Uit François Valentijn se „Beschryving van de Kaap” [137].
In ’t jaar 1692, tusschen den 4 en 5den Juni verloor de E. Maatschappy
hier door de N.W. wind de twee schoone retourschepen Hoogergeest en de
Goede Hoop [138]. Na dat de vloot hier een maand gelegen had, onstond
’er ’s nachts een swaar onweder, zoo dat de baaren, door de woedende
winden aangezet, en als tot aan den hemel opstuivende, met de duistere
lugt maar een en de zelve stoffe scheenen uit te maaken.
Na dat de meeste schepen, en ook deze twee, van haare ankers gespoelt
waren, ontdoken wel eenige nog het zigtbaar gevaar; maar de twee
voornoemde raakten ten eersten tegen de klippen aan, en ’t volk daar
door in den hoogsten nood van in korten tijd, zoo de Heere niet veelen
daar van op een wonderbaarlyke wyze gered had, te zullen vergaan, waar
ontrent zich een geval opdeed, dat waardig is om zyne zeltzaamheid hier
aangeteekent te worden, aangezien men weinig voorbeelden daarvan ergens
vinden zal, te weten, van eenen Jochem Willemszoon van Amsterdam, een
matroos in dienst, doch voor die tyd op ’t schip Spierdyk het ampt van
quartiermeester waarnemende. Deze borst met de schuit aan de wal zynde,
wiert hem, wegens ’t onstuimig weer door zyn schipper Sievert de Jong
belast aan land te blyven en de schuit maar wel te bezorgen; maar
aangezien de branding hoe langer hoe hooger begon te gaan, oordeelden
die genen, die op de schuiten pasten, best, alzoo de meeste schuiten
aan de wal waren, die op ’t strand te haalen, vermits zy anders in
flarden stonden geslagen te worden. Zes of zeven boots, door de swaare
zeên van de schepen afgeslagen, en van welke het volk aanstonts
verdronk, wierden niet verre van ’t Fort aan de Oostkant van ’t hoofd
geslingert en daar nog meest, hoewel vry deerlyk gehavent, geborgen.
Terwyl nu de wind hoe langer hoe meer toenam, en de zee zich hemelhoog
verhefte, verdronken ’er ’s morgens ’er aan tusschen 10 en 11 uuren
verscheide menschen zoo van deze 2 schepen, als van ’t Engelsch schip
Orange, die, om zich te redden, in zee gesprongen waren, en hoope
hadden van al swemmende het land te zullen krygen, hoewel hen dit
elendig ontschoot.
Jochem Willemszoon zoo veele van zyn spitsbroeders in dien grooten
nood, en hen egter zoo na by de wal ziende, nam, hier door ten
uitersten getroffen, een besluit, waarover men ten hoogsten moet
verbaast staan. Hy bond een loodlyn, van ’t Engelsch gestrand schip
bekomen, met een weergadelooze moedigheid om zyn lyf, gaf ’t eind ’er
af aan eenige matroozen, om ’t wel vast te houden, sprong toen met
groote onverzaagtheid in ’t midden van de branding, swom na de
erbarmelyke drenkelingen van ’t schip Hoogergeest en nam den eenen voor
en den anderen na, by de armen, by ’t hair en daar hy ze maar vatten
kon en sleepte hen met een groote hartvogtigheid [139] door de baaren
na land, en zoo heeft hy ’er toen veelen gered; maar om ze op die wyze
allen te behouden, was volslagen onmogelyk.
Ontrent 300 man zagen dit droevig schouwspel met schreijende oogen aan;
doch geen van hen had moed om na ’t schip Hoogergeest te swemmen ten
einde daar verder een middel tot berging van zoo veel beklemde zielen
uit te vinden; waar op dan deze Jochem Willemszoon, door N. Verhulst,
schipper op Waterland, zonderling hier toe aangezet, een besluit nam,
om zyn leven, tot redding van zyn medebroeders, nog op een andere wyze
te wagen.
Hy trok al zyn kleederen, op een blaauw hemd en een blaauwe laakenze
hemdrok na, uit, swom met die loodlyn om zyn lyf door die hemelhooge
branding, onder welke hy menigmaal nederdook, heenen en quam, na veel
gevaar, eindelyk aan ’t schip Hoogergeest, dat nu geheel op de zyde en
vol zand en water geslagen was, alzo die gruwelyke zee ’er geduurig met
afgrysselyk geweld en geklots op aanrolde, terwyl het volk, dat die
bergen van zeên aankomen, en in de hut op een gepropt, alle oogenblik
onder een naar gejammer en geklag, waar van de bergen weergalmden, de
dood te gemoet zag; maar zoo haast de derdewaak [140], N. Swaar, dien
dapperen Jochem met zoo veel moed door die verschrikkelyke baaren als
een zeeleeuw heenen worstelen, en by hun schip, dus tot hunne redding
opborlen, zag, vloog hy, die gereet stont om anders in zee te springen,
met de traanen in de oogen zynen beschermengel om den hals, en riep van
blydschap als opgenomen, tot zyn andere ter dood daar beklemt zittende
medebroeders: „Mannen, gryp moed, God dank, nu zyn wy behouden.”
