Wanneer Fiscaal aan de Caap van Goede Hoope was is ’t voorgevallen dat
vijf vrij-borgers, met namen Hendrik Tieleman [113] (die Burgermeester
van het vlekje onder ’s Compagnies kasteel gelegen was geweest), Hans
Ras [114], de jonge Mostaart (wiens broeder [115] doenmaels regeerend
Burgermeester was), benevens noch drie anderen, welkers naamen my voor
tegenwoordig niet komen in gedagte te schieten; de vyf geseide borgers
waren met den anderen in Compagnie met twee wagens ende vier paerden,
beneffens mondkost voor twee of drie weken gereden naar de Groote
Revier, omme aldaar (gelijk meermalen gedaan werd) zee-koeyen so om te
verkoopen, als voor eige provisie te schieten [116], wanneer aldaar
door een, grote trop Garachouquas, anders Gonjemans [117] door de
wandelingh by de onse genoemd, met welke doemaels die van de
Oost-Indische Compagnie in oorlogh leefden, onverwacht overvallen
wierden; dese roovers ontsetteden aldereerst dese vrijluiden haar
geweer, paarden en de wagens, haar persoonen daar naar mede besettende;
maar de voornoemde Mostaart, die te paard beneffens de wagens was komen
rijden, ontvluchte haar moordadige handen; de andere vier so met
hasegayen als met kirrien (by haar sogenoemd, dat doorne stokken sijn)
op het jammerlijckst om halsraackten, welke droevighe tijdingh aan het
Fort of Kasteel door den ontvluchten gebracht wierd [118].
Weinig tijd daar na wierden vier van dese moordenaars door
Hottentotten, dat haare vijanden ende onse vrienden waren op een
Sondaghen morgen [119] als gevangenen voor den Heer Ysbrand Goske, die
doenmaals goeverneur van het Caapsche Territoir was, gebracht, die my
aanstonds daarop liet by sijn Ed. ontbieden, met eenen my aendienende,
dat sy Hottentotten die haar gevangen gebracht hadden, versochten in
ons by wesen daar selfs op haar manier straf over te doen—of ook yetwes
als fiscaal daar tegens hadde, waar op seide van harten blijden te
wesen van de moeite van verdere proceduren ontslagen te sijn ende mede
seer gaarne wilde aanschouwen, hoedanig die natie met soodanige
moordenaars te werk souden gaan [120].
Wy dierhalven met de andere Raeds-Persoonen, op het hoorn-werk [121]
boven de poort, daar doenmaels de luitenant Koon [122] woonde, sagen
met gemak beneden op het strand recht voor de poort dese vier quanten
om hals brengen, dat op dese manier aangevangen wierd.
Wel twee op drie honderd [123] van die Hottentotten die haar gevangen
hadden, waren altemael versien met so een doorne stok of kirry, omtrent
een duim dik en vier of vijf voet lang, sijnde alle moeder-naakt
uit-gesondert een klein velletje een voet omtrent in ’t vierkant dat
voor haar schamelheid hingh een Cha-karos by haar genoemd, gelijk ook
de geseide vier gevangenen mede toe-gedost waren uit-gesonderd de
kirry. Sy dan sprongen en dansten met een groot gefleuit ende
geschuifel, musicaalsgewyse, ’t welk een soete ende aangename harmonie
maakte, in een ronde kringh rondom dese patienten die tusschen beiden
als ter dood verwesen, bitterlyk stonden te weenen.
Weinigh tijd daar naar, om meerder wraak te nemen van de vermoorde
borgers, sond de heer Goeverneur vijftigh Compagnies dienaren met
snaphanen voorsien onder ’t geleide van den Vaandrager Krose, beneffens
eenighe vrywillige borgers te paarde [124] onder ’t gheleide van haar
hopman en borgemeester Elbert Diemer [125] te landewaart in,
vergesellschapt met de voornoemde Hottentots kapiteinen met haar
volkje, die voor gidsen en naderhand voor vee of roof-aan-drijvers
dienden (want tot het vechten dienden sy weinigh) welke gesamentlijk
(sijnde maar een vryman op dien veld-tocht gequetst geworden [126])
meteen roof ende beuit van omtrent acht duisend stuks vee [127] naar
vier wekens uitblijvens, aan-quamen, vertoonende van verre het
aangenaamste gesicht van de wereld, het vee wel twee ueren in ’t ronde
sich verspreidende, daar de victorieuse borgers ende soldaten mede
aenquamen setten, by naar gelijkende in ’t verschiet een ontmoetingh
van Jacob ende Esau met alle haare runderen ende schapen of wel een
Turksche Kachel of Caravane, wesende het beestiaal spiegel glat van
vettigheid, daar doen een rijkelijke uitdeelingh, soo aan de borgers
als Hottentotten gedaan wierd, de rest de Compagnie voor sich
behoudende.
Naar eenige tijd als gesecht gedanst ende gefleuit te hebben, sprongen
de kapiteinen Klaas [128], Kuiper [129], Schacher [130], Houtebeen
[131], met een noch een Hottentots kapitein [132] in ’t midden van de
kring met haar kirryen in de vuist, die aanstonds van de andere
meenichte op gelijke wijs gevolghd wierden en tijden [133] geen
kleintje op de bloote armen, dyen, billen, schouderen, scheenen ende
kuiten aan ’t beuken (hoofd en borst wierden onder ’t slaan
verschoond,) so dat in ’t korte die miserabile menschen haar lichamen
met die harde stokjes so murw en week als pap geslagen wierden en door
die onmenschelyke pijnen voor dood onder de voet vielen, wanneer weder
op het wenken van de voorgemelte kapiteinen sy gelijker hand aflieten
en sy wederom als vooren aan ’t dansen fleuiten, schreeuwen en
schuifelen geraakten tot dat die vier half doode patienten wederom over
einde resen, naar dat een quartier uirs ongemoeid ende sonder slagen
haar adem hadden gehaald, weder ’t eenemaal bekomen waren ende flux op
haar kooten [134] stonden; keken tusschen beiden haare vyanden ende met
eenen beulen al schreyende seer droevig aan, die sonder genade op het
gegeve teiken van kapitein Klaas (die wel de wakkerste, verstandigste
en dapperste kapitein onder haar was) gelijkelijk op de voorgaande
wijse weder aan vielen, soo lange weder op die taaye huiden beukende,
tot als vooren voor dood weder in ’t voetsand raakten, sonder dat in al
dat slaan het alderminste bloed gestort was, slimmer als yemand die met
aals-vellen [135] vol heet zand gebeukt werd; dit danssen, fleuiten en
slaan tot verscheide reisen omtrent derd’half uer geduerd hebbende,
wierd door den Heer Gouverneur (die dat barbarisch en over wreet
schouw-spel al moede was) belast wat kort met haar om te gaan en die
elendige menschen voort aan een kant te helpen; daarop dan aanstonds
gelijkelijk, soo op het hoofd, als borst buik ende mannelijkheid so
vehement en buiten gemeen wreet aan vielen, dat in ’t korte niet alleen
onder de voet, maar geheel dood raakten. Werdende doemaals de lijken,
door ordres ende bevel van den opgemelten Heer goeverneur, by de beenen
aan een gebonden en met een sloep in ’t midden van de Tafel-baay
geroeid ende gesleept, alwaar met een groot gewicht keyen daar
aangebonden van de schuit wierden los gesneden ende also te gronde
gedompeld [136].