Een aanranding.
"Je kunt van avond niet verder gaan, vriend: het is al laat; 't
loopt naar elf uur; 't is buitengewoon donker en de weg is zeer
eenzaam; over een afstand van een uur gaans ongeveer staat er geen
enkel huis in de buurt -- en 't is er in den laatsten tijd
onveiliger dan ooit. Al een paar avonden achtereen heb ik hier in de
omgeving personen zien rondspoken, die 'k vooral in den laten avond
liever niet tot reisgezel hebben zou."
Zoo sprak de dikke, verstandige waard uit de herberg "De
Zonnebloem", welke herberg als een welkome pleisterplaats op een
eenzaam punt stond aan den straatweg van D. naar G. en verder naar
de Duitsche grens. Over dien weg had destijds een druk verkeer
plaats. De postbode van H. sprong daarover met één stijf en één
gezond been voort naar 't vier uur gaans verwijderde D. en keerde
nog dienzelfden namiddag en avond naar H. terug, beladen met brieven
en pakken en niet zelden ook met geldswaarden. Zoo deed hij alle
dagen.
Lange rijen zwaar beladen vrachtwagens werden er op vaste dagen en
avonden iedere week soms laat in den avond over voortgetrokken door
groote, bonkige paarden, met rinkelende bellen aan de tuigen. Onder
die wagens liepen groote, nijdige wachthonden, die een kwaadaardig
gebrom lieten hooren, zoo vaak er iemand voorbij kwam. De
voerlieden, meestal ruwe, gebaarde mannen, met een door wind en
weder gebruind gelaat, waren van wapens voorzien om in geval van
nood de brutale roovers weerstand te kunnen bieden, welke laatste
zich in de donkere bosschen aan weerszijden van den weg schuil
hielden van wie er sommige zelfs niet voor een moord terugdeinsden.
Onze tijd schiep ook in dit opzicht betere toestanden. Nu loopt de
spoortrein door de streek en brengt in weinig tijd personen en
goederen veilig naar de plaats van bestemming. De vrachtwagens zijn
grootendeels verdwenen, het verkeer over den straatweg heeft weinig
meer te beteekenen en de roovers moesten derhalve uitzien naar een
ander middel van bestaan.
"De weg is zeker eenzaam en op verschillende plaatsen zijn er aan
weerskanten groote bosschen, waarin roovers zich heel gemakkelijk
kunnen verschuilen, maar hetzelfde kan men zeggen van de meeste
wegen hier in de streek," antwoordde De Laat, -- want hij was het,
tot wien de waard zijn waarschuwing richtte.
"En" -- dus ging hij voort, -- "de onveiligheid op de wegen is ook
zoo groot niet meer, als men wel beweert. Geschiedenissen als die
van Hutten Klaas behooren voor goed tot het verleden.
Ik, die op alle uren van den avond en soms in den nacht onder weg
ben, heb tot nog toe altijd mijn reis kunnen vervolgen, zonder door
iemand gehinderd te worden. Waarom zou ik dan van avond juist gevaar
te duchten hebben?"
"Je sprak daar van Hutten Klaas," zei nu de kastelein nieuwsgierig.
"Dien naam heb ik meer gehoord. Wie was dat ook?"
"'k Zal u in 't kort vertellen, wat ik van hem weet," antwoordde de
zaadhandelaar.
"Omstreeks 1775 woonde in de Wienersteeg tusschen Delden en Goor de
zeventigjarige Klaas Annink, die men gewoonlijk Hutten Klaas noemde.
Zijn vrouw Aarne Aarnink was toen vier en vijftig jaar, hun zoon
Jannes was een en twintig en hun jongste, Gerrit, dertien jaar oud.
Klaas werd door de heele buurt en ver daar buiten gevreesd en
geschuwd. Men was te bang voor hem, om hem aan te klagen, zoodat hij
zijn schelmstukken ongestraft kon uitvoeren. Hij en zijn
huisgenooten stalen ganzen, eenden, kippen, boomvruchten, gevulde
bijenkorven enz.
