Al spoedig nadat we de han hadden verlaten, voerde het pad ons in

een der prachtige beukenbosschen van Bosnië. Reuzenbeuken stonden

als schildwachten aan elken kant van den weg, en waar hun gesloten

gelederen niet geheel het zonlicht hadden afgesloten, filtreerden

gouden lichtstrepen door het gebladerte en vielen over ons pad. Het

was een verkwikkende afwisseling, toen we door het kale en steenachtige

land reden.

Het werd intusschen laat en donker. In de diepte beneden in het dal lag

de hoofdweg, die de Zeljeznica volgde. Die was zoo ver onder ons en

de helling was zoo steil, dat we ons verwonderd afvroegen, of we wel

ooit beneden zouden aankomen. Ons pad daalde nog niet, maar kronkelde

steeds door altijd op dezelfde hoogte. Toen het donkerder werd, begon

de weg al leelijker te worden; de paarden struikelden over steenen

en brokken puin. Het waren slecht beslagen paarden, en één van hen

scheen wat opvoeding te hebben genoten en toonde bewonderenswaardige

eigenschappen; het was een oud dier, dat waarschijnlijk vele jaren lang

zich overwerkt had, vaak te weinig eten had gehad en slecht verzorgd

was geworden, maar toch was zijn ijver zoo groot, dat zweep noch

sporen noodig waren, zoodat hij ver uitmuntte boven zijn stalgenoot.

De kamer, die voor ons gereserveerd was in den politiepost in

Trnovo, was een groot, zindelijk vertrek, waar vier menschen konden

logeeren. De slaapgelegenheid was een aangename verrassing voor ons,

want men had ons gewaarschuwd, dat we geen weelde moesten verwachten,

en in plaats van ongerief troffen we bedden en beddegoed in dit en

andere politiehuizen, veel beter passend bij onzen engelschen smaak dan

wat er in gemeubelde kamers van de hôtels in de steden beschikbaar is.

De matrassen in de politieposten waren gevuld met de bladen van maïs,

die zoo gemakkelijk zijn, als een vermoeide reiziger maar wenschen

kan. De kussens, het is waar, waren van de gewone reuzenafmeting, die

in Oostenrijk gebruikelijk is, maar het waren niet de slappe dingen,

die men u in pensions en hôtels geeft, waar het hoofd in wegzinkt

en die aan beide zijden oprijzen, zoodat de slaper half gesmoord

wordt. Ook vonden we tot onze blijdschap twee lakens op ieder bed,

een om op te liggen en een om onder te kruipen, met een deken in

plaats van het gewone zware dekbed. Dat laatste ding is een gruwel,

die den Engelschman bijna wanhopig maakt. Niet gewend te liggen onder

een gewicht van verscheiden ponden in den zomer, verwacht hij niet,

als hij het lastige ding weggooit, daarmee tevens het laken te missen.

Wij kregen een licht avondeten een half uur na onze aankomst, sliepen

goed en werden vroeg wakker voor een heerlijken dag. Des morgens

maakten we kennis met den civielen bestuurder van de plaats, die ons

vertelde, dat hij den oorlog van 1878 had meegemaakt en de gouden

medaille voor dapperheid had verworven. Hij beklaagde zijn lot, dat

hem zoo lang hier in dit afgelegen nest had gehouden, gescheiden van

zijn vrouw en kinderen, die in Serajewo waren voor de opvoeding van het

jonge geslacht. We trachtten hem te troosten, door erop te wijzen, dat

dit het lot is van tal van engelsche officieren en ambtenaren in Indië.

Hij ging dien middag op de jacht met den eenigen metgezel in de plaats,

den luitenant van het troepencontingent te Trnovo. Er viel, naar hij

zei, goed te visschen in de Zeljeznica, als het water hoog genoeg

was. In 1904 was het zeer laag ten gevolge van de buitengewone droogte.

