Bovendien, het studentenleven: nóóit heb ik kunnen begrijpen het
gezellige daarin, in dat bij elkaar zitten om te drinken, in leelijke
tabaksrook ... ik kan niet tegen rook en rook ook zelf niet. In Leiden
hield ik op een gezellig mensch te zijn. Ja, ik weet 't wel: bij de
meeste menschen is het net anders om. Maar mij heeft het student-zijn
uit 't leven gejaagd. Die duffe localen van de professoren, dat van den
een naar den ander loopen door de vuiligheid en de kou', die aklige
kille banken in het academiegebouw, nee! daar kon ik niet tegen. Ik heb
dan ook niet afgestudeerd. Ik heb wel mijn candidaats gedaan. Maar toen
stierf mijn ouwe heer, mijn moeder vond het niet bepaald noodig dat ik
een titel haalde en toen ben ik direct op reis gegaan, de bergen in.