Zekere Pompen Herman, zooals men hem noemde, een neef van Klaas'
vrouw, kwam dikwijls bij hen aan huis en maakte dan telkens weer
aanmerkingen op hun gedrag. "Als de politie er achter komt, wachten
jelui de vreeselijkste straffen," waarschuwde hij dan.
Ze werden bang, dat hij hen verraden zou en toen hij eens weer bij
hun haard zat, zonder eenig kwaad vermoeden te hebben, sloegen zij
hem dood. Zoo kon hij hen niet meer verklappen.
Op een keer traden twee slagers, de gebroeders De Leeuw, de onzalige
woning binnen om hun pijp aan te steken en te zien, of ze er
misschien ook een stuk vee zouden kunnen koopen.
Klaas merkte wel, dat ze een aardig sommetje geld bij zich hadden.
"Ik moet geld hebben om den hooikoop op Langenhorst te betalen,"
riep hij met schorre stem en liep ijlings naar de deel.
De twee bezoekers vreesden, dat hij vandaar het een of ander
moordtuig wilde gaan halen en vluchtten weg.
Zooals je weet, komen er nog telkens kooplieden, afkomstig uit het
Oldenburgsche, naar Drente, Twente en de Graafschap, om er allerlei
wollen goed: kousen, sokken, wanten enz. te verkoopen. Hun waar
dragen zij in een mars op den rug; ze bieden die te koop aan de
huizen en eveneens op jaarmarkten en kermissen.
Zulk een "Hozzenkramer" was ook zekere Willem Stint, die, wanneer
hij de markten te Goor en te Delden bezocht, telkens bij Hutten
Klaas zijn intrek nam. Dit deed hij ook, toen hij in 1775 van de
Goorsche wintermarkt huiswaarts keerde. Hij had een aardige som geld
bij zich. Het kamertje, waar hij logeerde, was naast de keuken. Toen
hij zich ter rust wilde begeven, hoorde hij een onheilspellend
gemompel tusschen Klaas en zijn vrouw. Hij kreeg daardoor argwaan en
bleef gekleed en met zijn stevige stok in de vuist geklemd afwachten
wat er gebeuren zou. En toen nu Klaas de deur opende om hem in den
slaap het leven te benemen, werd hij door Stins overmand. Maar door
't gerucht en geschreeuw, dat hierdoor ontstond, werden de beide
zoons gewekt en de oudste kwam zijn vader te hulp, terwijl de vrouw
die twee aanhitste. Eenige oogenblikken later was nu de ongelukkige
kramer een lijk.
De vader van dezen maakte er zich ongerust over, dat zijn zoon, die
altijd gewoon was om met Kerstmis thuis te zijn, zelfs
midden-Januari nog niet was teruggekeerd. Hij begaf zich derhalve op
reis om hem te zoeken. Op een Zondagmiddag kwam hij in Delden, juist
toen de kerk uitging. Tot zijn verbazing zag hij onder de
kerkgangers een persoon, die een broek aan had juist gelijk aan die
van zijn vermisten zoon.
Het was Hutten Klaas.
Hij deelde die ontdekking mede aan 't gerecht en dit gaf bevel om
Klaas en de zijnen te arresteeren. De vrees voor deze onmenschen was
echter zoo groot, dat niemand er zich toe leenen wilde om hen in hun
eigen huis te vatten.
Daar Klaas een trouw kerkganger was, werd de volgende Zondag
afgewacht. Toen posteerden zich zes stevige boschjagers aan de
kerkdeur en namen Klaas en Jannes gevangen.
