't Was een mooie morgen in 't begin van Mei.
De lucht was heerlijk blauw.
Aan den horizont zweefde een blauwachtigen nevel, terwijl millioenen
schitterende dauwdroppels als paarlen langs de randen der bladeren
van boomen en grassen als gerist zaten.
De vogels zongen.
Het water der beek, echt landelijk in 't loover verscholen, ruischte
kabbelend tusschen met bloemen getooide oevers voorbij.
De vruchtboomen op de boerenerven aan weerszijden van den landweg
stonden in vollen bloei. Bosch-anemonen bloeiden onder 't hout;
slooten en plassen waren bedekt met wateranemonen.
De popels, berken en beukeboomen prijkten met lichtgroene loovers.
Een frissche koelte blies uit het Zuiden.
In zijn blauwen kiel gedost, met zijn gevulden groenen reiszak op
den rug en steunend op zijn dikken eikenhouten stok met looden knop,
stapte De Laat bedaard voort als iemand, die zich nooit overhaast en
niettemin steeds op tijd komt, waar hij wezen moet.
Even buiten 't dorp voerde 't pad hem over een hoogen kamp land, die
voor 't grootste deel was bezet met groene rogge. Hier poosde hij
even en wierp een terugblik op het dorpje met zijn lage huizen, die
als wegschuilden achter bloeiende vruchtboomen en naar de kerk met
haar slanken toren. De vergulde haan op de spits fonkelde in de zon.
Uit de meeste schoorsteenen, ook uit dien van zijn eigen woning,
steeg de rook zoo recht gezellig omhoog en vervloeide in 't zonnig
blauw der lucht. Daar zaten zijn lieve vrouw en zijn zoontje nu hun
morgenmaal te gebruiken.
't Kostte hem blijkbaar moeite om zijn weg te vervolgen, die hem
gedurig verder van zijn geliefden verwijderen zou.
Maar welhaast spoedde hij weer voort.
Na eenige minuten te zijn doorgestapt lag de groote heide voor hem.
Meeuwen vlogen heen en weer tusschen de beek en een naburigen plas,
groot en diep, aan den kant met biezen begroeid en die daarom "de
Biezenkolk" heet.
Al voortgaande over den met wagensporen doorgroefden en verder met
heidekruit bezetten weg, scheerden op eenigen afstand de kieviten
angstig roepend in wijde kringen rond.
Onze eenzame wandelaar, gewoon om het natuurleven op te merken,
verwonderde zich over de drukte van die vogels en over hun angstig
geroep, waarvan hij de reden niet begreep. Toen hij echter een dicht
boschje van jonge dennen nevens den weg bereikt had, werd hem
eensklaps het geval duidelijk. Tegen den rand van de droge sloot
toch zat de hem zoo welbekende beruchte strooper Teunis Vlak. Zijn
zwarte haardos hing in slordige wissen om zijn hoofd en zijn
stoppelbaard, die in de laatste week niet geschoren was, maakte zijn
bol gezicht vooral niet aantrekkelijker. Zijn glurende oogen keken
spiedend rond. Hij had zijn rustplaats zóó genomen, dat hij den weg
aan weerszijden tot op een grooten afstand kon overzien.
Toen de zaadhandelaar tegenover hem voorbijging, vertrok zijn gelaat
zich tot een leelijken grijns en wenschte hij hem met schorre stem
een goeden morgen.
Naast hem lag zijn ruwe pelsmuts, half gevuld met kievitseiers, die
hij gevonden had en in 't dorp voor een goeden prijs kon verkoopen.
De Laat groette beleefd terug en vergrootte zijn regelmatige passen,
om zoo gauw mogelijk uit de nabijheid van den strooper weg te komen.
Het zien van dezen alleen reeds had hem zijn voorjaarsstemming doen
verliezen. "Wat is hij toch een ongelukkig mensch!" dacht De Laat
onder 't voortgaan. "Niemand houdt van hem; de menschen schuwen hem.
Zijn hut is haast onbewoonbaar en hij huist er geheel alleen. Geen
wonder, dat hij de nachten vaak doorbrengt in een schuur, een hooi-
of zaadberg of iets van dien aard, waar hij tegen wind en weer
beschut is. 't Is een beklagenswaardig mensch. En in dien toestand
is hij geraakt, doordien zijn moeder, toen hij nog een kind was, van
armoede en verdriet is gestorven. Zijn vader was een ergerlijk
dronkaard, die hem meestal aan zijn lot overliet, ja hem in zijn
vlagen van woede, als hij beschonken thuis kwam, wel eens bont en
blauw sloeg. Met bedelen en stelen moest hij gewoonlijk zijn kostje
opscharrelen. Schoolgaan deed hij niet, werken leerde hij evenmin.
En nadat zijn vader op een avond in den Molenkolk verdronk, is de
zoon, op zijn voorbeeld, aan 't zwerven en stroopen geraakt en 't
zou me niet verwonderen of hij heeft ook de diefstallen gepleegd,
waarvan de dader onbekend gebleven is, want nadat er zulk een
diefstal had plaats gehad, was hij de daarop volgende dagen dronken
en had hij geld op zak."
Terwijl De Laat, zoo denkende, zijn weg vervolgde, werd hij door den
vagebond in de sloot nagegluurd. Deze mompelde:
"Dat heerschap laat de boeren ook maar zwoegen. Hij heeft ook,
evenals ik, aan 't werken een broertje dood: daarin zijn wij tweeën
precies gelijk. Maar overigens: wat een verschil! Hij heeft een echt
gezellig thuis, een aardige vrouw en een flinken jongen. Hij zal ook
zoo nu en dan wel een bom duiten thuis brengen, want hij drijft
handel, zooals ze dat soort van leegloopen believen te noemen. En
als ik doodmoe in mijn rooknest van een hut terugkom, is de haard
koud en alles is er koud en doodsch. 'k Ben ook daar, evenals
overal, geheel alleen. Die leeglooper daar, met zijn groenen zak op
den rug, wordt door ieder geacht. lk word door iedereen geschuwd.
Hij is overal welkom, maar als ze mij ergens zien aankomen, hitsen
ze den wachthond op mij aan.
Mij loopt ook alles tegen.
Toen ik op dien avond, dat ze visite hadden, brand stichtte op de
deel en van de verwarring wilde gebruik maken om 't geld, dat hij
den boeren moest betalen, stilletjes in te palmen en zóó uit de
zorgen te raken, stond er een stevige boer met een geladen pistool
mij op te wachten.
Nu is hij zeker op weg naar de voorjaarsmarkt te D. Die wordt
overmorgen gehouden en daar kan hij zijn zaden voor een goeden prijs
verkoopen. Dan begint hij allicht nog denzelfden middag de
terugreis. 't Wordt wel middernacht, eer hij thuis is. De vent is
niet bang, want de weg, dien hij bij donkeren avond over moet, is
erg eenzaam en gevaarlijk ook, vooral voor een man alleen, die hem
met een gevulden buidel passeeren moet.
'k Heb daar in de buurt nog een paar "gezworen kameraden", met wie
'k vroeger al voordeelige zaken gedaan heb. De Laat, -- zegt men,
-- is een man van zaken. Welnu: ik heb grooten lust, om ook eens
zaken met hem te doen. Maar alleen gaat het niet, want hij is
stellig niet voor een klein gerucht vervaard. Doch met ons drieën
zou 't wel gaan! Ja, ja, 't zou wel gaan!"
Vlugger dan men dit van zulk een log persoon zou gedacht hebben,
sprong hij nu overeind, vatte voorzichtig de muts met de eieren met
beide handen vast, werkte zich behoedzaam tegen den slootkant omhoog
en stapte toen haastig den weg op naar 't dorp.