Om de schoonheid van den weg zouden we over het Treskovicabergland

gaan. Een gids te paard was toegevoegd aan ons gezelschap, opdat we

geen oponthoud zouden hebben door de langzaamheid van een gids te

voet. Maar om de na ons komenden gerust te stellen, kunnen we hier

wel zeggen, dat dit een volkomen onnoodige fraaiigheid is, daar onze

ruwe Mohammedaan Ibro op zijn platvoeten vlugger vooruit kwam dan de

man te paard.

We vertrokken na tweeën in den namiddag. De bedding der Zeljeznica

volgend enkele honderden meters ver, gingen we daarna het bosch

op den berg binnen, waar de boomen zoo dicht bijeen stonden, dat

we eigenlijk niets anders konden onderscheiden dan het pad, dat we

bereden, en waar de paarden met moeite voorwaarts kwamen tusschen de

steenen door, die ze dan aan dezen en dan aan genen kant van den weg

trachtten te vermijden.

Het was inderdaad een afschuwelijk pad, dat voor het tweeledige

doel diende van pad te moeten zijn en waterloop. De regenvloeden,

die naar beneden waren gestort, hadden het midden zoo uitgehold, dat

het een kloof was geworden van wel een voet diepte tusschen opstaande

kanten. De bodem van die gleuf was niet breed genoeg, dat het paardje

er zijn voeten kon zetten, en de schuinte was zoo afgerond en glad,

dat het er moeilijk over kon. Ook had de werking van het water de

aarde zoo volkomen weggespoeld, dat er overal spitse stukken rots voor

den dag kwamen en wortels van boomen; daarbij was het pad zeer steil,

zoodat het zwaar werk voor de paarden was, maar ze deden hun best.

De weg naar de schuilhut op den top is gemakkelijk te vinden, daar de

Toeristenclub er veel aanwijzingen heeft laten aanbrengen op boomen

en rotsen, roode en blauwe strepen, die den weg wijzen. Wie enkel

naar den Treskovica wil, heeft daarom geen gids noodig. Plotseling

traden wij uit de schaduw van het bosch op een kleine weide, zoo

bestraald door de felle zon, dat het scheen, of een gouden paneel

gelegd was tegen den donkeren fluweelen wand van de boomen. Het pad

over de weide bracht ons naar den anderen kant van den berg, waar

we het uitzicht hadden op het beboschte dal, aan welks overkant de

Treskovica zich verhief. We waren nog niet veel meer dan halfweg.

Onze gids wees ons den top, waar de schuilhut was gebouwd en de

ruimte tusschen die en den naasten top, waar de pas of nek was,

dien wij over moesten. Het pad verdiepte zich in het woud, een bosch

van beuken, oude, die verspreid stonden. Er was geen onderhout in de

eeuwige schaduw, en ook geen gras of bloemen waren er te zien. Doode

bladeren lagen er bij hoopen, en gevallen boomen kwamen ons telkens in

den weg; ze waren soms over het pad gestort en daar ze te groot waren,

om te worden verschoven, had men ze moeten doorzagen ter breedte van

enkele voeten, zoodat aan weerszijden een stuk van den dooden reus lag.

Geen geluid verbrak de stilte; geen vogelgezang, geen bladergeritsel,

geen watergemurmel, zelfs niet de klank van een koeklokje, want er was

geen gras, om af te grazen. Stilte lag over een heele uitgestrektheid,

een vreemde stilte, die de grootsche wouden van Bosnië kenmerkt,

verhoogd nog door het lichte geruisch van het kraken van een twijgje

of een dood blad, dat dadelijk wegstierf en geen echo naliet.