Jochem, ondertusschen geen oogenblik tyds willende verliezen, zei tegen
dezen stuurman, die maar een chitze rok aanhad en verder naakt was:
„Gaat heenen, neemt de trap van ’t half dek, bind die aan de loodlyn,
en met eenen een touw van boord af, om daar door zoo veel menschen als
’t mogelyk is, over en na land te slepen.” Men kon maar twee menschen
gelyk dus overhaalen, en zoo wierden er ook maar twee togten met de
zelve gedaan, terwyl de vermoeide en te veel afgematte Jochem
Willemszoon aan boord wat uitruste.
Ondertusschen maakte men aan strand een vlot van de afgeslagene planken
en balken der schepen, die men met een loodlyn vast aan een sorde
[141], waar op men ’er 4 of 5 te gelyk met een bras [142] door de
branding heenen rukte; maar terwyl men aan land bezig was met dit vlot
klaar te maaken, begeeft Jochem, onverduldig om zelf te zien hoe de
zaaken tot redding van zyne medebroeders verder aangelegt wierden, zich
wederom (doch nu zonder touw of lyn) in die woedende zee, een stoutheid
die hem byna het leven zou gekost hebben; want na dat hy ontrent halver
weg tusschen ’t schip en ’t land gekomen was, bevont hy zich door ’t
geweld der branding zoodanig afgemat, dat hy, niet tegenstaande zyn
groote kloekmoedigheid, zich egter genoodzaakt vont, ettelyke maalen om
hulp en ontzet te schreeuwen, zonder dat yemant van alle die daar
stonden, de hartvogtigheid had van hem, hoe zeer zy daar toe genegen
waren, de behulpzaame hand te bieden, alzoo zy vreesden hun leven daar
by in een zeker doodsgevaar te stellen.
Hy dan vernemende, dat al zyn schreeuwen om hulp te vergeefs was, en
dat hy zich zelven redden moest, spande daar op met een weergadelooze
onvertzaagtheid alle zyne kragten in, verdubbelde zynen yver, en vergde
in dien hoogen nood zyn armen en beenen meer, dan zy anders verrigt
zouden hebben, waar door hy eindelyk de grond onder zyn voeten kreeg en
in staat was om daar, staande tot aan de borst in zee, zynen adem wat
te konnen haalen, om daar na dan verder na land te swemmen.
Dit waren wel zyne gedagten, maar ondertusschen wiert hy door een
swaare baar, die hy niet ontduiken kon, van zynen grond afgeslagen. Hy,
hier door niet verzet, spande weder al zyn vermogen in en kreeg
andermaal weder grond onder zyn voeten; maar wiert nog eens daar van
geslagen, waar op hy, ziende nu door die branding niet te zullen komen,
een besluit nam om weer na ’t schip te swemmen, dat hem eindelyk na
veel moeite en gevaar gelukte, alwaar hy zich eenige tijd onder de
fokkerust hielt, en daar na weer op het schip geraakte, van waar hy,
nevens drie anderen, byna laatste van allen, met het vlot aan land
gehaalt is.
De Heer Gouverneur Simon van der Stel die het dapper bedrijf van dezen
zeeheld, met de uiterste verwondering en beweging en met groote
bekommering voor hem, aangezien had, smeet hem, zoo als hy aan land
quam zyn eigen rok toe, en gaf ordre, dat men alles tot behoudenis van
dien dapperen man aanwenden zou [143]. Ook gaf hy by zyn vertrek, na
dat hy herstelt was, hem nog deze volgende loffelyke getuigenis mede,
op dat ook de Heeren Bewindhebberen hem na verdienste beloonen en een
hooger bediening geven mogten.
EXTRACT UIT DE ORIGINELE MISSIVE DOOR DEN GOUVERNEUR SIMON VAN DER STEL
EN DEN RAAD AAN CABO DE BONNE ESPERANCE AAN DE HEEREN ZEVENTHIENEN IN
DATO DEN 22STEN JUNI 1692 GEZONDEN.
Het droevigst van allen was zoo veel zielen in ’t uiterste gevaar
haares levens te zien en hun jammerlyk kermen te hooren, zonder dat men
eenig middel tot hunne behoudenis uitvinden kon, tot dat eindelyk
Jochem Willemszoon, van Amsterdam, matroos quartiermeesters dienst
doende op ’t schip Spierdyk, zich aanbood om met een touw om het lyf
door de branding en aan boord te swemmen, ’t welk hem ook gelukte en
door middel van een vlot en zyn medegebragt touw over en weder
getrokken, de meeste part der menschen uit een gewisse dood te redden.
Wy konnen niet ledig staan deze trouwhertige daad zoo kloekmoedig als
gelukkig in ons aanzien t’ onzer aller verwondering uitgevoert, UEd.
Hoog. Agtb. mits dezen eerbiedig voor te dragen, met ootmoedig verzoek
haare goede geliefte zy den zelven in tyd en wyle, als gestrekt
hebbende tot behoudenis van veel Compagnies dienaaren, te willen [144].