LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 305 DE SCHIJNDOODEN.
DE SCHIJNDOODEN.
HOOFDSTUK I.
EEN ADELLIJKE BANDIET.
Sedert eenige dagen lag er in het groote ziekenhuis in de Sloane Street
te Londen op de algemeene mannenzaal een man, die niet weinig de
belangstelling trok van het verplegend personeel.
Hij kon tusschen de vijfendertig en de veertig jaar zijn, en zijn bleek
gelaat vertoonde de sporen van vroegere schoonheid, die echter voor een
groot deel waren uitgewischt door een losbandig leven.
Hij had groote, donkere oogen, een rechten, aristocratischen neus en
een klein, sierlijk kneveltje, waarvan de punten opwaarts gekruld
waren, en dat hem aanstonds als een vreemdeling verried.
Wie hij was, kon niemand in het gasthuis zeggen.
Eens waren er een paar bezoekers gekomen, die hem als Brown hadden
aangesproken—maar het was naderhand gebleken, dat de man dezen naam
zeker niet kon dragen.
Hoe hij dan wel heette? Dat kwam men niet te weten.
Hij was, door messteken zwaar gewond, des nachts door een paar mannen
naar het gasthuis gebracht, die verklaarden, dat zij den keurig
gekleeden vreemdeling aldus op het trottoir hadden zien liggen, kermend
en om hulp roepend.
Zij hadden geen verdere inlichtingen kunnen geven en waren aanstonds
weder verdwenen, nadat de vreemdeling aan de veilige hoede van den
geneesheer-directeur was overgebracht, die hem dadelijk naar de
algemeene mannenzaal had laten brengen, waar nog een aantal bedden
onbezet waren.
Men had zijn kleeren onderzocht, die van fijn laken waren vervaardigd,
maar daarin niets gevonden dan een beurs, die eenige ponden sterling
bevatte, een groot zakmes, zooals electriciens ze wel bij zich dragen
en waaraan zich tevens een schroevendraaier, een boor en een kleine
vijl bevinden, een zakdoek, gemerkt met de initialen B/S., waarboven
een kroontje, een zilveren sigarettenkoker en nog eenige andere
voorwerpen, die echter weinig licht konden verspreiden aangaande de
ware identiteit van den gewonde.
Reeds den volgenden dag, nadat hij was binnengebracht, had zich een
zeer schoone jonge vrouw aangemeld die gesmeekt had bij den gewonde te
worden toegelaten, maar die evenmin zijn naam had genoemd.
En daarna waren er na een kort tijdsverloop eenige dingen met den
zwaargewonde voorgevallen, die er niet weinig toe bijdroegen, hem in
een waas van geheimzinnigheid te hullen.
Den dag vóór dat ons verhaal een aanvang neemt, waren er laat op den
avond twee mannen verschenen, die den zoogenaamden Brown wegens een
zeer ernstige zaak verlangden te spreken.
Weliswaar was het reglementaire bezoekuur reeds lang verstreken, maar
daar men niet wist of de gewonde in het leven zou blijven en de zaak
werkelijk van groot gewicht scheen te zijn, zoo gaf men den laten
bezoekers verlof, aan de sponde van den gewonden vreemdeling te treden.
Tijdens het gesprek riep Brown de hoofdverpleegster bij zich en
verzocht haar dringend, aanstonds naar het hotel „Het vergulde Hert” te
telefoneeren en daar na te vragen of een zekere miss Bispham daar nog
aanwezig was.
De gewonde scheen in een toestand van groote opwinding te verkeeren en,
zoo verklaarde de hoofdverpleegster later, scheen in koortsachtig
ongeduld op antwoord te wachten.
Zij sprak echter niet met de vrouw, naar wie de gewonde vroeg, maar
trof aan het andere einde van de lijn een detective, die haar dringend
verzocht de twee late bezoekers aan de praat te houden totdat hij
gekomen zou zijn om hen te arresteeren, daar zij stellig iets kwaads in
den zin hadden.
Dit was slechts ten halve gelukt, want de twee bezoekers hadden,
ondanks alle pogingen om hen met een zoet lijntje op de ziekenzaal te
houden, reeds in de lift plaats genomen en hadden de vestibule reeds
bereikt toen de politiebeambte met een helper aankwam en de twee mannen
in verzekerde bewaring stelde.
Men had den vreemdeling aanstonds ondervraagd, maar deze scheen zeer
onrustig en het was duidelijk, dat hij ontwijkend antwoordde.
Hij gaf voor, niet juist te weten, wat de beide bezoekers van hem
wilden, maar dat zij gepoogd hadden, hem geld af te zetten, en verzocht
zóó dringend hem met rust te laten, dat men aan dit verzoek gevolg gaf.
Hij had nog een kort gesprek onder vier oogen met den detective en
vervolgens, blijkbaar een weinig gerust gesteld, was hij ingeslapen.
Maar de grootste verrassing zou de directeur van het ziekenhuis pas den
volgenden morgen ervaren, want toen hij eens bij Scotland Yard
informeerde, om te weten wat die twee geheimzinnige bezoekers, die in
zijn inrichting gearresteerd waren, eigenlijk gewild hadden, moest hij
vernemen, dat men op het hoofdbureau van politie volstrekt niets wist
van die arrestatie! Het ziekenhuis lag in een wijk, waar nog eenige
andere groote politiebureaux zich bevonden, en zoo werden ook deze
opgebeld, maar zonder eenig resultaat—men wist daar niets van een
arrestatie, en men had in het geheel geen detectives gezonden!
Daarop stelde de directeur natuurlijk de vraag of het geen particuliere
detectives geweest konden zijn.
Het antwoord luidde bevestigend.
Maar dan moest toch nog de vraag beantwoord worden, waarom die beide
detectives hunne gevangenen niet aanstonds hadden afgeleverd.
De directeur kreeg toezegging, dat er onderzoek zou worden gedaan naar
deze geheimzinnige zaak en daarmee moest hij zich voorloopig tevreden
stellen.
Wel trachtte hij den gewonden vreemdeling nog een en ander te
ontlokken, maar deze bleef norsch zwijgen, en verklaarde, dat hij zich
niet wilde uitlaten over zuiver particuliere aangelegenheden, die
niemand iets aangingen.
De gewonde had een vrij rustigen nacht doorgebracht, maar zoodra het
daglicht door de hooge vensters naar binnen kwam schijnen, dat wil
zeggen, omstreeks acht uur in den morgen van een triestigen
Novemberdag, begon hij zich heen en weder te werpen, ofschoon de
hoofdverpleegster hem dringend had vermaand stil te liggen.
Blijkbaar werd hij verteerd door een onrust, die machtiger was dan zijn
wil.
Hij keek telkens op de groote hangklok boven de groote deur en had
reeds een paar malen gevraagd of er geen boodschappen voor hem waren
gekomen.
Om half negen werd de hooge deur van de ziekenzaal opnieuw geopend en
trad er een jonge verpleegster binnen, die even rondkeek en toen snel
op de hoofdverpleegster, die aan het einde van de zaal een lastigen
zieke tot kalmte bracht, toeliep.