De natuur deed zich hier voor in grootsche pracht, de eerwaardigheid,

die met den ouderdom gepaard gaat. De groote boomen, ten deele met

mos bekleed, verhieven zich tot op groote hoogte kaal, zonder takken

of bladeren tot in de kruin, en eerst toen we aan den voet van den

pas waren gekomen, was het bosch ten einde. Het pad was dat ook, en

we moesten nu over een steenachtigen grond klauteren in de blakende

zon. Wij waren afgestegen en bevonden ons onmiddellijk onder de steile

klippen, die den top van den Treskovica vormen. Terugziende op een

groep van ruwe pijnboomen, konden we onzen weg nog onderscheiden en

in de verte de witte stipjes herkennen, die Trnovo vormden.

Toen we weer opstegen, nam de gids de leiding en bracht ons vlug

over een groote, grazige vlakte, door bergen ingesloten, volkomen

vlak en zeer uitgestrekt. Dit is de plaats, waar duizenden stuks vee

grazen. Maar dit jaar was er geen enkel dier op de weide; het gras

was verbrand door de felle hitte en droogte. Aan het eind van het

dal daalden we snel naar Kalinovik, waar we tegen duister kwamen. Het

is geen mooi plaatsje, maar er waren belangwekkende oude graven, en

de omgeving was bijzonder mooi. Een politieman kwam ons tegemoet en

deelde ons mee, dat er kamers voor ons in de herberg gereed waren. We

troffen het niet gelukkig in Kalinovik. De herberg was niet veel

bijzonders, en daar er oostenrijksche troepen voor de manoeuvres in

de buurt waren, moest de eigenares, om ons gezelschap te believen,

haar eigen kamers verlaten, die wij al zeer primitief vonden.

Den volgenden morgen om zeven uur schudden onze paardjes het stof van

Kalinovik van hun pooten, en over een ruw golvend plateau ging het

omhoog. Door de wonderschoone natuur van een boschrijk rotslandschap

reden we, tot we de uitloopers van het Zelengora-gebergte reeds

te zien kregen, een prachtig gezicht. Tegen den middag bereikten

wij het blokhuis van den politiepost van den Zelengora, waar twee

aardige, zindelijke kamers voor ons gezelschap in gereedheid waren

gebracht. Het lunch was zoo goed als een diner, want het bestond

uit soep, schapevleesch, gevogelte, salade en zoetigheid. Jammer,

dat het schapevleesch meer op caoutchouc leek dan op iets anders,

wat wonderlijk leek bij al die vette weiden, maar wat is het

geval? Schapevleesch wordt in Bosnië als armelui's voedsel beschouwd

en wordt nooit op de tafel der welgestelden gezien in hôtels of in

particuliere woningen. Waarschijnlijk zijn daardoor de schapen niet

zoo goed, en er worden geen pogingen gedaan, om het ras te verbeteren.

Na het lunch keken wij rond in den omtrek en bewonderden het

Zelengora-district, dat zoo mooi is en nog zoo weinig bezocht wordt,

zelfs niet door oostenrijksche toeristen. Wat engelsche bezoekers

aangaat, waren wij denkelijk de eersten. Maar die toestand zal niet

veranderen, zoo lang de toegang enkel langs een pad, als dat, wat

wij gevolgd hadden, is opengesteld. De beste tijd, om erheen te gaan

is van Mei tot het midden van Augustus, als alleen de gewone matige

hoeveelheid regen valt, maar in het begin van September vallen zware

regenbuien, en op de hoogte van den Zelengora zou die dan stellig in

den vorm van sneeuw neerkomen, want de toppen van die bergketen zijn

ongeveer 6000 voet hoog.

Den volgenden morgen scheidden zich de wegen van den consul-generaal

en van ons; onze vrienden gingen door Suka en het Sutjeskadal

over de grens van de beschermde provincies naar Plevlje in het

sandsjak Novibazar, dat onder turksch bestuur staat, ofschoon er

ook oostenrijksche troepen liggen. Onze bestemming was de vroeger

belangrijke stad Foca aan de mooie Drina, een der eerste steden van

Bosnië, die in handen der Turken vielen.

