Wij zijn bereid, u de chèque te geven, maar gelijk oversteken!”
Het was tegen den avond, en Stamford wilde juist zijn bureau verlaten,
toen hij op de trap werd aangesproken door een besteller van het
New-Yorker Centraalstation.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Zijt gij mijnheer Stamford, de
president van de verzekeringsmaatschappij?”
De directeur keek den pakdrager oplettend aan, en antwoordde:
„Jawel, mijn naam is Stamford.”
„Ik moet een brief aan u afgeven en op antwoord wachten.”
De geadresseerde nam den brief en las hem. Hij luidde:
„De besteller heeft in zijn handtasch de anderhalf millioen. Zendt
gij daarvoor de chèque.
Ik maak er u opmerkzaam op, dat als gij het gevraagde niet zendt,
maar den bode toch het geld afneemt, gij dezen nacht grooter schade
door mij zult lijden.
Hoogachtend,
JOHN RAFFLES.”
Stamford liet den besteller in zijn kantoor, opende de handtasch en zag
dat zij tot het randje met vijf-dollarbiljetten gevuld was.
Toen begon hij het geld met behulp van twee assistenten na te tellen.
Bijna een uur had hij noodig om zich er van te overtuigen, dat de
inhoud goed was.
Toen gaf hij, zooals de Groote Onbekende verlangd had, de chèque aan
den man.
Met een „goeden avond, heeren”, verliet de besteller het kantoor.
Stamford waagde het niet, hem door een van zijn ondergeschikten te
laten volgen.
De bode begaf zich ondertusschen naar het groote Centraalstation en
trad in de vestibule voor het loket.
Na een poosje trad een oude man met witten baard op hem toe, wisselde
eenige woorden met hem, nam de chèque en verdween in het gewoel van de
menigte. Het was Raffles zelf geweest.
Terzelfdertijd was Stamford naar Newton geijld en deed hem mededeeling
van de ontvangen anderhalf millioen.
„Bericht den heer Hundley, dat hij het geroofde geld van u kan terug
krijgen”, lichtte hem de detective in. „En wacht dan af, of hij er op
staat, de twee en een half millioen terug te krijgen. Mocht dit het
geval zijn en legt hij den eed af, dan zal ik in functie treden.”
Hundley wreef zich vergenoegd in de handen, toen hij den brief ontving
betreffende de beslissing van de aangelegenheid met de
verzekeringsmaatschappij.
Hij was de eerste, die den volgenden morgen het kantoor van Stamford
betrad.
Hoe verstomd was hij echter, toen Stamford hem anderhalf millioen in
vijf dollarbiljetten begon uit te betalen!
„Maar dat is mijn eigen geld”, zeide hij.
„Zoo is het”, antwoordde Stamford, „het is ons, door onze agenten,
gelukt den dief het geld weer afhandig te maken.”
„Maar er mankeert een millioen aan”, uitte Hundley na een kleine pauze.
Deze uitlating had Stamford niet verwacht.
Hij geloofde niet, dat Hundley een schelm zou zijn.
„In waarheid, mijnheer Hundley? Vergist gij u niet”, vroeg hij daarom.
„Wat drommel, mijnheer Stamford. Ik herhaal u nog eens, dat ik toch wel
zal weten hoeveel geld ik bezit!”
„Gij zoudt ons dus de grootte der som, zooals, wij verlangen,
beëedigen?”
„Met tien eeden!”
„Goed; vergezel mij dan naar den rechter.”
Na een half uur was de zaak afgeloopen.
Daardoor was Stamford gedwongen, om Hundley het ontbrekende millioen
uit te betalen, wat voor hem zoo goed als de ondergang van zijn
maatschappij was.
Hij overlegde nog, hoe hij dit gevaar kon afwenden, toen de telephoon
op zijn schrijftafel belde en hem beduidde, dat iemand hem wenschte te
spreken.
Hij ham de gehoorbuis en riep:
„Hier Stamford. Hallo, wie daar?”
„Hier Newton. Is mijnheer Hundley nog bij u?”
„Jawel!”
„Hebt gij hem de anderhalf millioen in vijf dollarbiljetten al
uitbetaald?”
„Nog niet. Zij zijn nog hier.”
„Hoe is het met den eed?”
„Mijnheer Hundley heeft hem reeds afgelegd. Wij komen van den rechter.”
„Zoo? Dat is gek. Houd hem nog een half uurtje bezig. Ik ontving
zooeven een brief over uwe aangelegenheid van Raffles. Kom zoo dadelijk
bij u.”
Stamford legde de gehoorbuis neder en wendde zich tot Hundley.
„Gij wilt misschien zoo goed zijn een half uur te wachten, tot ik de
bank bericht heb gezonden van de uitbetaling van de chèque aan u.”
„Daartoe ben ik gaarne bereid, en ik ben blijde mijn geld weer terug te
krijgen.”
De directeur gaf voor, andere zaken te moeten afdoen en verzocht den
heer Hundley in een kamer te treden, waar boeken en tijdschriften
lagen.