De gewonde had het jonge meisje met de oogen gevolgd en zag nu, hoe de
beide vrouwen eenige woorden met elkander wisselden en daarbij den blik
op hem gevestigd hielden.
Zijn hart begon met wilde slagen te bonzen—blijkbaar was dit korte
gesprek voor hem van de grootste beteekenis.
De hoofdverpleegster kwam nu met snelle schreden langs het breede
gangpad aanloopen, trad op zijn bed toe, en zeide op vriendelijken
toon:
—Er is zooeven een telefonische boodschap voor u gekomen, mijnheer
Brown. Men verzoekt ons, u mede te deelen, dat uw vriendin geheel
buiten gevaar is en dat er goed voor haar gezorgd wordt! Zij zal u nog
hedenmorgen komen bezoeken, vergezeld door haar vader!
Er had zich een lichte blos over het bleeke gelaat van den gewonde
uitgestrekt, terwijl hij de hand van de hoofdverpleegster krampachtig
omvat hield.
Hij zeide op heeschen toon:
—Ik dank u voor uw mededeeling, zuster, zij zal meer bijdragen tot mijn
herstel dan al uw drankjes en pillen!
Hij liet zich met een zucht achterover in de kussens vallen en sloot de
oogen. Maar als de hoofdverpleegster wat nauwkeuriger had
toegeluisterd, had zij hem kunnen hooren mompelen:
—Haar vader? Wat heeft dat te beteekenen? Zou dat misschien......?
Hij scheen in nadenken te verzinken en sluimerde zachtjes weder in.
Hij werd pas vele uren later weder wakker, een uur ongeveer vóór de
familieleden bij de zieken zouden worden toegelaten.
Maar juist toen hij wakker was geworden, trad de hoofdverpleegster
opnieuw naar hem toe en zeide:
—Gij zult hier niet langer blijven liggen, mijnheer Brown. Zoodra het
met het oog op uw toestand mogelijk is—dat wil zeggen over een paar
dagen—zult gij naar het paviljoen vervoerd worden en daar een kamer
voor u alleen krijgen. Uw vriendin heeft zooeven getelefoneerd, dat zij
twee weken verplegingskosten vooruit zal betalen. Dat zal u wel
bevallen, want gij zult het daar vrij wat prettiger krijgen.
—Ik wist wel, dat zij zoo iets doen zou! riep Brown uit, terwijl er een
glimlach om zijn bloedelooze lippen speelde.
Nu lag hij weder alleen en voortdurend dwaalden zijn blikken af naar de
groote klok.
Nog een kwartier—en het uur voor het reglementaire bezoek was
aangebroken.
Maar juist ging de deur open, twee dragers droegen op een baar een
nieuwen bewoner van de groote zaal binnen, die honderd twintig bedden
telde, waarvan er honderd tien bezet waren.
Zij droegen de baar tot vóór een dezer bedden, waarbij de
hoofdverpleegster hun den weg wees en tilden den zieke van de baar op
het bed.
Daarop verwijderden zij zich weder met de draagbaar, en voor zoover zij
zich bewegen konden, richtten alle zieken hun blikken nieuwsgierig in
de richting van het zooeven bezette bed.
De man, die daar lag en die thans door een van de verpleegsters
zorgvuldig werd toegedekt, had een zeer bleek gelaat en lag met
wijdgeopende oogen naar de zoldering te staren.
Maar nu ging de deur opnieuw open en enkele bezoekers traden binnen.
Onder de eersten, die de ziekenzaal betraden, was een rijzige, jonge,
schoone vrouw met een bleek gelaat en chic gekleed.
Naast haar liep een grijsaard met bijna spierwit haar, dat op den
schedel reeds begon te dunnen, en in krullen op zijn schouders
neerviel.
Een lange, witte, baard gaf hem een eerwaardig voorkomen.
Hij scheen een weinig gebrekkig te zijn en leunde op een zwaren
wandelstok.
De jonge vrouw zag nauwelijks den geheimzinnigen Brown of zij
bekommerde zich niet meer om den ouden man, snelde op het bed toe en
liet er zich vóór op de knieën vallen, terwijl zij haar hoofd aan de
borst van den gewonde vlijde.
Deze streelde zachtjes heur haar en fluisterde:
—Ik heb je dus weer, mijn lieveling! Je weet niet, wat ik geleden heb!
Raffles heeft je dus weten te bevrijden?
De jonge vrouw knikte, terwijl zij op haar beurt het haar van den
gewonde zachtjes met haar lange witte vingers streelde.
—Alles is hem dus gelukt? vroeg Brown fluisterend. Waar is hij nu?
Zonder te antwoorden, wenkte de vrouw in de richting van de deur, waar
de grijsaard kwam aanstrompelen.
—Is hij dat? Is dat John Raffles? vroeg de gewonde fluisterend, terwijl
hij den grijsaard met groote oogen aanstaarde. Maar dat lijkt mij
onmogelijk toe.
—Ook ik meende eerst mijn oogen niet te kunnen vertrouwen, Raoul,
antwoordde de jonge vrouw fluisterend. Bij de vermommingskunst van dien
man valt die van alle leden onzer bende volkomen in het niet!
De vrouw had zeer zachtjes gesproken en zij kon er nu zeker van zijn,
dat niemand zou kunnen hooren wat zij zeide, daar twee bedden ter
rechter zijde en één links van den gewonde onbezet waren.
De grijsaard was intusschen naderbij getreden en nam naast het bed van
den gewonde plaats.
Hij boog zich over dezen heen en zeide zachtjes:
—Ik zie met genoegen, Beaupré, dat je toestand reeds vooruitgaande is!
Ik heb Marthe Debussy hier heen willen vergezellen, omdat ik volstrekt
niet zeker ben van haar veiligheid!
De gewonde had de hand van Raffles gegrepen—want hij was inderdaad de
gentleman-inbreker, de Groote Onbekende—en drukte haar krachtig,
terwijl hij zeide:
—Wij zijn vijanden geweest, John Raffles—en niemand kan zeggen, hoe wij
in de toekomst tegenover elkander zullen komen te staan! Gij zijt een
verklaard tegenstander van ons Genootschap, waartoe ook ik behoor,
markies Beaupré de la Sardogne! Maar toch—nu zou ik onmogelijk van
betere gevoelens jegens u vervuld kunnen zijn! Gij hebt haar—hier
vestigden zich zijn oogen op de bleeke vrouw aan de andere zijde van
het bed—uit de klauwen van mijn felsten vijand, Dr. Fox, gered. Ik ben
er zeker van, dat dit met levensgevaar gepaard ging, want de chef van
het Genootschap van den Gouden Sleutel is er de man niet naar, om
iemand, die zich in zijn macht bevindt, en die de doodstraf te wachten
staat, niet goed te laten bewaken!
—Ik beken, dat het niet bepaald een pleziertochtje was, hernam Raffles
glimlachend, maar het geluk was aan onze zijde!