Het was niet zeer vroeg meer, toen we vertrokken, zoo ongaarne zeiden

we de bekoorlijke plek vaarwel tusschen de bergen en wouden van dien

heerlijken Groenen Berg met zijn alpenlandschap en verrukkelijke

lucht. Er was ons aangeraden over Ljubino te rijden, een politiepost

op twee uren afstands, maar de oude Ibro, onze paardeknecht en gids,

wist den weg niet, en dus gingen we den langeren weg naar Foca over

Jelec, van waar een goede weg naar Foca leidt.

Het eerste eind was langs het pad van den vorigen dag. Het was half

negen, toen we vertrokken. Hoewel wij den vorigen dag zoo prettig

langs het riviertje stroomop hadden gereden, nu, in den vroegen morgen

was het nog veel prettiger. De frissche morgenlucht, beladen met

onvergelijkelijke woudgeuren, gaf er een grootere bekoring aan. Daar

we nu afdaalden in de tegenovergestelde richting van gisteren, hadden

we het eene prachtige uitzicht na het andere, die weer nieuw voor

ons waren, en ook schaduw en licht waren totaal anders verdeeld. Het

dalen ging al sneller, toen we Jelec naderden, dat in boomgaarden

lag van pruimen en appels, peren en kersen.

We reden al dadelijk de eenige straat binnen van Jelec, dat in turksche

tijden een plaats van eenige beteekenis was, beroemd om zijn handwerk

van leder. Enkele jaren geleden werd er een leerfabriek opgericht,

die het oude handwerk op den achtergrond bracht en ten slotte het

zelf ook niet kon bolwerken. Maar hoewel Jelec een aangenamen indruk

maakte, de weg, die nu volgde, deed dat niet. Van een weelderig bosch

en een goed bebouwd land kwamen we nu in een kale, dorre streek,

maar in meer bewoonde en bezochte oorden.

Omstreeks half twaalf gingen we lunchen in de schaduw van een brug,

en toen we onze flesschen in het stroompje wilden vullen, riep een

voorbijgaande Bosniër ons toe, dat er aan den oever wat hooger een

bron was, waar het water ijskoud en kristalhelder was. Dat is een

groot voordeel van het reizen in Bosnië, dat er overal water is. Het

is een land van bronnen en langs ieder pad, elken weg is er voor

den vermoeiden reiziger gezorgd. De bronnetjes zijn alle beveiligd

voor bevuiling, en altijd is er een drinkbeker voor de menschen en

een trog voor de dieren. Maar dit geldt alleen voor Bosnië, niet

voor Herzegowina.

Wat de toerist ook vrij vaak aantreft langs den weg, is een der vele

kleine turksche hans of herbergen, waar men uitstekende en verkwikkende

zwarte koffie kan krijgen op ieder uur van den dag in kleine turksche

koperen koffiepotjes, waar drie of vier kleine kopjes in gaan. Het

geheel kost één stuiver, met de suiker erbij. Wij verlangden naar

zoo'n ontmoeting, en werkelijk na twintig minuten, daar was er

een. Ibro verdween in het huis, en wij dronken onze koffie buiten,

terwijl de gids zich binnen aan een stevig maal te goed deed.

Verder ging de rit bergop en bergaf, tot we de oevers van de Drina

bereikten, waar onze weg uitkwam op den Gorazda-Focaweg. Om half

vijf waren we te Foca, gelegen op een schiereiland tusschen de

Drina en de Gehotina, die hier in de Drina valt. Het oude stadje is

echt turksch van aanzien door de bruggen, de muren, de huizen en de

beroemde Aladze-moskee, een der beste voorbeelden van den turkschen

bouwtrant in Bosnië en een der sierlijkste moskeeën van de vele,

die wij hadden gezien.

