"We hebben hier nog niet een leerstoel voor kunstgeschiedenis en dien
had ik toen eigenlijk noodig. Natuurlijk begreep ik dat zelf toen niet,
maar mijn ouders hadden het voor mij moeten begrijpen. En dat begrepen
ze niet: in mijn familie is nooit aan kunst gedaan. De zaak was, dat ik
me voor alles interesseerde en nog interesseer. Maar wat me in een of
andere loopbaan lokte dat was niet de hoofdzaak maar een van de
bijzaken. Eerst wilde ik militair worden. Waarom? Om het mooie pakkie.
Later zag ik mijn oom die ingenieur was bruggen bouwen en ik vond dat
een mooi en grootsch werk. Ik ging ook naar de polytechnische school,
maar dat cijferen beviel me niet. Toen zei mijn papa: Je mag wel van
studie veranderen, maar eerst moet je examen doen, anders is het net
alsof je daarvoor bent blijven haperen. En toen ging ik in de Rechten
studeeren. Maar dat rechtsgefrimel stond me ook niet aan. Al dat
gepeuter om uit te maken of een bepaling toepasselijk is op een zeker
geval, dat vond ik wel een oogenblik interessant, als alles, maar ik had
er gauw genoeg van."