—Wilt ge mij niet zeggen, hoe alles gegaan is? vroeg Raoul Beaupré,
dien wij nu hebben leeren kennen als een lid van een Parijsche
dievenbende, die naar Londen was gekomen, om zich op te werpen als chef
van het Genootschap van den Gouden Sleutel.
—Het is in een paar woorden verteld, antwoordde Raffles, ik ben hier
als detective de schurken komen arresteeren, die u namens Fox het
voorstel waren komen doen om de geheimen van uw bende te verraden, en
tevens een eed te zweren, dat gij nooit meer een poging zoudt doen om
naar het leiderschap van het Genootschap te streven, in ruil waarvoor
zij u het leven van uw minnares beloofden, die zich aan verraad had
schuldig gemaakt, en zich in handen van Dr. Fox bevond. Ik heb hen
bewusteloos gemaakt met een geheim middel, waarvan ik alleen de
samenstelling ken, en een vriend van mij en ik zelf hebben hun plaats
ingenomen, nadat wij hun uiterlijk zoo goed mogelijk hebben nagebootst.
De rest had niet veel meer te beteekenen—wij waren het wachtwoord te
weten gekomen op een wijze, welke ik u liever niet zal mededeelen, en
zoo viel het ons niet moeilijk, met nog een derden helper, die over
buitengewone spierkracht beschikt, het dievenhol binnen te treden, waar
uw vriendin gevangen werd gehouden. Wij schoten een paar bewakers
overhoop—en onze makker brak de deur van de cel open, alsof het ’t
deksel van een sigarenkistje was! Verdere bijzonderheden zal madame u
later wel mededeelen!
Beaupré had verbaasd toegeluisterd, en hij vroeg zich nu af, over welke
geheimzinnige macht deze man beschikte, dat hij kon slagen in een
onderneming, waarbij ieder andere zou hebben gefaald.
Even heerschte er stilte en toen zeide Beaupré:
—Ik bewonder u! Het is waar, dat wij elkander bestreden hebben en het
later nog wel zullen doen, maar wat gij gedaan hebt, grenst aan het
wonderbaarlijke! Maar zooeven zeidet gij, dat Marthe zich nog steeds in
gevaar bevindt! Waarom denkt gij dat?
—Zij wordt gevolgd! antwoordde Raffles eenvoudig. Fox heeft zijn
spionnen in de buurt van het ziekenhuis opgesteld: ik heb een paar
verdachte individuen hier zien rondzwerven.
Er vertoonde zich een trek van grooten schrik en ongerustheid op het
gelaat van den gewonde, en hij greep krampachtig de hand van zijn
minnares.
—Ik voorzag zoo iets en daarom heb ik Marthe ook vergezeld! vervolgde
Raffles. Ik verzeker u, dat zij geen gevaar loopt zoo lang mijn
vrienden en ik toe zien! Zoodra gij als hersteld ontslagen bent, zult
gij natuurlijk dadelijk onze taak overnemen.
HOOFDSTUK II.
EEN NIEUWE PATIËNT.
Beaupré had de vuisten gebald, en heesch kwam het nu over zijn lippen:
—Laat Fox zich voor mij in acht nemen, zoodra ik van mijn ziekbed kan
opstaan! Hij heeft mij in dezen toestand gebracht! In een stikdonker
gemaakt vertrek hebben wij elkander met messen bestreden, maar de
verraderlijke schurk had het vloerkleed gegrepen en dit om zijn linker
arm en bovenlijf gewikkeld, waardoor hij veel beter beschermd was dan
ik.
—Op die wijze hebt gij dus om de macht geduelleerd? vroeg Raffles.
—Ja—het was de wil der vergadering! antwoordde Beaupré.
Zij zwegen, daar de hoofdverpleegster op vriendelijk vermanenden toon
zeide:
—Nog enkele minuten, miss, dan zal ik u moeten verzoeken om heen te
gaan, want onze patiënt mag zich volstrekt niet te zeer inspannen!
—Wij beloven het u, zuster, zeide Marthe Debussy. Is er reeds gezorgd
voor een afzonderlijk vertrek voor mijnheer?
—Het wordt morgen in orde gemaakt—hij mag niet vóór over een paar dagen
vervoerd worden. De patiënt is zeer zwak, en iedere druppel
bloedverlies meer, zou hem den dood kunnen brengen.
Zij keek Beaupré even peinzend aan en vervolgde toen:
—Hoe staat het toch met den naam van onzen patiënt? Wij willen
natuurlijk volstrekt niet doordringen in uw particuliere
aangelegenheden, maar wij moeten toch een naam opgeven.
Marthe Debussy wisselde een snellen blik met haar minnaar en antwoordde
toen:
—Vult maar in: Pierre Dubois! Mijn vriend is genaturaliseerd
Franschman.
De hoofdverpleegster had den naam genoteerd en vervolgde nu:
—Weet gij wel, dat er hier vreemde dingen zijn voorgevallen? Scotland
Yard weet in het geheel niets af van de arrestatie, die hier
gisternacht heeft plaats gehad. Gij zult toch wel van de zaak weten?
Het was een vrij lastige vraag!
Raffles moest natuurlijk verondersteld worden, volkomen onkundig te
zijn—en slechts Marthe Debussy, wier naam de verpleegster trouwens niet
kende, kon gevoegelijk een weinig op de hoogte zijn van het geval, daar
de hoofdverpleegster namens haar minnaar naar haar had moeten
informeeren.
Zij achtte het echter het verstandigste, na Raffles snel met den blik
geraadpleegd te hebben, om zich van alles onkundig te houden, en zeide
daarom:
—Heeft hier een arrestatie plaats gehad?
—Ja, miss, van twee mannen, die den patiënt hier waren komen bezoeken,
naar de detective zeide, om geld af te zetten. Er waren twee
particuliere detectives hier, maar Scotland Yard verklaarde, van de
geheele zaak volstrekt niets af te weten.
Nu was Marthe door Raffles op de hoogte gesteld van de wijze, waarop
hij de twee handlangers van Dr. Fox onschadelijk had weten te maken, en
zij moest dus comedie spelen, toen zij zoogenaamd verrast uitriep:
—Maar hoe is dat mogelijk?
—Dat vragen wij ons zelf ook af. Scotland Yard doet al grondig
onderzoek en wij zullen al spoedig iets naders vernemen.
Op dit oogenblik kwam er een hulpverpleegster aan, die eenige woorden
met de opzichteres wisselde.
Deze wendde zich tot het kleine groepje en zeide:
—Ik word daar juist door hoofdinspecteur Baxter aan de telefoon
geroepen, nog een paar minuten, miss, dan zal ik u en mijnheer uw vader
moeten wegzenden!
Zij knikte de bezoekers vriendelijk toe en volgde de hulpverpleegster
naar een der telefooncellen van het groote gebouw.
Raffles en Beaupré hadden een eigenaardigen blik met elkander
gewisseld, en nu sprak de laatste:
—Op iets dergelijks zult ge wel niet gerekend hebben.