Toen we onze vijf-uurskoffie dronken, verscheen een jonge man, die door

den gouverneur was gezonden, om ons de stad te laten zien. Hij stelde

voor, dat wij dadelijk met hem naar de tennisvelden zouden gaan, om

aan de heeren en dames van Foca te worden voorgesteld. Wij wezen op

onze verreisde kleeding en bedankten, geamuseerd bij het idee, dat

hier scheen te bestaan, dat Engelschen zooveel van tennis houden,

om terstond, als ze ergens komen, zich daarheen te spoeden. Meer

interesseerde ons de bazar of Carsija, die breede straten had en

soliede gebouwde winkels met roode pannen daken.

Wij keerden naar Serajewo terug in September, verdreven uit Palé

door den aanhoudenden regen. Op onze tochten in den omtrek stieten we

telkens op herinneringen aan de Bogumilen of Bogomilen, de christelijke

secte uit de tiende eeuw, die ook wel de Patareners wordt genoemd en

tot in de vijftiende eeuw zich op het Balkan-schiereiland en vooral

in Bosnië heeft uitgebreid. In het Lukavicadal, zeven mijlen van

Serajewo verwijderd, vindt men den grootsten Bogumilengedenksteen, die

in Bosnië nog aanwezig is. De weg erheen leidt langs het kerkhof der

spaansche joden en gaat door vruchtbaar land, waar kleine boerenhoeven

in het dal zijn verspreid. De groote gedenksteen was één van vele en

was, als de meeste van die grafmonumenten uit de oudheid in Bosnië,

van den weg af niet te zien en moeilijk te vinden. Het pad naar de

graven was telkens afgebroken en soms met hekken afgezet. Ook werden

de steenen nog door struikgewas voor het oog verborgen.

De grootste steen staat alleen en schijnt weinig beschadigd door den

tijd of door de menschen; hij is het volmaaktste voorbeeld in Bosnië

van een ongebeeldhouwden grafsteen van de Bogumilen. De rest van de

steenen liggen verspreid tusschen de struiken. Het zijn groote blokken

steen, zoo zwaar, dat men zich verwondert, hoe ze op hun plaats zijn

gebracht. Er is weinig bekend van de secte, wier graven verstrooid

liggen in afgelegen hoekjes van Bosnië en Herzegowina. De hoofden

van de gemeente, die door priesters werden geregeerd, werden djetts

of bisschoppen genoemd, die in macht met de lama's schenen overeen te

komen. Voor Engelschen en voor Protestanten in het algemeen hebben de

secte en haar monumenten een bijzondere belangrijkheid, want men zegt,

dat de Bogumilen in den tijd der vervolging over Ragusa en Genua naar

West-Europa uitweken en dat hun niet strenge leer den grond heeft

gelegd tot de hervorming of althans tot het geloof, waarvoor Huss

werd verbrand en waarvoor de ongelukkige Albigenzen en Waldenzen van

de aarde werden weggevaagd door de kerk van Rome.

Het was zeer koud, toen wij onze laatste toer in Bosnië maakten,

en er was veel sneeuw gevallen, die op de bergen bleef liggen en

die in de dalen en langs de wegen onder den invloed der zon in ijs

overging. Een ongewoon natte October en een vroege winter, die al in

November optrad, had veel van onze voorgenomen uitstapjes onmogelijk

gemaakt. We bezochten nog een oud klooster, zagen bij die gelegenheid

een prachtigen gebeeldhouwden Bogumilengrafsteen, maar besloten toen

tot de thuisreis, Serajewo achterlatend onder de sneeuw.

AANTEEKENING

[1] Wat sinds 1908 veranderd is. Bew.

IN DE BUURT VAN SOFIA.

