Noordwijk-aan-Zee.
Dit is nu eens een man, die niet zoo heel gemakkelijk vertelt. Toen
ik--het schemerde, en ik had een langen, vermoeienden tocht achter den
rug--tegenover hem zat, dacht ik al aanstonds: "Die laat zich niet gauw
vangen". Ik had een echten, degelijken Hollander voor me, die zich
instinctmatig een beetje op een afstand houdt, en er niet toe te brengen
is, met een vreemde te spreken over de ideeën, die hij nu al zooveel
jaren in zich omdraagt en steeds rijper voelt worden. Bovendien: "Ik ben
overtuigd, meneer, dat er maar één vorm is, waarin men zich kan uiten,
en dat is de vorm, die "het doet". Ik spreek niet graag over personen of
boeken, over dingen, die nog niet als afgedaan worden beschouwd. Alles
wat ik te zeggen heb, vindt u in mijn tijdschrift, in den besten vorm,
dien ik er voor kon vinden. Mijn woorden zijn op een goudschaaltje
gewogen, en zooals het daar staat, precies zoo bedoel ik het. Maar ga ik
nu spreken, dan kan ik licht iets vergeten, iets anders te veel betonen
... en werkelijk, daar zou ik later veel spijt van hebben...."
Ik werd al bang, dat het mij niet gelukken zou, iets interessants mede
te deelen omtrent dezen dichter. Ik voelde een soort gêne, kon er niet
zoo gemakkelijk toe overgaan, hem te vragen naar byzonderheden uit zijn
leven, naar datgene, dat men zoo graag leest. Zijn langdurige, eenzame
overpeinzingen wennen er dezen man aan, zich in zijn spreken al heel
spoedig boven den beganen grond te verheffen, te gaan uitweiden over
principes, over wijsbegeerte, over de grenzen van zijn kunst, over het
algemeene, waarvoor men zoo heel moeilijk woorden, zeer trage woorden
vindt. Als men zoover is gekomen, worden de gedachten zoo licht en zoo
ijl, dat men ze bijna ontheiligt door ze te zeggen.
Wat hij mij uit zijn vroeger leven mededeelde, was in zeer eenvoudige
bewoordingen vervat. En gij vindt niet veel spannende avonturen in
zijn verhaal: