24 April, Ao 1652.—De wind westelijk met redelijk weer, zijn wij met al
onze bagagie en familie na land gevaren, om aldaar te blijven in een
loose planken tent, bij provisie wat rouw opgeslagen, opdat het werk
wat beter mogte voortgaan [91]. Dezen voorleden nacht had het volk aan
land een groote zeekoe gevangen, wel zoo zwaar als twee gemeene vette
ossen, hebbende een zeer afgrijslijk monstreus hoofd en verscheide
scherpe uitstekende tanden, waarvan de langste ⅞ el lang waren, met een
korte hals en lage beenen, de voeten bijna van fatsoen als rhinoceros
voeten, edoch gekliefd in vier partijen. Was zeer fel en wreed, en
hadden genoeg te doen om te bedwingen, onaangezien met eenige kogels
agter de ooren door het hoofd getroffen was, wesende de huid wel een
duim dik en zoo hard, dat op sommige plaatsen geen musketkogel door
konde geschoten worden: des hem regt voor in het hoofd lieten dood
schieten, en het volk eten, alzoo het van goeden smaak was, loopende de
melk uit de uyeren.
3 November, 1654.—Heden heeft ons wiltschut, op ’t versoeck van de
Hottentoos, een leeuw doodschooten, wel soo groot als een redelijk
koebeest, welcke onder de Hottentoos haer beesten was, sigh verborgen
hebbende achter ende in eenige bossjens, ende oock een van de
Hottentoos seer deerlijck met de claeuwen gequetst, die geen raedt
wetende denselve om te brengen, schoon sij met hunne hasegaijen ende al
de koebeesten hem hadden omsingelt, onsen wildschut omtrent haer
vernemende, hadden versocht denselven doodt te schieten, gelijck hij
met sijn snaphaen seer geluckelijck in d’ eerste schoot effectueerde,
tot groote verwonderingh van de gemelte Hottentoos, dat soo fellen
beest met een schoot soo strack ter neder gevelt wierd, ende ingevolge
oock tot niet minder verschrickinge ende vreese voor ons schietgeweer.
8 Januario, Ao 1655.—Fray weer ende wint als voren. Quam ons een van de
soutgarders aendienen, dat sij in de soutpannen een renocheros hadden
geschoten, die noch levendigh was ende soo diep in de modder van de
soutpannen gesoncken lagh, datter niet coste uytcomen; derhalven wij
uyt curieusheydt eens derwaerts (omtrent 4 à 5 mijlen van hier) gingen
om te sien, daer hem noch levendigh vonden, ende voorts lieten doot
schieten: maer in gevalle op harde grond had geweest souden hem weynich
of niet hebben cunnen schaden met schieten, alsoo meer als honderd
schoten had eer hem doot cregen, stuytende veele cogels op ’t lijff
weder aff, principalijck op sijn sijde, daer wij met bijlen een stuck
lieten uithouwen ende alsdoen tusschen de ribben in ’t ingewant schoten
ende alsoo doot cregen [92].
Junius, Ao 1655.—Primo do. ’s Morgens goet weer ende wint Westelijck.
Verleden nacht hadde weder een lupert [93] in ’t hoenderhuys geweest,
door versuym van den hoenderwachter, welcke ’t gat onder aen de deur,
daer de hoenders uyt- en ingaen, hadde open gelaten, sulcx dat
denselven weder 3 van onse 5 gansen (door d’ Heer van Goens [94] ons om
aen te telen gegeven) hadde doot gebeten.
Omme welcken lupert te dooden off te vangen, den stalknecht ende
sieckenvaer [95] (onder een dack, doch met rijs gevlochten muyren
affgeschoten, wonende, soo wel de paerden als oock de siecken) haer in
voorsz. hoenderhuys hadden begeven, ende nadat den sieckenvaer (een
seer stout persoon wesende) op den lupert had geschoten ende denselven
eenighsints gequetst, was hij op hem gesprongen ende eenige claeuwen in
’t hoofft slaende, oock sodanigh in den arm gebeten, dat genootsaecht
was den lupert los te laten, die oock den gemelten stalknecht
eenigsints in ’t hoofft gequest had, doch sonderlingh niet te beduyden.