Ook Aarne en Gerrit werden daarop in huis in verzekerde bewaring
genomen. De gevangenen werden van elkaar gescheiden, om geen
afspraken te kunnen houden. Zoo gelukte het, hen allen tot een
volledige bekentenis te brengen. Ze werden naar Oldenzaal gevoerd en
daar gekerkerd. In de Oudheidkamer aldaar bevindt zich nog de stoel,
waarop Klaas werd vastgezet. 't Is een houten leuningstoel, -- een
lomp meubel, -- met wijd uitstaande pooten om hem meer stevigheid te
geven. Aan de leuningen en de pooten zijn ijzeren banden bevestigd,
waarmee de moordenaar werd vastgezet. Klaas en Jannes werden
geradbraakt en Aarne aan een paal geworgd. De jongste, Gerrit, werd
met een schip den Oceaan opgestuurd, een middel dat eertijds veel
werd aangewend bij jeugdige personen, van wie men voor de toekomst
weinig goeds verwachtte."
"Nu, dat waren dan toch echte schurken!" zei de goedhartige waard
huiverend. "Maar als je meent, dat de rooverstroep, die hier bij
avond en ontijd gezien wordt, veel beter is, dan heb je het toch
mis. Ik verzeker je, dat je 't niet in je hoofd zoudt krijgen om van
avond de reis te vervolgen, als je hun boeventronies gezien hadt.
Die kerels staan nergens voor en zouden ook niet voor een moord
terugdeinzen.
En de politie staat tegenover die bandieten vrijwel machteloos. 't
Moet al een groote plaats zijn, waar men meer dan één veldwachter
heeft en die blijft natuurlijk, als hij eenigszins kan, bij avond en
nacht in 't dorp waar hij thuis hoort, wat hem ook niet kwalijk te
nemen is. Ik zou in zijn geval niet anders handelen: het hemd is
nader dan de rok. Buiten de bewoonde plaatsen is 't niet veilig. Nog
de vorige week is de slager Simons een goede tien minuten gaans van
hier staande gehouden door een persoon, die hem op een brutalen toon
vroeg, hoe laat het was. Maar Simons is een reus van een vent. Hij
zwaaide den aanrander met zijn geducht slagersmes vlak voor 't
gezicht heen en riep dreigend: "Zoo laat is 't!" en de boef uitte
een kreet van ontzetting en vluchtte als een bloode haas het hout
in."
"'t Zou al een stoere vent moeten zijn, die mij den baas werd!"
sprak de zaadhandelaar bedaard en hij toonde zijn dikken stok met
looden knop. "En als 't op een snijpartij mocht uitloopen," hervatte
hij, "dan kan ik ook wel mijn man staan!"
Dit zeggende haalde hij uit een broekzak een vervaarlijk schedemes
te voorschijn. "Je ziet, ik ben op een nachtelijke ontmoeting met
dat rooversgespuis voorbereid en zal 't er maar op wagen. 'k Zou
morgen gaarne bijtijds weer in huis terug zijn om er de zaken te
regelen."
Hij betaalde de vertering en nam afscheid.
De waard sloot de deur achter hem dicht en blies het licht uit.
Zoo stond hij dan geheel alleen te midden van een oneindige, in
nachtelijk donker gehulde ruimte.
't Was er angstwekkend stil. Geen vogel zong.
Alleen 't schor geblaf van een wachthond op een verwijderd boerenerf
verbrak bij poozen 't algemeen zwijgen.
Zoo stil en snel mogelijk poogde hij voort te gaan, maar tot zijn
spijt kwam 't hem voor, of zijn voetstappen op de steenen nu veel
meer gerucht maakten dan anders.
Toch achtte hij 't veiliger het midden van de straat te houden, dan
er nevens te gaan over den graszoom, waar hij door iemand, die in 't
hout verborgen op hem loerde, onverhoeds kon worden overvallen.
Hij stapte een goede tien minuten vlug voort en lette onderwijl
scherp op alles, wat er om hem heen bespeurd werd. Zoo bereikte hij
't punt, waar de weg tusschen dichte dennenbosschen voortloopt. Hier
was 't erg donker, maar de oogen van De Laat waren daaraan gewoon
geraakt. Een eenzamer plek was er echter moeilijk te bedenken. Niet
alleen zijn voetstappen maar zelfs zijn kleeren maakten nu, naar hij
zich verbeeldde, een verwonderlijk groot gerucht.