De rechteroever van de Donau vertoont in Bulgarije een licht golvend

terras, dat door de van den Balkan komende Topolowitza in tweeën

wordt gescheiden. In die natuurlijke depressie ligt de stad Widdin,

oude hoofdstad van een turksch pasjalik, met een hier en daar in

puin liggenden muur en een doolhof van nauwe straatjes. De stad heeft

menig bombardement doorstaan, maar de citadel is nu niet anders dan

een kazerne. Een bonte menigte kan men in de straten van deze stad

waarnemen; Oosterlingen en Westerlingen van allerlei rang en stand, de

eersten met fez of tulband op het hoofd en de Slaven met de tsjoebara

of muts van zwart lamsvel. Mohammedaansche vrouwen dragen het gezicht

ten halve bedekt door een fijn wit sluiertje en naast haar ziet men

Bulgaarschen met de armen vol armbanden en de haarvlechten vol bloemen

en munten. Armeensche en joodsche wisselaars zitten kalm achter hun

glazen geldkastjes, die op aquaria gelijken en waarin ze bij wijze

van visschen hun goud en zilver laten zien.

Van Widdin gaat men veelal over Belogradsjik naar Sofia, Bulgarije's

hoofdstad, en de reis in een soort van victoria, met drie paarden

bespannen, is vol afwisseling. Eerst gaat het langs de Donau door

schaduwrijke wegen, dan laat men de rivier achter zich en rijdt door

een reeks van boschrijke dalen met slechts enkele armoedige dorpen. Het

stadje Belogradsjik ligt op de helling van eigenaardig gevormde

rotsgevaarten van rooden zandsteen, en menig beroemd Alpenlandschap

of beroemde plek in de Pyreneeën kan in schilderachtige schoonheid

niet wedijveren met deze rotswereld van Belogradsjik.

Over Dolnji-Lom, Prewala, Kowetitza draven de kleine, sterke paardjes

vlug over den steenachtigen weg langs velden, waar het drukste

landleven te zien is. Boeren zijn er aan den veldarbeid, of zijn

aan het dorschen met daarvoor speciaal bestemde pony's, maar dan

wordt het landschap dor en eentonig en doet aan sommige deelen van

Montenegro denken. Er volgen nog weer velden met koren en maïs en

kleine boschjes tot aan het stadje Berkowitza, waar veel nijverheid

is o. a. zijde-industrie.

Men moet op den weg naar Sofia Klisoera voorbij en over den Balkan

trekken. Het is op den pas koud en het waait er veelal hevig,

terwijl men, uit het gebied van de Ogost komend en dat van de Isker

betredend, een slechten ruil doet. Het landschap is ten zuiden van

het gebergte kaal en dor en men treft niet anders aan dan plateaux,

waar weinig groeit op den steenachtigen bodem, en eerst als men deze

Stara Planina voorbij is, doet zich de vlakte van Sofia voor. Daar

verheffen zich te midden van koren- en maïsvelden boerenhoeven in het

geboomte en aan het eind van een lange laan ligt de stad Sofia met

haar koepels en moskeeën, de torens van haar kathedraal en de breede,

goed onderhouden straten.

In de laatste jaren is Sofia zeer vooruitgegaan, en afgezien van de

terreinen even buiten de plaats, waar Armeniërs en Turken in schamele

houten huizen wonen, is het nu een flinke, vroolijke stad met steenen

huizen, waardige hoofdstad van een snel in ontwikkeling vorderend land.

Van de oude monumenten heeft Sofia niet anders overgehouden dan

een groote moskee met negen koepels, de Boejoek Djamié, nu in een

museum veranderd. Op de groote markt kruisen elkander de lijnen van de

electrische trams tegenover het paleis van den vorst van Bulgarije, een

mooi, modern gebouw. Het Grand Hotel is uitstekend ingericht en ligt

aan den schaduwrijken openbaren tuin, waar de beau monde van de stad

zich amuseert en de geheele bevolking goede muziek te hooren krijgt.

Noemenswaardige gebouwen zijn bij voorbeeld het Sobranjapaleis

en veel mooie huizen in de Tergowskastraat en de Rokowskalaan. Een

veelbewonderd monument is dat voor Alexander van Battenberg. Origineele

en typische tooneeltjes krijgt men te zien op de markt, als de

boeren of Sjops uit de vlakte van Sofia er hun verschijning maken

met hun groote mutsen van schaapsvel op het dikwijls tot een staart

gevlochten haar; hun vest zonder mouwen, waaronder ze een sierlijk

geborduurd hemd dragen en de wijde, bruine broek met banden onder de

knie en een gordel om het midden, voorzien van een mes in zijn scheede.