Maer den sieckenvaer, voor desen meermael mette luperts in voorsz.
gelegentheyt doende ende gequest hebbende geweest, was lustigh
principael in den arm getroffen.
Een bijsondere saeck wierde gesien aen onse koebeesten in ’t crael,
daer voorsz. hoender, paerden ende sieckenhuys staet. Deselve den
gemelten lupert in ’t verhaelde hoenderhuys vernemende, hadden haer
altemalen, dight op een getropt ende de horens na de deur toe, in een
halve mane gestelt, sulcx den lupert genoegh te doen had om hem uytter
koebeesten hoorns te redden ende ontvluchten, hoewel deselve beesten
(na onse opinie) met haer bukken genoeghsaem hare vreese voor dat wilt
gedierte te kennen gaven. Ende heefft ons dickwijls gebleecken, dat de
luperts, leeuwen off tijgers, geen quaet aen de koebeesten hebben
cunnen doen, dewelcke haer oock somtijts in ’t ronde hebben gestelt,
ende de kalven alsoo achter in haren gemaeckten cirkel sodanigh
bewaert, datter noyt imant van ’t wilt gedierte heefft cunnen ontrooft
worden, ’twelcke somtijts seer speculatyff om sien is geweest.
16 Juny, 1656.—Desen morgen door den stalknecht de paerden wat vroegh
uytgelaeten sijnde om te weyen, is een van deselve (den cloecksten
henghst) van ’t wild gedierte totaliter verscheurt geworden, waerby wy
al groote incommodatie comen te lijden, vermits den grooten dienst die
deselve elck voor sijn hoofft meer als voor 10 man cunnen doen in ’t
ploegh trecken, cley, steen ende timmerhoudt halen uyt ’t bos, als
andersints. Schijnt in ’t natte saysoen ’t wilt gedierte hier omtrent
principaelst te regneren, ende dierhalven al stercker ende hechter
stalling voor de paerden moeten maken om voor dat wilt gediert bewaert
te mogen wesen.
Omtrent halff voormiddagh den Commandeur wandelende in de thuynen,
bevond deselve over al door wiltspoor dapper betreden, ende weynigh
daer nae, niet boven 40 a 50 treden schuyns voor hem even buyten de
thuynen, een wackeren leeuw opspringen ende sijn loop (maer al
sachiens) naden Taeffelbergh nemen; derhalven hem door den sergiant
ende wiltschut, neffens noch 4 a 5 andre soldaten met snaphanen liet
vervolgen, waerop oock datelijck wel omtrent een paer hondert
Hottentoos met al haer schapen ende koebeesten denselven oock naedreven
ende tegen ’t hangen van den Taeffelbergh in een diepe clooff sulcx
besetteden, dat hij nergens als voorwarts door de schapen moest
breecken, welcke de Hottentoos gestelt hadden als haer borstweer recht
voor den leeuw daer hij onder een struyck verholen lagh, ende bleven
sij staen buyten de schapen tusschen deselve ende haer koebeesten. Als
den leeuw dan sigh bloot gaff ende al brullende wilde uytbreecken ende
na een schaep grijpen, schoten sij met haer hasegayen telckens over de
schapen na hem toe met een groot gebaar van schreeuwen, daer over den
leeuw dan weder terugh deynsde, seer speculatyff om siende, doch
dewijle deselve hem niet wel costen raecken, soo deed voor eerst den
sergiant (beneffens onse wilt-schut ende andre daer omtrent 8 a 10
treden mede dicht bij de leeuw weesende) een mis- ende den wiltschut
een treffelijcke wisschut met 3 kogels recht in sijn hoofft, dat hij
datelijck doot ter neder viel, als wanneer de Hottentoos lustige mannen
schenen ende hen met de hasegayen sochten voorts hondert steecken nae
sijn doot te geven, doch wiert haer, na dat noch al 3 a 4 haysegayen in
’t lijff gecreegen had, belet, om ’t vel niet te schennen ende fray op
gevult inde groote sael (tot de kerck g’approprieert) op te hangen, ten
welcken eynde met een kar thuys gebracht ende aldaer gewoogen sijnde,
bevonden wiert swaer te sijn 426 ponden hollants [96], langh behalven
den staert (die 3½ voet rijnlants [97] langh was) 5½, ende bij de
billen ofte over ’t lijff hoogh op sijn voeten staende 3½ idem voeten,
sulx wel soo cloeck was als een gemeen Engels of Javaens paertie.
Opgesneeden sijnde wierd in den maegh bevonden noch veel van ’t
paerdenvleys, dat desen nacht verscheurt hadt, ende eenige
egelverckenspennen ende poten etc.
17 dito, is op dato, ten aensien het wilt gediert aen Compagnies vee
dus veel schade doet, bij resolutie goetgevonden tot premie te stellen,
voor een leeuw, die gevangen oft geschoten wordt 6, een tijger oft
wolff 4, ende een lupert 3 realen van 8 [98], sijnde den wiltschut voor
eerst betaelt 2 cannen spaense wijn, 3 lb. tabacq ende 2 realen van 8.
Alsoo bevonden is, dat nu de romp van voorsz. leeuw buyten voor de
poort van ’t hoorenwerck [99] leggende, den verleden nacht ’t wijffien
was comen ruycken ende soecken, mitsgaders daervan oock had gegeten,
wierdt er desen nacht verholen wacht omtrent gehouden, om ’t selve
mogelijck sijnde oock te attrapperen, maer is niet weder vernoomen.
17 April, 1658.—Is begonnen ordre te stellen op het schoolhouden voor
de Angoolse compagnies-slaven ende slavinnen, per Amersfoort uyt de
Portugese prijs gecomen [100], welcq school te houden des morgens ende
’s namiddags, den sieckentrooster Pieter van der Stael [101] van
Rotterdam, beneffens sijn cranckbesoeckersbedieninge is opgeleyt, te
meer dewijl seer goet ende prompt in ’t lesen is van recht Hollants
Nederduyts, ende omme de gemelte slaven te beter tot het school ende
hooren oft leeren van de cristelijcke gebeden te animeren, is mede
belast na ’t eyndigen elcq een croessjen brandewijn ende 2 duym tabacq
te geven etc, alsoocq alle hare namen aengeteyckent, ende die geen
hadden, namen gegeven, soowel gepaerde als ongepaerde, jongh ende oudt,
alles in ’t bijwesen van den Commandeur, welcke sigh daervoor eenige
dagen sal laten bijvinden, omme alles terdegen in ordre ende dat volcq
onder de behoorlijcke dissipline te brengen, waertoe ’t begin sigh
redelijcq schijnt te verthoonen. Wordende oock elcq na behooren
gecleedt voor de coude, die nu dagelijcx begint aen te comen, alsoocq
de cloeckste hier ende daer aen ’t wercq gestelt, omme soo haer
doenlijck van deselve dienst te mogen trecken.
5 May, 1660. Ende quam tegen den avont den oversten van de Gorachouquas
[102], Choro genaempt, met een gevolgh wel van 100 man noch aen ’t
fort, daeronder meest al sijn oudsten ende principaelsten,
medebrengende 13 redelijcke oudt en jonge koebeesten tot vereeringe,
met versoeck die in teycken van sijn aanbiedende vrundschap wilden
aennemen.....
Hemelsvaertsdagh den 6 dito is des morgen voor de predicatie, den
gemelten oversten der Gorachouquas ende gevolgh met wedervereeringen
van coper, cralen, tabacq ende pijpen begifticht, wel de dubbelde
waerde van de voorsz. koebeesten, ende na de predicatie oock
getracteert wordende met eeten ende drincken, mitsgaders de baly met
aracq ende brandewijn ondereen gemengt, midden in ’t pleyn van ’t fort,
open gestelt sijnde met een locjen [103] daerin, soopen dit volcq soo
droncken ende vol, datter de seltsaemste cuyren van de werelt aengesien
wierden, soo met singen, dansen, springen ende meer andre vreemde
continantien, vallende nu den eenen, dan den anderen van dronckenschap
onder de voet, welcke dan van die nogh wat schappelijck waren,
opgenomen, buyten ’t fort gedragen ende aldaer in ’t gras te slapen
geleyt wierden, behalven den voorsz. oversten, die hem redelijck
schappelijck hielt ende sigh niet boven halff vol en dronck, neffens
drie a 4 van sijn oudsten, dogh eenige van die schenen haer echter niet
te cunnen onthouden mede te danssen, ende de wijven clapten soo hard in
de handen, dat men ’t wel 150 roeden buyten ’t fort hooren conde, sulcx
dat sij schenen op haer maniere een heel vreedens triumph ende vreughde
te houden [104].