—Ik vraag verschooning—ik wist natuurlijk integendeel zeer goed wat het
gevolg zou zijn! Het moest natuurlijk uitkomen, dat de twee zoogenaamde
detectives hunne gevangenen nooit hadden afgeleverd.
Raffles was reeds opgestaan en zeide nu tot zijn metgezellin:
—Wij moeten gaan, madame! Wij mogen uw vriend de zoo hoog noodige rust
niet onthouden.
—Zult gij goed voor haar zorgen? vroeg Beaupré, terwijl hij Raffles
nogmaals de hand toestak. Bedenk, dat zij alles voor mij is, en dat ik
niets anders op de wereld heb om lief te hebben!
—Ik beloof u, dat ik zooveel als in mijn vermogen is, voor haar zal
waken!
Marthe Debussy boog zich over den gewonde en drukte hem een kus op het
voorhoofd. De twee geliefden wisselden fluisterend eenige innige
woorden, en daarop richtten de beide bezoekers zich naar de deur, nadat
Marthe beloofd had zoo spoedig, mogelijk te zullen terug komen, en hem
het adres had toegefluisterd, waar hij zou kunnen schrijven of
telefoneeren.
Eenige oogenblikken later hadden Raffles en de vrouw, die op zulk een
eigenaardige wijze tot zijn tijdelijke beschermelinge was geworden, het
gasthuis verlaten.
Als zij slechts eenige minuten langer waren gebleven, hadden zij
getuige kunnen zijn van een merkwaardig voorval.
De hoofdverpleegster trad weder binnen, liep met snelle stappen, en een
trek van ongerustheid op het gelaat, naar het bed, waar zooeven de
nieuwe patiënt was neergelegd, en bekeek hem nauwkeurig.
Toen sloeg zij de handen van verbazing ineen en riep:
—Het is zoo! Het gelaat van dien man kwam mij al aanstonds zoo bekend
voor! Het is een van de twee mannen, die hier gisternacht zijn geweest,
om Dubois te bezoeken!
Onwillekeurig had de hoofdverpleegster de woorden zoo luid
uitgesproken, dat Beaupré ze duidelijk had verstaan.
Hij wendde het hoofd met een ruk naar de zijde van het bed, waar de
nieuwe patiënt lag, en trachtte zijn gelaatstrekken te zien.
Juist trad de verpleegster even ter zijde.
Beaupré had moeite, een kreet te weerhouden—daar lag, met wijdopen
oogen, maar blijkbaar volkomen bewusteloos, een lid van de Bende der
Raven, die weder een onderdeel vormde van het gevaarlijke Genootschap
van den Gouden Sleutel, waartoe ook de Fransche markies behoorde!
Het was een van de beide bandieten, die hem gisteravond onder een
valsch voorgeven hadden bezocht, teneinde hem te bewegen, de geheimen
zijner eigen bende te verraden, in ruil voor het leven zijner minnares,
en te zweren, dat hij nimmer weder als mededinger van Dr. Fox zou
optreden!
Maar hoe kwam die man hier?
Raffles had hem toch zooeven medegedeeld, dat hij die twee kerels, na
hen zoogenaamd te hebben gearresteerd, bewusteloos had gemaakt, en hij
zou toch wel zoo verstandig geweest zijn, dit niet op den openbaren weg
te doen?
Hoe was het mogelijk, dat die man nog altijd bewusteloos was, en dat
geen der doctoren nog naar hem was komen zien?
Hij zou spoediger antwoord op die vraag krijgen dan hij wel vermoedde,
en wel uit den mond van de hoofdverpleegster zelve, een praatgrage
dame, die volstrekt niet kon denken, dat Beaupré deel uitmaakte van een
dievenbende, en meende, dat hij inderdaad het slachtoffer van een
laaghartige poging tot afzetterij was geweest—hetgeen in zekeren zin
ook de waarheid was!
Zij had het bed van den bewustelooze verlaten en trad nu snel op dat
van Beaupré toe.
Toen zij zag, dat hij klaar wakker en blijkbaar volkomen bij zijn
positieven was, begon zij:
—Nu moet ik u toch iets heel bijzonders mededeelen, mijnheer Dubois!
Gij weet, dat ik zooeven aan de telefoon werd geroepen. Wie denkt gij
wel, dat er aan het andere einde van de lijn was?
Beaupré meende wel ongeveer te kunnen zeggen, wie dat was, maar hij
wachtte er zich wel voor, zijn vermoedens te uiten.
Hij haalde de schouders op en zeide glimlachend, wat hem moeilijk
genoeg viel, daar hij begon te begrijpen, dat hij zich in groot gevaar
zou bevinden, zoodra de man daarginds uit zijn bewusteloosheid zou
ontwaken, en zou inzien dat zijn loopbaan der misdaad beëindigd was,
zoodat er geen reden meer was, den Franschen bendechef, die reeds lang
door de Parijsche politie gezocht werd, nog langer te ontzien en hem
dus stellig zou verraden:
—Hoe kan ik dat weten, miss?
—De politie!
Beaupré had dit antwoord verwacht, maar toch liep er een zenuwachtige
rilling over zijn bleek gelaat, welke hij niet geheel en al had kunnen
bedwingen.
—De politie? vroeg hij. Zeker in verband met het bezoek dier beide
kerels, die mij geld wilden afdreigen?
—Juist! Gij zult er van opzien, wat er met hen geschied is! Ik moet u
zeggen, dat ik er niets van begrijp—maar de detective, dien wij hier
verwachten zal wel licht in de duisternis brengen! Hij kan over een
kwartier hier zijn!
Dat was een alles behalve aangename mededeeling voor den Franschman!
Wel hoopte hij, dat zijn gelaat, zooals het nu was, niet meer zou
overeenkomen met het signalement, dat ongeveer drie jaar geleden door
de Parijsche politie was gezonden aan alle groote politiebureaux over
de geheele wereld, vooral omdat hij zijn fraaien, blonden baard uit
dien tijd had afgeschoren, maar hij was daar verre van zeker van.
Hij wist zich echter te beheerschen en vroeg vrij kalm, alsof de zaak
hem eigenlijk niet al te veel belang inboezemde:
—Wat is er dan eigenlijk gebeurd, miss?
—Dat zal ik u zeggen! Het staat nu wel vast, dat de twee rechercheurs,
die hier gisteren de twee schavuiten in de vestibule van dit gebouw
hebben gearresteerd, in het geheel niet tot de politie behoorden, en
ook geen particuliere detectives waren!
—Dat is niet te gelooven! riep Beaupré met goed gespeelde verwondering.
—En toch is het de waarheid, riep de hoofdverpleegster zegevierend uit,
alsof zij zelve een rol in dit geheimzinnige drama had vervuld. Die
zoogenaamde detectives waren bedriegers, en zij hebben de twee mannen,
die u hier zijn komen lastig vallen, ontvoerd!
—Maar met welk doel? riep Beaupré uit, die eens wilde zien wat de
politie wel, en wat zij niet wist.