De boerinnen hebben aardige kousen aan van veelkleurige wol; donkere

japonnen met een roodwollen boezelaar met zwarte strepen en onder

het jakje een van voren en aan de polsen rijkgeborduurd hemd. In het

weelderige haar dragen ze munten of bloemen, penningen of linten,

terwijl ze druk doen aan armbanden, oorringen en ceintuurs met

schildjes van parelmoer of metaal.

In de onmiddellijke omgeving van Sofia valt niet veel te wandelen,

want de omringende vlakte is nog al kaal en eentonig, maar er gaan

veel wegen van de hoofdstad uit en zij worden in den laatsten tijd

met ijver verbeterd. Dat hangt samen met de automobielen, want sedert

vorst Ferdinand zich zulk een voertuig heeft aangeschaft, neemt de

belangstelling snel toe. Maar toch zal dat nieuwe wel niet dadelijk

de lichte victoria's overbodig maken, die als men er een aanroept,

bij twee- en drietallen komen aanvliegen in den vluggen draf van hun

kleine paardjes.

Wat verder van Sofia ligt Doebnitza op den weg naar Macedonië. De

toeristen maken daarheen gebruik van rijtuigen, met vier paarden

bespannen, waar veel bagage en proviand op kan worden meegenomen. Eerst

heeft men dan Sint-Jan van Rilo, dat men bereikt na eerst onder den

Vitosj langs te zijn gereden over Wali Effendi, Kniajevo, Wladaïa en

Boïana, waarbij de paarden wonderen van behendigheid vertoonen bij

het beklimmen van de zandige hellingen en niet minder bij het dalen.

Men laat op den weg naar Doebnitza den spoorweg naar Radomir rechts

liggen, rijdt eerst door koele, boschrijke dalen en daarna over kleine

en groote heuvels, waar het zonnig is, en waar riviertjes stroomen,

die van den Vitosj komen. Te Krapetz is de tijd gekomen, om eens

uit te blazen, en daarna krijgt men een reeks steenachtige kloven en

plantenarme terreinen, zoo dor, als de Causses in Midden-Frankrijk.

In de verte verrijst hier het Rilogebergte met zijn besneeuwde

toppen, en daarachter, het Rhodope-gebergte. Op de weinige bebouwde

velden arbeiden vrouwen, en haar kleine kinderen liggen rustig onder

een wilg te slapen. De bulgaarsche hans of herbergen bieden niet

veel bijzonders aan. Meestal hangt er een bloedend schaap voor de

deur en van binnen is het eenige vertrek alleen verlicht door de

vensters zonder ruiten; aan den eenen wand staat een lange houten

kist bij wijze van divan; een andere kist is toonbank, en in een

hoek staat een wijnvat, een paar flesschen, drie of vier glazen en

een weegschaal. Soms liggen op planken langs de muren stukken zeep

en allerlei kruidenierswaren, ook wel eieren en boter.

Intusschen moet ieder reiziger erop bedacht zijn, dat hij zelf voor

zijn mondvoorraad zorgt, als hij eenige eischen stelt, en in zoo'n

geval kan aan de houten kisten met een helder tafellaken bedekt,

een zeer goed maal uitstekend smaken.

Over de Koejawo Planina en de Werila Planina gaat het verder naar

Doebnitza, een stadje van zes of zeven duizend inwoners, dat een vrij

belangrijk middelpunt voor den graanhandel is, en waar de cultuur

van tabak ook zeer algemeen is. Maar primitief is het er nog. In

de eenige herberg moeten alle reizigers gebruik maken van dezelfde

waschgelegenheid, die op de binnenplaats te vinden is. De boeren uit

den omtrek vormen er vaak schilderachtige groepen.

Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 7 / 8 段