30 September, 1660. ’s Namiddags quam den oppersten ofte coningh van de
Chainouquas, genaempt Sousoa [105], selffs met sijn soons vrouw op een
grooten os sittende ende geleyt wordende door een van de
ruyterwachters, binnen ’t fort gereden, daer sij door een van sijn
volcq op de schouderen affgeholpen wierd, medebrengende 33 stucx oude
en jonge koebeesten, die altemaelen voor coraelen, ende 15 schapen,
welcke voor coper, tabacq ende pijpen ingeruylt sijn, mitsgaders
voorsz. Sousoa ende volcq vrij goede cier aangedaen, seggende dat hem
sijn volcq geseght hadde, den Commandeur sijn zoon voor broeder ende
hem voor vader wilde aannemen, ende dat hij derhalven daerom sijn
nieuwen soon eens quam besoecken ende besien wat het voor een man was
etc., waerop na vereysch g’antwoort wierd ende over ende weder
presentie gedaen, van onveranderlijcke ende altijtduyrende vruntschap
te onderhouden, seggende: ten dien eynde noch nader wilde affcomen,
opdat men den anderen te beter over ende weder souden cunnen bereyssen
om coopmanschap te drijven, daer hij hem soo ’t scheen seer genegen toe
thoonde, werdende derhalven met kaes, vers broot ende suycker in een
tinne schotel getracteert, ende op een matjen in des Commandeurs camer
met voorsz. smeerige princesse (sijn soons vrouw) te sitten geset,
sulcx noch noyt ymandt gedaen is, item oock eens op de claversingal
gespeelt, alle ’t welcke hem wonderlijck aengenaem scheen, mitsgaders
’t bier, Spaens ende France wijn seer wel smaeckten, doch sooveel niet
na sigh nam dat beschoncken wierd, werdende sijn volcq op de voorsael
met hart broot ende brandewijn soodanigh getracteert, dat se lustigh
songen ende sprongen ende wonderlijcke aperijen aenrechteden.
Voorsz. Sousoa ende soons vrouw de huysingen onder ende boven hebbende
laeten besien, ende gevraeght oft er wel volcq in ’t landt woonden die
mede sulcke huysen hadden, antwoordt: jae, maer wat op ander maniere
ende oock vast woonende,—wijsende naer den ringh aen des Commandeurs
vinger, dat die luyden oock sulcq gout hadden, ende wijders aen ’t eynd
van sijn eygen pingh, hoe groote ende cleyne witte blinckende
gesteenten hij bij deselve gesien hadden, waerop hem France ende fijne
gesteente, soo diamant als robijn ende ander coleur, item mede
paerlkettingen etc. verthoont wordende, seyde, dat noyt anders gesien
oft vernomen hadde als gout ende witte steenen, wijsende op diamanten,
ende dat hy met dat volcq genaempt Chobona oft Choboqua [106] goede
kennisse had, oock wel sijn best doen wilde ymant van deselve herwaerts
te crijgen, om de waerheyt aen ons te verthoonen etc. Ende alsoo
seecker groot volcq (mede Hottentoos als hij) hem om syn macht seer
jalours waren, ende daerom alle mogelicke affbreuck allomme sochten aen
te doen, dat nu noch meer soude geschieden om hem den ommegangh met ons
te becommeren; soo vraegde hij, off men hem tegen sijne vijanden, als
se hem quaemen overlastigen, wel souden cunnen goetvinden met soldaten
te adsisteren, waerop g’antwoord wierd, indien hy raedt wist ons van
bestiael genoegsaem te voorsien ende te maken dat de Chobonas met haer
gout ende gesteenten tot ons affquaemen, jae, mits het oocq geen van
onse g’allieerde hieromtrent ende voornaementlijcq de Cochoquas [107]
en waeren, met wiens oversten Oedasoa[107] wij vruntschap besproocken
hadden etc.
