DE ONZEGBAARHEID.

Er is in iedere uiting een onzegbaarheid, en die geven wij weer in den

toon der verzen. Daarin zeggen wij eigenlijk, wat wij in de zinnen niet

kunnen zeggen. Als de dichter dus een gedicht schrijft, dan staat zijn

innerlijk in mogelijkheid voor je. Want natuurlijk: als het niet weer in

je wordt opgewekt, dan is het dood.

Ieder gedicht geeft natuurlijk het innerlijk van den auteur weer.

Daarzonder zou het geen waarde hebben. Nu zijn er menschen, die een

voorbijgaanden indruk, een snelle opwelling geven, en dat mag dan hun

innerlijk leven van het oogenblik zijn, het is toch maar heel weinig van

wat het innerlijk wezen van een mensch zijn kan. Vindt u dienzelfden

dichter op rijperen leeftijd terug, dan zult gij zien, dat hij dezelfde

gevoelens weer in zich ontmoet heeft, maar nu zoo, dat ze niet meer

vastzitten aan voorbijgaande indrukken. Gaat hij diezelfde hartstochten

nu weergeven, diezelfde ontroeringen, overtuigingen, dan wordt dat een

innerlijk leven van veel grooter beteekenis, iets, dat eigenlijk veel

meer recht heeft op dien naam. In die richting nu heb ik gezocht, en in

die richting zie ik ook het streven van onzen tijd gaan.

--"Wat is dan voor u het _eigenlijke_ in het streven van onzen tijd?"

De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school. · 第 51 / 162 题