—Ja, het doel—dat is juist het ongehoorde! antwoordde de
hoofdverpleegster. Dat begrijpt niemand! Maar het staat vast, dat hier
een misdrijf gepleegd is, dat niet geheel kon worden volvoerd. Ik zal u
nu zeggen, hoe de politie dit alles weet!
De praatzieke dame was op haar gemak gaan zitten en vervolgde, terwijl
Beaupré als het ware aan haar lippen hing:
—De vier mannen zijn hier voor de deur in een huurauto gestapt en wij
meenden natuurlijk niets anders of de gewaande detectives zouden hunne
arrestanten rechtstreeksch naar Scotland Yard brengen. Er geschiedde
echter iets geheel anders met de twee mannen die hier zijn geweest! De
beide bedriegers hadden hen op de een of andere wijze—hoe, dat weten de
geneesheeren nog niet—bewusteloos gemaakt, en toen de auto stil stond,
hebben zij hen naar een onbewoond huis aan de Bishop Street gebracht,
en daar opgesloten. Maar nu komt het mooie! De chauffeur, die hen
gereden had, was nieuwsgierig uitgevallen! Hij had een buitengewoon
hooge fooi gekregen, om zoo snel mogelijk te rijden, en dat droeg er
niet toe bij, hem te kalmeeren, dat begrijpt gij wel!
—Ik begrijp het volkomen, miss! antwoordde de Fransche Markies, die
brandde van ongeduld om de rest van het verhaal te hooren.
—Hij had duidelijk gezien, dat de twee mannen die hem besteld hadden de
beide anderen onder den arm hadden moeten nemen, en dat die er al heel
gek uitzagen met hun wijd geopende oogen, die echter niets schenen te
zien, en hun automatische bewegingen! Hij kon niet begrijpen, wat die
mannen in dat huis gingen uitvoeren, en omdat hij, zooals gezegd, heel
nieuwsgierig was—zoo reed hij niet weg, maar plaatste zijn auto om een
hoek van een dwarsstraat en stelde zich verdekt op in een donker
portiek!
—En......? vroeg Beaupré ademloos.
—Na een half uur kwamen er twee mannen uit het huis—en dat waren de
lieden, die geboeid waren binnengeleid! Maar van boeien was niets te
bekennen en zij liepen ook volkomen recht en natuurlijk! Zij schenen
groote haast te hebben en riepen een auto aan, die juist voorbij reed.
En de chauffeur was zoo overbluft, dat de wagen al uit het gezicht was,
voor hij er aan dacht hen met zijn eigen auto te volgen!
—Merkwaardig! mompelde Beaupré, om iets te zeggen, maar hij was zeer
verschrikt door dezen loop der zaken, waarvan Raffles nog niet het
minste vermoeden scheen te hebben!
—Daar de chauffeur de twee mannen toch niet meer kon achterhalen,
besloot hij de politie te waarschuwen, en die op de hoogte te brengen
van het zonderlinge voorval, waarvan hij zooeven getuige was geweest.
Het duurde eenigen tijd voor er een aantal agenten onder bevel van een
inspecteur ter plaatse waren en de dag begon al aan te breken toen men
eindelijk de buitendeur openbrak, daar er op het herhaaldelijk schellen
niet werd opengedaan en de chauffeur pertinent volhield, dat er zich
nog twee personen in het huis moesten bevinden. En wat denkt gij wel,
dat de agenten vonden?
—De twee rechercheurs? vroeg Beaupré onnoozel.
—Wel neen! antwoordde de hoofdverpleegster ongeduldig. Die waren al
lang weg! Zij vonden daar de twee mannen die hier waren geweest,
geboeid en wel, bewusteloos op een groot bed liggen!
—Dat is kras! bromde de Franschman.
—Niet waar? riep de verhaalster uit. Men deed alles, om de beide mannen
uit hun zonderlinge bewusteloosheid te doen ontwaken, maar vruchteloos!
Toen werd er een dokter bijgehaald—en toen nog een, maar met hen beiden
slaagden zij al evenmin! Zij moesten verklaren hier voor een raadsel te
staan! Zij beproefden alle bekende opwekkende middelen, maar zij hadden
dit evengoed met poppen kunnen doen! Daarop werd besloten de twee
mannen naar een gasthuis te doen overbrengen! Een hunner ligt daar drie
bedden van u af!
—Daar staat mijn verstand bij stil! riep Beaupré uit, ofschoon hij de
geheele zaak volkomen begreep. En waar is de andere?
—In de groote operatiezaal. De geneesheeren zijn op dit oogenblik bezig
allerlei middelen te beproeven om hem tot bewustzijn te brengen.
—En...... lukt het? vroeg Beaupré snel, terwijl hij de verpleegster met
zijn groote, zwarte oogen vorschend aankeek.
—Neen! Hij ligt daar nog even stil en schijnbaar levenloos, ofschoon
het lichaam warm is, als toen hij hier werd binnen gebracht.
Beiden zwegen en eindelijk vroeg de hoofdverpleegster:
—Kunt gij u in het geheel niet voorstellen wat dit alles te beteekenen
heeft en in welke verhouding die twee zoogenaamde detectives met de
mannen stonden, die u hier gisterenavond zijn komen bezoeken?
—Neen, zeide Beaupré onvervaard, ofschoon hij het zich maar al te goed
kon voorstellen!
—Maar die twee bezoekers van gisteren—die kent gij toch wel?
—Slechts vluchtig, miss!
De hoofdverpleegster wilde nog iets zeggen, toen de deur geopend werd
en er een man met een krachtigen lichaamsbouw, ofschoon niet zeer
groot, met een vierkant, schrander gelaat, waarin twee donkergrijze,
energieke oogen schitterden, de ziekenzaal binnentrad.
Die man was James Sullivan, een der bekwaamste detectives van Scotland
Yard, die reeds eenige malen had deelgenomen aan de jacht op den
Grooten Onbekende, en tot zijn felste vijanden gerekend mocht worden.
Hij bleef eenige oogenblikken op den drempel staan en trok de dichte,
zwarte wenkbrauwen samen, toen hij de hoofdverpleegster zoo druk in
gesprek zag met den gewonde.
Toen trad hij snel op het bed toe en zeide tamelijk kortaf:
—Vergun mij een oogenblik, zuster...... Dit is zeker de man, die hier
gisterenavond door messteken zwaar gewond werd binnen gebracht?
—Ja, mijnheer! antwoordde de hoofdverpleegster.
Sullivan trok haar een weinig terzijde en vroeg op zachten toon, zoodat
de zieke hem niet zou kunnen verstaan:
—Hebt gij dien man alles medegedeeld, wat u zooeven per telefoon is
gezegd?
—Ja, mijnheer! antwoordde de zuster aarzelend, en een weinig
schuldbewust, toen zij de ernstige, grijze oogen zoo strak op zich
gevestigd zag.
—Dat doet mij leed! hernam Sullivan en hij klemde de lippen opeen.
