopend venster naar binnen en een half uurtje later

zat hij tegenover zijn vriend Charly in zijn studeerkamer.

Reeds in de morgenbladen kon men de opzienbarende berichten van de

inhechtenisneming van den lang gezochten John Raffles vinden.

Stamford, de directeur van de Verzekeringsmaatschappij, was

overgelukkig.

Hij ging naar de telephoon, belde Newton op en wenschte hem geluk met

dit groote succes.

Nauwelijks echter had hij de gehoorbuis neergelegd, toen een besteller

hem een brief bracht.

Hij vertrouwde zijn oogen niet, toen hij las:

„Zeer geachte Heer!

Ik heb mij veroorloofd, dezen nacht bij den spoorwegkoning een

document weg te nemen, dat voor hem van meer waarde is dan uwe

verzekeringspolis. Daar ik nu uit uwe kantoorboeken weet, dat de

spoorwegkoning voor tien millioen dollar bij u verzekerd is, zoo

verzoek ik u, volgens onze laatste zaakverbindingen, mij voor vijf

millioen dollar op mijn rekening te schrijven, die ik tegen

overgave van het document van u verlang.

Tegelijkertijd verzoek ik u, den heer Meyer ervan in kennis te

stellen, dat ik mij dit document heb toegeëigend, en daarvan door

een notaris alhier een nauwkeurig afschrift zal laten nemen dat ik,

tot mijn eigen veiligheid, gedurende mijn oponthoud in Amerika zal

bewaren.

Wil ook de goedheid hebben, er den heer Newton opmerkzaam op te

maken, dat ik dit document bezit en dat hij mij op het oogenblik

dat hij mij de eer van een bezoek zou waardig keuren, zou dwingen

dit schriftstuk aan den president uit te leveren.

Hoogachtend,

JOHN C. RAFFLES.

N.B. Zoudt gij, wat mogelijk is, geen vijf millioen dollar

bezitten, zoo wilt gij de chèque wel door den heer Meyer laten

uitschrijven”.

Wanneer een bliksemstraal vóór Stamford in de aarde was gedrongen, had

dit geen grootere uitwerking kunnen hebben. Raffles zou gevangen

genomen zijn, en hier hield hij een brief van hem in de hand. Hij

behoefde niet lang over dit raadsel na te denken. Opnieuw belde de

telephoon.

„Hallo, wie daar?”

„Hier Meyer! Kom dadelijk bij mij, ik ben bestolen!”

„Ik zal komen! Ik weet het reeds!”

Hij legde den hoorn neer en wilde weg gaan. Daar belde het opnieuw.

„Hallo, wie daar?”

„Hier Newton, kom dadelijk bij mij, de duivel is losgebroken. Wij

hebben den verkeerde gepakt, want ik heb een brief van Raffles

ontvangen.”

„Ik weet het al. Ik ga eerst naar den heer Meyer en kom dan naar u toe;

of beter nog, kom naar den spoorwegkoning, dan kunnen wij elkaar daar

treffen.”

Hij was reeds aan de deur en wilde zich naar den heer Meyer begeven,

toen hij nogmaals opgebeld werd.

„Hier Rockefeller, wie daar?”

„Hier Stamford, wat is er?”

„De duivel hale u en onze politie.

„Ik ontvang daar juist dezen brief:

„Waarde Heer!

Ik gaf mij de eer, de vorige week bij u in te breken, en niets weg

te nemen. Ik geef u de verzekering, dat het mij niet veel moeite

zou kosten, dit bezoek te herhalen.

Ik zal dit echter niet doen, wanneer gij belooft, ieder jaar op een

bepaalden dag, tien duizend dollar aan de armen van New-York te

geven.

Openbaar uwe weldadigheid in de New-Yorker couranten, en tegelijk

ook den datum waarop de uitbetaling zal volgen.

Mocht gij op mijn voorstel niet ingaan dan zal de

verzekeringsmaatschappij bij welke gij tegen inbraak en diefstal

verzekerd zijt, niet in staat zijn, u de schade te vergoeden die ik

u door de uitoefening van mijn sport, zal doen lijden.”

„Maar dat is toch werkelijk ongehoord” schreeuwde Stamford.

„Jawel, ongehoord, maar wat moet men doen? Wilt gij mij een

verzekeringspolis voor vijftig millioen dollar uitreiken?”

„Onmogelijk”.

Het telephoongesprek werd afgebroken, weer wilde mijnheer Stamford naar

de deur snellen om den heer Meyer te bezoeken, maar ook nu kwam hij de

kamer niet uit want alweer tingelde de telephoon.

Hij had nauwelijks den moed de gehoorbuis weer aan het oor te houden.

Weder maakte zich één der bij hem verzekerden bekend, en begon hem

mededeeling te doen van den inhoud van een brief van denzelfden inhoud

als die aan Rockefeller.

Dikke zweetdroppels parelden den directeur van de

verzekeringsmaatschappij op het voorhoofd.

Hij zag in, dat hij tegenover Raffles machteloos was.

En ononderbroken luidde het belletje van de telephoon, zoodat hij niet

bij Meyer kwam.

De millionnairs van New-York waren zenuwachtig geworden. Stamford had

het gevoel, alsof men in een mierenhoop geroerd had en de beesten nu

over hem heenliepen.

John Raffles had aan al de millionnairs, die door hem bezocht waren,

geschreven. Aan allen, waar hij ingebroken had, zonder iets weg te

nemen.

De millionnairs kwamen tot de overtuiging, dat geen

verzekeringsmaatschappij der wereld in staat zou zijn, hun de schade te

vergoeden, die de groote Onbekende in staat was hen te doen lijden.

Eerst laat ’s avonds kwamen Newton en Stamford bij den heer Meyer.

Den volgenden morgen stonden in de New-Yorker dagbladen verscheidene

gelijkluidende advertenties.

De millionnairs van Amerika schenen plotseling door een

weldadigheidskoorts te zijn aangetast.

Allen verklaarden in groote, vet gedrukte advertenties, dat zij den

armen van New-York ieder jaar een bepaalde, groote som wilden

uitbetalen.

De pers meende eerst, dat de millionnairs gek waren geworden, maar

daarna werden zij, bij toeval, gewaar, wie de werkelijke oorzaak van

deze weldadigheidsmanie was en daardoor ook het doel van de zoogenaamde

inbraken, waarbij niets gestolen werd.

Wekenlang sprak men in New-York van niets anders dan van John C.

Raffles’ meesterstuk om in te breken en niets te stelen.

De groote Onbekende echter was met zijn vriend Charly Brand afgereisd,

en Newton waagde het niet, den heer Bird, van wien hij wist, dat hij

eigenlijk de zoo lang gezochte Raffles was, te vervolgen.

Lord Lister had zich met zijn vriend en secretaris naar het Zuiden

begeven, om daar den begraven schat van den heer Symonds op te graven,

wat hem ook gelukte en de dochter van den generaal werd later aan de

zijde van een braaf, welgesteld man zeer gelukkig.

Vier weken later was de eerste betaaldag namens den millionnair

Rockefeller aan de armen van New-York.

Wanneer een vreemdeling toentertijd voor de eerste maal naar New-York

was gekomen, dan zou hij gemeend hebben, dat de geheele stad zich in

een waanzinnige vreugderoes bevond.

De kinderen staken, evenals op den dag der bevrijding, vuurwerk af, en

droegen vaandels rond, waarop in gouden letters gedrukt stond:

Drie hoera’s voor John C. Raffles!

Lord Lister No. 0028: De koning van de club · 第 17 / 18 题