Mijn bedoeling was: te geven "Impressionisme in de literatuur", zooals
ik het genoemd heb. Vooral voor het plastische gedeelte dan. Dat idee is
vooral bereikt in het dertiende hoofdstuk. Wat de lengte betreft, is dat
zonder eenige verhouding tot de andere hoofdstukken. Die manier van
schrijven brak toen als 't ware lòs.
Frans Netscher was toen dien kant al opgegaan. Die schreef toentertijd
heel mooie novellen in dien trant. Hij was stenograaf in de Tweede
Kamer, en ik herinner me dat juist, omdat hij in een van zijn opstellen
de Tweede Kamer beschreef. Dat trof mij sterk, dat boekje van dien
Netscher, want ik voelde verwantschap met wat ik zelf wou. In de
"Amsterdammer" van 1881 heb ik toen nog een stukje geschreven om er de
aandacht op te vestigen. Het bundeltje heette: "Studies naar het naakt
model". Het was wel niet precies mijn bedoeling, maar het ging toch in
dezelfde richting.
Ik dweepte in die dagen met Zola. En toch wilde ik heel wat anders doen
dan hij gedaan had. Ik wilde mijn werk locaal-Hollandsch maken en mijn
verwantschap toonen met de groote negentiend' eeuwsche schilderkunst.
Mijn psychologie komt langs den weg van observatie en gedachte. Ik heb
er nooit wetenschappelijk-psychologische werken voor bestudeerd. De
schrijvers van wetenschappelijke boeken op dit gebied, de
geneeskundigen, ontleenen hun stof tòch voor een groot gedeelte aan
romanschrijvers....