Nog niet lang was hij zoo voortgegaan, toen hij eensklaps ter zijde
van den weg eenig gerucht hoorde, dat hem uiterst verdacht voorkwam.
Starend keek hij in die richting en zag nu uit het hout een persoon
te voorschijn treden en regelrecht op hem aankomen. "Goeien avond!"
zeide hij barsch.
"Ook goeien avond!" zei De Laat zoo mogelijk nog barscher en stapte
voort.
Doch de ander trad hem op zijde en vroeg: "Waar gaat dat zoo laat in
den avond nog naar toe, vriend?"
"Naar huis, man! -- Waarom vraag je dat zoo?"
"Ja, zie je, 'k moet je in dat geval waarschuwen! 't Is hier in de
streek verschrikkelijk onveilig. En je hebt, als ik me niet vergis,
een aardig sommetje geld bij je. Geef mij dat zoolang in bewaring:
ik ken hier den weg en zal zorgen, dat het me niet afhandig gemaakt
wordt!"
"Maak je maar niet ongerust: ik kan er zelf wel voor zorgen en 'k
zal het doen ook, wees daar zeker van!"
"Dat kunt ge niet!" verzekerde de ander.
"Probeeren is 't naaste!" zei De Laat met een forsche stem. "Hier
is mijn geld! We willen er om vechten!"
Hij wierp den zak, gevuld met rinkelende geldstukken, vóór zich op
straat.
De ander bukte om dien te grijpen en er zich dan snel mee uit de
voeten te maken, doch De Laat zwaaide nu zijn geduchten stok, zoodat
die gonsde door de lucht en met een doffen slag op 't hoofd van den
aanrander neerkwam. Deze zakte in de knieën en viel daarop kreunend
met een smak op de straatsteenen.
De Laat greep weer zijn zak met geld en snelde terug, overtuigd dat
zijn leven afhing van den spoed, dien hij maakte.
In ijlende vaart voorthollend, hoorde hij van verschillende kanten
een doordringend gefluit, dat hem weinig goeds voorspelde. Gelukkig
bereikte hij weer de uitspanning, die hij kort geleden verlaten had.
Hij klopte er aan en riep dringend: "Doe in 's hemels naam vlug
open!"
De waard was blijkbaar op dezen afloop bedacht geweest.
Oogenblikkelijk opende hij de deur en sloot die terstond weer achter
hem dicht.
"We steken geen licht aan; we blijven hier in 't duister bij elkaar
zitten, in afwachting van wat er verder gebeuren zal," zeide hij.
Nog nauwelijks waren ze gezeten, of ze hoorden daar buiten een
geloop en gedraaf als van een troep jonge veulens.
Er volgde een bonzend kloppen op de deur en toen riep er één met een
grove stem op een kommandotoon:
"Kastelein, doe gauw open! We moeten er in!"
"Hei daar! -- Wie maakt daar in 't holle van den nacht zoo'n helsch
leven?" riep de waard met een stem, alsof hij geducht boos was,
omdat men hem uit zijn eersten slaap had doen opschrikken.
"Goed volk! Doe maar gauw open!" riep de stem van buiten terug.
"Jelui hadden maar vroeg moeten komen. Bij nacht laat ik niemand
binnen: ik heb ook tijd om te slapen noodig."
"Kom, maak maar geen uitvluchten: je herbergt een koopman en dien
moeten we noodzakelijk spreken!"
"Jelui hebben abuis. Een drie kwartier geleden is hier wel een
koopman geweest, maar die is, na 't noodige gebruikt te hebben, weer
verder gereisd. 'k Heb toen terstond het licht uitgebluscht en ben
onder de dekens gekropen en ben ook niet van plan voor morgenvroeg
weer op te staan. 't Is voor mij en mijn huisgenooten vandaag zwaar
werken geweest!"
Er volgde een gemompel van dreigende stemmen, met nu en dan een
ruwen vloek of een ijselijke verwensching er tusschen.
Maar welhaast dropen ze af, om in de buurt naar den vluchteling te
zoeken.