De natuur geeft een zekere stof, en de geest heeft er behoefte aan, op
die stof kristalliseerend te werken, begeeft zich in die stof, en doet
daardoor ontstaan een vorm, die niet een gril van den geest is, maar wel
de wijze, waarop de natuur zich met dien geest verstaat. Nu begrijpt u
meteen wat ik versta onder geestelijke kunst: zoolang de literatuur zich
beweegt in indrukken, of in het gevoel, is het niet noodzakelijk, dat de
schrijver vormen voortbrengt, die het voorkomen hebben van den
noodzakelijken vorm, dien de stof moet aannemen.
Je hebt hier dat duinlandschap, je krijgt daar een indruk van, en het is
mogelijk met dien indruk een gedicht samen te stellen.
Nu kijk je opnieuw, je voelt een aandoening, en die kun je uitdrukken,
zonder veel van het landschap in je werk op te nemen.
Maar nu kijk je voor de derde maal, en nu is je blik zoo doordringend
geworden, je geheele wezen neemt in zulk een mate deel aan de
waarneming, dat de uitdrukking ervan geeft het wezen van je geest, èn
het wezen van het landschap tevens. Dan ontstaat wat ik geestelijke
kunst noem. Daaraan neemt de natuur wel degelijk deel, want je ziet de
duinen; alléén: niet op de wijze van gewone waarneming zie je de natuur,
maar als een een-wording met den geest. Dit nu brengt Berlage in de
bouwkunst en Verster in de schilderkunst, en hoewel ik met deze mannen
niet zoo zou praten over natuur en geest, zou ik gerust durven beweren:
wij verstaan elkaar tòch wel!