—Ik wist niet, dat ik er verkeerd aan deed, stamelde de
hoofdverpleegster. Wie is die man dan?
—Dat weet ik niet, maar hij speelt toch in dit alles een vrij
dubbelzinnige rol en het ware beter geweest, als gij hem onkundig hadt
gehouden van wat wij zoo pas ontdekt hebben! Nu, er is niets meer aan
te doen—en ik zou u nu wel gaarne verzoeken mij den man eenige vragen
te laten stellen. Hij schijnt sterk genoeg te zijn, om een kort verhoor
te kunnen ondergaan!
—Een verhoor! herhaalde de hoofdverpleegster verschrikt. Maar wat
vermoedt gij dan eigenlijk, mijnheer?
—Dat kan ik nu nog niet zeggen, miss! antwoordde Sullivan kortaf. Gij
kunt er trouwens bij tegenwoordig zijn, en goed opletten, of de man
zich zelf wellicht tegenspreekt!
De detective trad nu op het bed toe, zag den gewonde strak aan en
begon:
—Ik ben detective van Scotland Yard en aan mij is de taak opgedragen
onderzoek te doen, naar het geheimzinnig voorval, dat zich deels in dit
ziekenhuis, deels... ergens anders heeft afgespeeld en waarin gij
eveneens een rol hebt gespeeld, misschien ondanks uzelf! Hoe is uw
naam?
Het was een moeilijk oogenblik voor den Franschen Markies.
Hij kende den detective van aangezicht zeer goed en wist wie hij
was—een der beste speurneuzen van de politie der Engelsche hoofdstad.
Maar Sullivan herkende hem niet—dat was duidelijk—en dat was in ieder
geval een goede troef!
De bandiet dwong zich dus tot zoo groot mogelijke kalmte en antwoordde:
—Mijn naam is Dubois—Pierre Dubois! Ik ben Franschman, als Engelschman
genaturaliseerd.
—Woont gij hier dan al lang?
—Sedert een aantal jaren!
—Men zou naar uw adressen kunnen informeeren?
Dat was een vraag waarop de Franschman niet gerekend had! Want
inderdaad was hij pas drie jaren in Engeland, en daarvan had hij nog
eenige maanden in de Fransche hoofdstad doorgebracht, als chef eener
bende!
Toch antwoordde hij onverschrokken:
—Dat spreekt vanzelf—ofschoon ik mij al die adressen niet al te goed
meer herinner! Ik heb in dozijnen pensions gewoond!
—Ja—dat kan ik mij begrijpen! antwoordde Sullivan droogjes. Men heeft
mij medegedeeld, mijnheer Dubois, dat gij hier zijt binnengebracht,
zwaar gewond door messteken. Zoudt gij mij willen zeggen hoe gij aan
die wonden gekomen zijt?
—Heel eenvoudig—ik ben op straat aangerand!
—Kunt gij het dan verklaren, hoe het komt, dat men u niets ontstolen
heeft? Uw beurs, horloge, uw zilveren sigarettenkoker zijn allen op uw
persoon gevonden!
Een ander zou door die vraag misschien in verwarring zijn gebracht,
maar niet aldus Beaupré!
Hij had zich nu hersteld en was vastbesloten zijn incognito tot het
uiterste te verdedigen.
En zoo antwoordde hij rustig:
—Ik vermoed, dat de straatroovers, die mij hebben overvallen, door de
nadering van agenten op de vlucht zijn gedreven voor zij gevolg hadden
kunnen geven aan hun voornemen mij te berooven.
—Maar gij zijt niet door agenten gevonden!
—Dan hebben zij het zich eenvoudig verbeeld en waren het burgers die
naderden en die mij gevonden hebben! Gij moet mij de opmerking ten
goede houden, mijnheer, maar dit begint veel te gelijken op een
verhoor! Mag ik weten, wat gij eigenlijk denkt of vermoedt?
Sullivan beet zich op de lippen en scheen een oogenblik met zijn
houding verlegen.
Hij wantrouwde dezen man, dat was zeker, maar redenen, deugdelijke
redenen zou hij daarvoor niet kunnen opgeven.
En zoo zeide hij met een lichte buiging:
—Ik denk er niet aan u een verhoor af te nemen, mijnheer Dubois! Ik
wilde slechts eenige inlichtingen uit uw mond vernemen, die mij
wellicht van nut kunnen zijn, bij mijn verdere naspeuringen in deze
duistere zaak! Daarbij wilt gij mij toch zeker wel helpen?
—Ongetwijfeld! Als dit slechts in mijn vermogen is! Vraag vrij uit!
—Als gij mij dit toestaat dan zou ik u willen vragen: wie waren de twee
mannen, die u gisteravond kwamen bezoeken en wat wilden zij van u?
—Het zijn twee schurken, die iets uit mijn verleden weten, waarvan de
openbaarmaking mij groot nadeel zou kunnen berokkenen en daaruit willen
zij munt slaan! antwoordde Beaupré brutaal, ofschoon hij zijn hart
voelde kloppen bij het stellen van deze gevaarlijke vraag. Hun namen
wensch ik om begrijpelijke redenen niet te noemen.
—Maar dan hebben die mannen zich aan een strafbare zaak schuldig
gemaakt! riep Sullivan uit. En als gij een aanklacht in dient, kunnen
wij hen vervolgen wegens poging tot afpersing! Dat kunnen wij slechts
dan doen, als het slachtoffer zelf een klacht bij het parket indient!
—Misschien zal ik dat later ook wel doen, mijnheer! antwoordde Beaupré.
Als ik maar eerst dit ziekenhuis verlaten heb!
Sullivan haalde de schouders op.
—Uw stilzwijgen maakt onze taak niet gemakkelijker! zeide hij. Er heeft
hier een geheimzinnige gebeurtenis plaats gehad, waarin die twee mannen
een gewichtige rol vervullen. En het onderzoek naar de identiteit van
de beide gewaande detectives, die hen zijn komen arresteeren—met een
doel, dat ons volkomen onverklaarbaar is—zou ons heel wat lichter
worden gemaakt, als wij wisten, wie zij zijn!
—Wacht, tot zij uit hun bewusteloosheid ontwaakt zijn, kwam Beaupré
kortaf. Dan zullen zij wel spreken!
Hij had het stoutmoedig gezegd—maar bij zich zelf overwoog hij, dat het
voor hem wel eens zeer onaangename gevolgen zou kunnen hebben, als de
schurken inderdaad begonnen te spreken!
—Dat is ook juist een der meest verrassende zijden van deze gansche
geschiedenis! riep Sullivan uit. Geen der geneesheeren weet te zeggen,
welke eigenaardige verdooving de twee mannen heeft aangegrepen!
Beaupré bromde iets onverstaanbaars in zich zelf, maar hij antwoordde
niet.
Sullivan wierp nogmaals een verstolen, onderzoekenden blik op den
gewonde, en hernam toen:
—Ik wil u thans niet langer lastig vallen, want gij zult wel rust
behoeven. Later echter hoop ik u nogmaals eenige vragen te mogen
stellen.
