MAATSCHAPPIJ EN DICHTER.

--Ik geloof, dat maatschappelijke omstandigheden tegenover het feit van

het ontstaan van een talent niet zooveel beteekenen als de menschen wel

eens denken. In groote gezinnen, waar de kinderen onder dezelfde

condities leven, ziet men soms, dat één er van zich byzonder

onderscheidt, en daar hebben de maatschappelijke omstandigheden dus al

byzonder weinig te zeggen gehad. Natuurlijk, ze spelen hun rol en er

gaat niets verloren; en ik geloof zeker, dat, is het talent er eenmaal,

de maatschappelijke omstandigheden op zijn uitingen invloed hebben. Is

hij sterk, de geniale man, dan zal hij van zijn uitingen niet afzien; is

hij zwak, dan gaat hij ten onder of wordt gewijzigd. Als ik gedichten

lees, dan merk ik ook altijd, dat de dichter heeft een bepaalden stijl,

waarvan hij kan zeggen: dit is van mij; maar hij toont dien stijl nooit,

zonder iets van buiten, en wat dat "iets" zal zijn, dat is toch maar

toeval. Met de bundels, waarvan ik zooeven sprak, de verzen, die ik heb

geschreven toen ik tot bezonkenheid kwam, was dit ook zoo; daar zat een

heele reeks denkbeelden in, een plan, een soort van levensbeschouwing,

en door alle ondervindingen, die ik opdeed, kon ik toch dat schema van

mijn gedachten bijeen houden. In al die jaren veranderde dat bijna niet.

En toch zijn al die gedichten mij zoozeer door het toeval ingegeven, dat

ik ze bijna gelegenheidsgedichten zou kunnen noemen.

De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school. · 第 57 / 162 题