Er verging dan ook nauwelijks een kwartier of Newton stapte in het
kantoor van Stamford.
Na korte begroeting zeide de detective:
„Deze Raffles is werkelijk een uitstekende persoonlijkheid. Hij heeft
mij een schelm in de netten gejaagd, die ik anders nooit te pakken had
gekregen.
„De man behoort tot die klasse van menschen, die bij ons hun misdaden
onder bescherming der wet uitvoeren, in een vorm dat wij nauwelijks vat
op hen hebben. Waar is het geld, dat Raffles u zond en dat hij van
Hundley wegnam?”
Stamford opende den grooten handkoffer en legde een pakje vijf
dollarbiljetten op tafel.
Haastig trok de detective er een banknoot uit, hield haar tegen het
licht en begon haar ernstig te onderzoeken.
Verwonderd keek Stamford naar deze bezigheid.
„Houdt gij ze voor valsch?”
„Ja”, antwoordde Newton, „de geheele zaak is daardoor aan het rollen
gekomen, dat John Raffles mij dezen morgen in een brief mededeelde, dat
ik bij u een van de handigste vervalschers van Amerika ontdekken kon.
Intusschen heb ik vastgesteld, dat deze biljetten werkelijk valsch
zijn.”
Stamford nam nu ook een biljet onder het vergrootglas, en na een
zorgvuldig onderzoek, nadat hij door Newton op de kenmerken was
opmerkzaam gemaakt, zag hij, dat al de 300,000 biljetten prachtig waren
nagemaakt.
„Geef hem nu de chèque. Al het overige laat gij aan mij maar over. Hij
zal mij niet ontkomen”, meende Newton na een poosje. „Waar bevindt zich
de heer Hundley nu?”
„In de kamer daar!” was het antwoord.
„Goed, breng mij dan daarheen, en zeg dan tot mij, zóó, dat de bankier
het hoort, dat ik tot na de afwikkeling der zaak bij Hundley moet
blijven.”
Nu wendde zich de directeur tot den millionnair.
„Mag ik verzoeken, mijnheer Hundley, de chèque is uitgeschreven”, zeide
hij.
De bankier ging met Stamford in diens kantoor, en zoodra de deur
gesloten was, verliet hij door den tweeden uitgang het bureau.
Een half uur later reden twee rijtuigen in de 5e avenue bij de
Trust-Bank voor.
Uit de eerste stapte Hundley, die de bekende tasch met het geld droeg,
en ging in huis.
Eenige seconden later stapten uit het tweede rijtuig drie heeren, die
eveneens met haastige schreden het gebouw binnentraden.
De kassier had juist zooeven de chèque als goed erkend, en vroeg nu of
mijnheer Hundley het geld niet op conto wilde laten staan.
„Jawel”, antwoordde de bankier, „maar ik wensch de som van 20,000
dollar dadelijk uitbetaald te krijgen.”
Het duurde geruimen tijd, tot alle formaliteiten vervuld waren en de
kassier de twintig duizend dollar in bankbiljetten had uitgereikt.
Hundley stak de banknoten in zijn brieventasch en wilde juist naar zijn
rijtuig terug gaan, toen een heer op hem toetrad, hem doordringend
aanzag, en vroeg:
„Mijnheer Hundley?”
„Jawel. Wat wenscht gij van mij?” was het antwoord.
„Mijn naam is Newton.”
Op dit oogenblik waren twee detectives naderbij gekomen en pakten met
vasten greep ieder een handgewricht van Hundley.
Met loodkleurig gezicht staarde deze op de mannen.
„Wat beduidt dat?”
„Niets anders, dan dat gij onder verdenking van valschmunterij en
meineed in hechtenis wordt genomen en voor het gerecht gevoerd”,
verklaarde Newton met koude stem.
Nu eerst begreep Hundley de gevaarlijke positie, waarin hij zich
bevond. Hij probeerde zich te bevrijden, maar tevergeefs.
Snel als de wind had zich het gerucht van de inhechtenisneming aan de
bank en in de straten verbreid.
Nieuwsgierig omringden de employés van de bank den aangehoudene, die
luid tegen zijn inhechtenisneming protesteerde.
Op straat had zich een groote menigte verzameld en omringden den heer
Hundley, die geboeid, naar zijn rijtuig gevoerd werd, met
bedreigingen.— —
Reeds tegen den middag brachten de couranten het bericht van de
aanhouding en het ontdekken van anderhalf millioen in valsche
bankbiljetten. Tegelijkertijd voegden de couranten er de interessante
mededeeling aan toe, dat deze ontdekking het gevolg was van een inbraak
van John Raffles en dat men in den komenden tijd op uiterst
interessante misdaden moest gevat zijn.
„Waar is Raffles?” vroegen de couranten.
„Wie is Raffles,” gingen zij verder.
De groote Onbekende echter zat zeer gemoedelijk in zijn werkkamer en
rookte uiterst vergenoegd een sigaret, terwijl mevrouw Hundley
tegenover hem zat.
