Laat ik u nu eens vertellen van mijn boek "Een nagelaten bekentenis".
Dat is de geschiedenis van; een dégénéré, die eindigt met zijn vrouw te
vermoorden. Het boek begint met de woorden: "ik heb mijn vrouw
vermoord", en dan ontwikkelt hij zijn levensgeschiedenis: hoe hij tot
die daad is gekomen. Het boek is goed gerecenseerd, maar het publiek
vindt het verschrikkelijk, afschuwelijk, dat weet ik wel. Van Nouhuys
haalde het onlangs weer aan, toen hij sprak over het Dagboek van een
Hypochonder, van Everts. Dat is volgens hem minder doorvoeld. Dit boek
is als je wil pessimistisch, hoewel op een andere manier dan het werk
van Frans Coenen: Het is minder een stemmingsboek. Het is meer: die man
doorkeken tot in zijn binnenste: gekeken hoe hij tot zoo'n ellendige
daad komt. En nu kunt u niet wéten: hòeveel brieven ik heb gekregen van
menschen die zeggen: ik ben net zoo. Nog geen drie maanden geleden kreeg
ik een brief uit Amsterdam: u weet niet hoe dankbaar of ik ben, dat ik
dat boek heb gelezen. Ook kreeg ik een brief van een dame, die had een
neef, en die neef was ook zoo. Of ik een vereeniging wou stichten die
dergelijke dégénéré's onder haar hoede nam en door het leven leidde. Dat
was natuurlijk niets voor mij ... Maar aan den anderen kant hoorde ik
van een dame, die had daar haar eigen man in herkend, en die man had
zich zelf herkend en nu kwamen al die zenuwverschijnselen weer bij 'm
terug. Tusschen twee haakjes: die man was heelemaal niet mijn model
geweest. Maar dat ziet u nu wel in: van een eigenlijke bepaalde werking
van een boek kun je moeilijk spreken: dat hangt zooveel af van je
individuen. Ik bijvoorbeeld heb die neiging tot melancholie in me gehad
en een boek van Coenen zal me beroerder maken dan ik ben, doordat ik
meen iets te herkennen dat ik ook in mijn binnenste voel. Ik leef
verschrikkelijk onder den invloed van atmospheer. Komt er een
zonnestraaltje binnen dan ben ik een ander mensch. Maar nu komt er zoo'n
akelige regendag, somber, luguber, kil ... dan ben ik te ellendig om te
denken. Maar dat is geen pessimisme. Dat is melancholische stemming. Ik
kan slecht tegen donker weer in ons klimaat. Daarom heb ik zoo'n
heerlijk gevoel in de bergen. Daar mag 't zoo hard regenen als 't wil,
die beroerde stemmingen die ik hier soms heb krijg ik dáár niet. Zoo
kan ik ook niet tegen een groote stad. Als ik in Parijs of in Berlijn
ben, dan loop ik er zoo gauw mogelijk weer uit. Ik zou nooit in een stad
willen wonen die meer dan 500.000 inwoners heeft. Dat is voor mij het
maximum. Ik geef je alle mooie dingen die er zijn cadeau: ik kan er
haast niet van genieten, zoo drukt mij een groote stad. Ik geniet er het
meest van als ik er weer uit ben.