De dichter.
Waar is de flonk'ring, waar 't geklater,
Waarmee mijn straal de zon beklom?
Het diepst en reinst is 't donk're water,
Dat slaapt in ondergrondsche kom.
Deze klanken brachten mij op het Alhambra, waar ik geweest ben, en mijn
herinnering daarvan. U hebt daar een leeuwenfontein, en de oppasser had
mij verteld, dat die alleen spuit als er vorstelijke bezoekers komen. En
ik ging verder:
De hooge gasten zijn verdwenen,
De schaduw is aan 't overlenen,
En in de hooge en blanke zaal
Gaat door de smalle en marm'ren goten
Het laatste water weggevloten,
In stroompjes, kronkelend en schraal....
Zoo ga ik dan nog een heel stuk door. Het eigenaardige van dit gedicht
is, dat het niet is gepremediteerd, dat ik het phantaseerde onder 't
schrijven. Maar het publiek begrijpt in het algemeen niet, dat het in de
eerste plaats om zang te doen is, en dat daarom de maten zoo belangrijk
zijn. Evenals het spelen op een viool, brengen die onze fantasie in
beweging, en daarom is de maat ook het wezenlijke voor den dichter,
waaruit hem blijkt, hoe eigenlijk zijn innerlijk leven is.
--U sprak zooeven over den invloed, dien de dichter oefent op de
maatschappij. Denkt u, omgekeerd, niet, dat maatschappelijke
omstandigheden ook weer den dichter beïnvloeden?