„Gij zijt vrij, mevrouw,” zeide hij tot zijn mooie bezoekster. „Och!
bedank mij niet, gij zijt de aanleiding tot de inbraak bij den u
opgedrongen echtgenoot, en tot ontdekking van zijn misdaad.”
Mevrouw Hundley keek droevig naar haar metgezel.
„Hebt gij werkelijk heelemaal geen sympathie voor mij, Lord Lister?”
De groote Onbekende keek haar enkele seconden ernstig aan.
„Wanneer dat werkelijk het geval was, mevrouw, zou mijn verstand mij
verbieden, deze sympathie noch mijzelf noch u te bekennen.
„Laat ons goede vrienden blijven. Ik mag mij niet aan een vrouw binden.
Mijn sport verbiedt het mij. Gij zijt niet de eerste, die mij op den
weg treedt, en probeert mij mijn levensdoel ontrouw te doen worden.”
„Gij vergist u, Lord Lister, ik wil u niet van uw sport aftrekken.
Integendeel!
„Ik wil uwe trouwe deelgenoot zijn, u helpen zooveel als in mijn
vermogen ligt.”
Raffles stond op.
„Het spijt mij wel, mevrouw, maar gij zult wel begrijpen dat ik mij er
alleen toe in staat acht, en geen hulp noodig heb. Laat ons, bid ik u,
dit gesprek afbreken. Gij zijt een lieve, mooie vrouw, en zult zeker
den man vinden, die u gelukkig maken kan.”
De oogen van mevrouw Hundley hadden zich met tranen gevuld. Langzaam
stond zij op, trok een kostbaren ring van haar vinger en hem Raffles
reikende, zeide zij:
„Laat mij u tenminste een aandenken geven. Ook zou het mij zeer
verheugen, indien gij mij daarvoor een ander aandenken vereeren
wildet.”
Dankend kuste Raffles de hem aangeboden hand, toen trok hij van zijn
ringvinger een prachtige robijn van zeldzame grootte en stak hem met
een smartelijk lachje aan de hand der mooie vrouw, die snikkende haar
gelaat in haar zakdoek verborg.
„Laat ons nu scheiden, mevrouw Hundley, leef wel!” kwam na een korte
pauze zacht van de lippen van Lord Lister.
Nog eens kuste hij haar hand, en begeleidde haar naar de deur van zijn
werkkamer.
„Ik zal u, zoo spoedig ik den schat heb opgegraven, bericht doen
toekomen, zoodat gij in staat zult zijn, volgens den wensch van uw
vader, het geld te besteden.”
„En zullen wij elkaar nog eens weerzien?”
„Ik weet het niet,” gaf Raffles toonloos ten antwoord, toen wendde hij
zijn gezicht af, en stiet uit:
„Kwel ons beiden toch niet zoo, mevrouw, en laat alles aan de toekomst
over....”
Nog een laatsten, smartelijken blik wierp de jonge vrouw op haar edelen
redder, toen verliet zij, als een treurende, het huis.
Lord Lister bleef nog een uur alleen en liet toen door zijn
kamerdienaar Charly Brand roepen.
De jonge man keek zijn vriend met een onderzoekenden blik aan.
„Je ziet bleek, wil je niet wat rusten?” vroeg hij bezorgd.
„Ik denk dat in plaats van rusten, werken een weldaad voor mij zal
zijn. Ik heb de laatste dagen heelemaal vergeten, welk groot werk ik
mij voorgenomen had in New-York af te doen.
„Deze Hundley heeft mij heelemaal van mijn voornemen afgebracht.
Armoede en rijkdom zijn hier veel grooter dan waar ook in de wereld.
Daar zal en moet de rijkdom voor de armoede zorgen.
„Ik ben vandaag op een soirée bij den spoorwegkoning Meyer geïnviteerd.
„Zooals mij uit de boeken van de verzekeringsmaatschappij bleek, is
deze man voor een bedrag van tien millioen dollar tegen inbraak
verzekerd. Hij is de laatste in de rij der millionnairs, die ik mijn
bezoek toegedacht heb.
„Dan is mijn plan, dat ik hier uitwerken wil, rijp.”
„Wil je mij niet beter inlichten? Ik kon tot heden nog niet wijs worden
uit je merkwaardig doen en laten en welk doel je met deze grappige
inbraken beoogt. Je verricht een reuzenwerk en neemt geen cent van de
millionnairs. Zooals gezegd, je handelwijze is raadselachtig.”
„Absoluut niet, mijn jongen; ik heb voor een bepaald doel, namelijk, om
arme menschen te helpen, jaarlijks een bepaalde som noodig. Een som die
niet hoog genoeg kan zijn. De Amerikaansche multimillionnairs moeten
mij die betalen.”
Charly Brand rookte nadenkend zijn sigaret.
„Ik begrijp daarom toch niet, wat je van plan zijt te doen. Hoe wil je
hen daartoe dwingen?”
Raffles lachte vroolijk en klopte Charly Brand op den schouder:
„Door vrees en verstand. Maar het is heel goed dat je niet alles
begrijpt, oude jongen.”