Hij knikte Beaupré toe en stapte vervolgens op het bed toe waar de
bewustelooze ter neder lag.
Eenigen tijd keek hij onafgebroken naar het witte gelaat met de wijd
geopende oogen en toen schudde hij het hoofd en haalde de schouders op.
—Ik begrijp er niets van! mompelde hij. Het lichaam is blijkbaar warm
en volstrekt niet stijf—het heeft niet weinig van schijndood!
Juist op dit oogenblik ging de deur open en traden twee geneesheeren
binnen.
HOOFDSTUK III.
EEN RAADSELACHTIG GEVAL.
De beide doktoren waren in een druk gesprek met elkander verdiept en
begaven zich dadelijk naar het bed van den bewusteloozen man.
Sullivan maakte dadelijk bescheiden plaats voor hen en bleef een weinig
op een afstand staan.
Wat Beaupré betreft—hij voelde zijn hart in zijn keel kloppen, want als
deze geneesheeren er werkelijk eens in slaagden om den man weder tot
bewustzijn te brengen, dan liep zijn vrijheid groot gevaar!
Want de man daarginds zou zeker wel vastgehouden worden—het zou spoedig
uitkomen wie hij werkelijk was—en dan zou hij den Markies zeker in het
ongeluk willen meeslepen, en diens waren identiteit verraden.
Een der geneesheeren trad naast het hoofdeinde van het bed en trok een
der oogleden omlaag.
Even bleef het lid in dien zelfden toestand, maar toen schoof het uit
zich zelf langzaam weder naar boven.
De geneesheer lichtte een arm op en liet hem weder vallen, tastte den
pols, opende den mond, niet zonder moeite, en legde een thermometer
onder de tong van den bewustelooze.
Na eenigen tijd trok hij het instrument weder terug en raadpleegde het.
Hij schudde het hoofd, maakte een wanhopig gebaar en zeide op zachten
toon tot zijn collega:
—Normale bloedwarmte—iets meer dan zeven en dertig graden—de pols een
weinig langzaam—maar toch zoo goed als normaal! Geene reflexbeweging—en
een geringe verlamming van de oogspieren—die blijkbaar slechts van
tijdelijken aard is! Volkomen dezelfde verschijnselen als bij den
anderen man. Ik herken het volmondig—ik sta hier voor een raadsel!
—Hebt gij reeds van alles geprobeerd? vroeg de andere geneesheer.
—Van alles! Onderhuidsche injecties, met een zoutoplossing, morphine
inspuiting, insnijdingen in de voetzool—waarbij ik er op wil wijzen,
dat er geen druppel bloed te voorschijn kwam—electrische bestraling,
cocaïne, cognac, het hielp alles niets! Ik zou zeggen dat wij hier te
doen hebben met atropie van de gevoelszenuwen, een tijdelijke stilstand
van het zintuigelijk waarnemingsvermogen, maar waardoor dat teweeg is
gebracht, en hoe wij het kunnen doen eindigen, dat is mij een raadsel!
—Hoelang zouden lieden zich reeds in dezen toestand bevinden?
—Op dit oogenblik bijna een half etmaal!
Nu trad Sullivan naderbij, stelde zich voor en zeide:
—Ik zou het bijzonder op prijs stellen, als ik u een vraag zou mogen
doen!
—Vraag slechts mijnheer—maar ik vrees, dat ik u wel niet zal kunnen
antwoorden, antwoordde de geneesheer die zooeven den patiënt onderzocht
had.
—Acht gij het mogelijk dat deze man zich uit zich zelf bewogen heeft?
De wenkbrauwen van den geneesheer gingen de hoogte in en als een
antwoord daarop antwoordde hij glimlachend met een kwalijk verborgen
medelijden van den vakman voor den leek:
—Dat is volkomen buiten gesloten!
—Maar hoe verklaart gij het dan, dat deze twee lieden zelf uit een auto
zijn gestapt en een huis zijn binnen gegaan?
—Dat verklaar ik niet, mijnheer—dat ontken ik—antwoordde de geneesheer
kortaf. Dat is onmogelijk! Als er getuigen zijn die verklaren dat zij
dit gedaan hebben, dan kunnen zij niet in de auto bewusteloos zijn
gemaakt, maar dan moet dit in dat huis geschied zijn!
—Ik dank u voor uwe bereidwilligheid om mij te antwoorden, maar ik ben
niet voldaan, antwoordde Sullivan.
—Waarom niet? als ik vragen mag, hernam de geneesheer een weinig uit de
hoogte.
—Omdat ik mij niet kan voorstellen hoe die beide mannen zonder eenigen
tegenstand te bieden, of tenminste hun verbazing te uiten, dat donkere,
onbewoonde huis in de Bishop Street binnen gingen! Zij moesten immers
verwacht hebben naar Scotland Yard of naar een Huis van Bewaring te
worden overgebracht?
De geneesheer gaf niet aanstonds antwoord, maar stond met gefronst
voorhoofd stil, terwijl hij zenuwachtig met de vingers op zijn rug
friemelde.
Toen antwoordde hij een weinig gemelijk:
—Ik kan u op die vraag geen antwoord geven, mijnheer—dat zijn
politiezaken. Wel kan ik u echter zeggen dat er geen sprake van is dat
deze man of zijn metgezel zich zouden hebben kunnen bewegen.
Sullivan haalde vluchtig de schouders op en zeide:
—Als dat uw vaste overtuiging is—dan moet ik mij daar natuurlijk wel
bij neerleggen. Maar het maakt voor mij de zaak des te raadselachtiger.
Beaupré had het geheele gesprek, ofschoon het op tamelijk zachten toon
gevoerd was, gehoord, en hij was door zijn hoop en vrees heen en weer
geschommeld.
Nu waren zijn twee doodsvijanden nog bewusteloos, maar wie weet hoe
lang dat zou duren?
Zij konden weder ieder oogenblik tot het leven terugkeeren—met al de
gevolgen daarvan.
De Franschman zag nu hoe de beide geneesheeren zich verwijderden, na
nogmaals een blik op den bewustelooze geworpen te hebben en het
volgende oogenblik waren zij weg, door Sullivan op den voet gevolgd.
—Ik moet Marthe waarschuwen! mompelde Beaupré zacht. Zij moet John
Raffles op de hoogte brengen. Hij is de eenige die mij kan helpen! Als
die man daarginds spreekt ben ik verloren—en Raffles was de man die hem
bewusteloos heeft gemaakt en hij is dus waarschijnlijk de eenige die
hem weder tot het bewustzijn kan terugroepen. Hij moet hen hier
trachten weg te voeren, voor het te laat is.
En nu begonnen de hersens van den Franschen markies met koortsachtige
haast te werken.
Hij overwoog alle mogelijkheden, en ten slotte meende hij de
eenvoudigste oplossing te hebben gevonden. Hij zou zich houden alsof
zijn toestand plotseling zeer verergerde, en dan zou men zeker niet
weigeren Marthe aanstonds bij hem te laten komen.