Hy gaft tot antwoort: voorsz. sijne vijanden waren andre, ende versocht
de gemelte assistentie tegens deselve niet, als met meeninge om eerst
blijcq van sijn seggen te thonen; den Commandeur wist noch niet wat hy
voor een man was, maer den tijt soude het hem doen openbaeren, willende
met sijn principael leger in ’t Hottentoos Hollandt 1½ daghreyssens van
hier comen woonen, om dagelijcq met den anderen verder te cunnen
spreecken, ende sijne andere troppen ende volcq maer hier ende daer na
gewoonte in vliegende legers laten heen ende weer gaan, met meer andere
redenen die niet vreempt scheenen.
Den 1 October quamen noch eenige van Sousoas volcq met 10 beesten na,
die mede voor coraelen gereuylt wierden ende 5 schapen voor coper,
welcke schapen, vermits ’t coper, jegenwoordigh yder wel sooveel costen
als drie beesten, die, voor coraelen gereuylt wordende, jegenwoordigh
niet boven de 9 a 10 stuyvers ’t stuck comen te staen, eenlijcq
beswaert het tractement van eeten en drincken wat voor sooveel volcq,
daer se telckens mede affcomen.
Den 2 dito, voorsz. Sousoa met sijn soons vrouw ende volcq sigh gereet
maeckende om te vertrecken, is denselven voor hem en dito vrouw,
alsoocq sijn broeder ende een ander soon mede bij hem sijnde met
navolgende considerabel schenckagie vereert, te weten:
42 lb. geele ende } coper,
8 lb. root }
6 dosijn coraelen ende france silver kettingkens,
3 paer france steene breseletten,
4 lb. tabacq,
4 lb. root corael,
9 stucx ijsere hoepen [108],
17 lb. staffijser,
2 bijlen,
3 drijffijsers,
7 mingelen [109] brandewijn,
2 spiegeltjes, ende wel
100 lb. hart broot,
alle hetwelcke, hem ende dese drie dagen genoten tractementen seer wel
behaegende, scheyde met een bijsonder goet genoegen, latende syn soons
vrouw op een witten bonten os setten, ende hij, des vissers huys
gepasseert sijnde, gingh op een roden os sitten, hebbende tusschen ’t
fort ende daer, met Eva te voet gaende, van veel saecken gesproocken,
ende haer ’t volgende gerecommandeert den Commandeur te seggen,
namentlijck:
Dat als den Commandeur den tijt maer wilde verbeijden, wel soude
mercken, dat hij de man was, die hem coste contentement doen, doch dat
versocht mochte worden, ’t gene de Choboquas voor haer gout ende
gesteenten begeeren, door sijn handt mocht passeren, om by haer soowel
als ons voor principael oorsaecq van die negotie etc. erkent te worden,
hebbende rede door ’t landt al sijn volcq vrije toegangh ende de wegh
open gestelt, ende consent te geven om tot ons te mogen comen handelen
etc.
Voorsz. bonten os, daer sijn soons vrouw op sat, was mede ingereuylt
ende, om sijn gecregen goet te beter te dragen, hem op sijn versoeck
geleendt, die hij beloofde by d’ eerste gelegenheyt met meer beestiael
wederom te senden.
Sondagh den 3 dito quamen even na de predicatie weder 13 a 14 persoonen
van de Chainouquas, met 27 stucx schoone beesten, waervan 24 voor
coraelen ende drie neffens 6 schapen voor coper ende tabacq ingeruylt
wierden, hebbende dese luyden in ’t herwaerts comen haren coninck
Sousoa gemist ende geseght, datter morgen noch meer volcq van de haere
met bestiael souden hier comen, als leggende rede in ’t Hottentoos
Hollandt gelegert, daer doorgaens hun loos rendezvous [110] meenen te
houden, tot sigh Sousoa daer sal vast gelegert hebben.
Dit wil een wackere knip op onse buyren haer neus wesen, vermits dese
plaetse altijt haer beste weyden sijn geweest, hebbende, sedert Sousoa
hier geweest is, sigh niet een Caepman noch Saldanhars oft ymandt
derven verthoonen, ende de Strantlopers (hier altijt omtrent woonende)
oocq niet derven hun ergens bijvougen, sulcx het schijnt desen Sousoa
al vrij ontsien moet wesen.