Beaupré gaf aanstonds gevolg aan zijn voornemen!
Hij begon te kreunen, wentelde het hoofd van links naar rechts over
zijn kussen en het duurde niet lang of een der verpleegsters kwam
toeloopen, boog zich over hem heen, en vroeg:
—Hebt gij erge pijn?
—Vreeselijk, zuster! antwoordde Beaupré. Ik geloof dat het met mij ten
einde loopt.
—Maar uw toestand was van morgen redelijk, riep de zuster verschrikt
uit. Ik zal aanstonds de hoofdverpleegster roepen.
Deze werd gehaald en kwam haastig op het bed van den gewonde toeloopen.
Nu was deze inderdaad een weinig uitgeput, door het langdurig en
opwindend gesprek, gevolgd door het verhoor van Sullivan en de vrees
voor zijn vrijheid had het zweet met fijne druppeltjes op zijn slapen
doen parelen.
Hij stak een bevende hand naar de hoofdverpleegster uit en zeide op
heeschen toon:
—Ik geloof dat het met mij mis loopt! Ik smeek u aanstonds mijn
vriendin te laten halen!
—Gij ziet werkelijk heel bleek, zeide de verpleegster verschrikt.
Zij legde den zieke den thermometer aan en bemerkte dat hij hooge
koorts had.
Een oogenblik stond zij in beraad, en toen nam zij een besluit en
zeide:
—Geef mij het adres van uw vriendin—ik zal haar laten halen, maar gij
moogt volstrekt niet langer dan vijf minuten met haar spreken.
—Dat beloof ik u, Miss—vijf minuten zijn voldoende om afscheid van haar
te nemen,—kwam de Fransche Markies op dramatischen toon.
Hij noemde een afgelegen straat in een der Noordelijkste wijken van
Londen, een oogenblik later was er een telegram aan het adres van
Marthe Debussy gezonden.
Met koortsachtig ongeduld wachtte Beaupré de komst af van zijn minnares
en zijn vrees en ongerustheid deden hem veel zieker schijnen dan hij
inderdaad was.
Onophoudelijk wendde hij zijn blik naar den bewustelooze, vreezend hem
eensklaps te zien ontwaken.
Het zou niet veel helpen, als hij zich onder de dekens verborg, want
„Big Billy”, zoo was de naam van den bewustelooze, wist zeer goed wie
er in dat bed lag!
Er verliepen twee bange uren—en toen werd de deur opengeworpen en trad
Marthe Debussy doodelijk verschrikt binnen.
Het telegram had haar zeer ontsteld en zij meende niet anders of zij
zou haar minnaar stervende vinden.
Zij snelde op het bed van Beaupré toe, maar deze stelde haar
onmiddellijk met eenige gefluisterde woorden gerust, en hernam daarop
iets luider opdat de verpleegster hem zou kunnen verstaan:
—Ik meende zooeven mijn einde te voelen naderen—en ik wilde je nog eens
zien voor ik stierf! Wij hebben slechts vijf minuten!
De verpleegster verwijderde zich bescheiden, en nu volgde Beaupré
zachtjes:
—„Big Billy” is in deze zelfde zaal gebracht—hij ligt drie bedden van
mij af—kijk aanstonds eens voorzichtig!
Marthe Debussy kon met moeite een kreet van schrik weerhouden, want ook
zij had aanstonds het gevaar begrepen!
Zij kende Big Billy maar al te goed en zij wist dat hij geen medelijden
zou kennen, als hij zelf gearresteerd werd—hij zou trouwens overtuigd
zijn, zijn vriend Dr. Fox een grooten dienst te bewijzen als hij den
Franschen markies, diens mededinger, in het verderf stortte!
Zij keek even schichtig in de aangeduide richting en zeide toen
fluisterend:
—Ja—hij is het!
—Luister dan goed, Marthe! Raffles is nu nog onze vriend—jij bent een
vrouw en ik ben thans machteloos! Hij is een gentleman—en hij zal het
zijn plicht achten mij te redden, nu ik hier hulpeloos ter neder lig;
al ware het slechts omdat hij in mij later een bruikbaren bondgenoot
tegen Fox denkt te vinden!
Zeg hem aanstonds hoe de zaken hier staan en verzoek hem al het
mogelijke te doen om Big Billy hier te verwijderen.
—Maar dat is onmogelijk! fluisterde de jonge vrouw verschrikt.
—Voor Raffles is niets onmogelijk, hernam Beaupré. Zeg hem slechts wie
hier ligt en ik ben zeker dat hij een middel zal weten te vinden, om
hem zonder zelf gevaar te loopen, te verwijderen.
—Ik zal het doen, omdat het jouw veiligheid geldt, maar ik vrees dat
dit boven zijn macht gaat!
—Neen, ik ben volkomen gerust nu, hernam de Franschman. Zeg mij eens,
Marthe—ben je nu niet gevolgd?
—Neen—Raffles heeft er voor gezorgd dat zij ons spoor bijster zijn
geraakt.
Hij heeft mij trouwens zelf vergezeld, hij wacht in een klein wijnhuis
hier tegenover.
—Zooveel te beter. Zeg hem aanstonds maar wat ik je zooeven heb
medegedeeld! Ik zou geen seconde gerust kunnen ademhalen voor die twee
kerels verwijderd zijn.
Marthe durfde haar minnaar niet teleurstellen, maar zij zelf wanhoopte
aan het welslagen van iedere poging om de twee schurken in hun
tegenwoordigen toestand uit het gasthuis weg te krijgen—noch met
geweld—noch met list.
En daardoor gaf zij slechts blijk dat zij John Raffles nog niet
kende......
Zij nam weder afscheid van Beaupré, na aan de hoofdverpleegster het
adres van een klein hotel in de onmiddellijke nabijheid van het
ziekenhuis te hebben opgegeven, waar zij nadere berichten omtrent den
toestand van den gewonde zou afwachten.
Beaupré was er door al deze opwindende gebeurtenissen zeker niet op
vooruit gegaan, en hij liet zich nu uitgeput doodsbleek in de kussens
vallen.
Lukte het plan niet, werden de bewusteloozen hier wakker, dan wachtte
hem een gevangenisstraf van tenminste twintig jaren!
Intusschen ging het leven in het ziekenhuis zijn geregelde gang. Nu en
dan werden er zieken binnengebracht, tweemaal werden er een paar mannen
weggehaald om naar de operatiezaal te worden vervoerd, en slechts een
hunner werd, wit als het laken dat hem bedekte, weder binnengebracht.
De andere was tijdens de operatie bezweken en voorgoed van alle pijnen
en smarten verlost.
Het was omstreeks vier uur in den middag en reeds was overal het licht
aangestoken, toen de hooge gangdeur weder openging en een
hulpverpleegster snel naar het tafeltje liep waar de opzichteres bezig
was haar staten bij te houden, waarop de toestand van alle zieken in de
zaal nauwkeurig vermeld werd.
Zij sprak haastig eenige woorden met haar en verwijderde zich toen
weder.