"Ik ben van een familie van auteurs. Ik zag mijn vader altijd schrijven,
en toen ben ik het ook maar gaan probeeren. En toen was er ... wacht
eens, in welk jaar was dat? ... in '79 of '80 zoowat, toen verscheen
er.... U moet weten, mijn vader had een tijdschrift: "De Dietsche
Warande" ... en ik had veel Fransche auteurs gelezen.... En toen kwam er
in 'n ander tijdschrift een artikel van dr. Schaepman; tegen Victor Hugo
was dat gesteld. Ik was toen zestien jaar ... ik voelde mij juist een
groot bewonderaar van Hugo.... Toen voelde ik mij geroepen, om daar een
lang artikel tegen in te gaan schrijven: "De eer der Fransche meesters".
Bij die gelegenheid bracht ik ook den naam Van Deyssel in de wereld.
Mijn artikel lokte heel wat polemiek uit; niemand wist van wien het was
en de grappigste veronderstellingen liepen daarover. Ik was toen nog
heel jong feitelijk, en aan mij dacht niemand. Op mijn verdediging kwam
natuurlijk weer een antwoord; de zaak trok de aandacht van de pers,
tijdschriftartikelen en brochures werden geschreven en de geschiedenis
heeft wel een jaar geduurd.
"Dat was een aardig debuut ... ja ... omdat sommige menschen dachten, dat
mijn vader het was ... en daardoor werd er meer werk van gemaakt dan
anders misschien wel het geval zou geweest zijn. Die "Dietsche Warande"
had maar heel weinig abonné's en verscheen niet eens op gezette tijden.
Nu, als er dan eens wat byzonders in stond, dan had mijn vader het
gedaan, dachten de menschen. Die dr. Schaepman heeft in sommige van zijn
artikelen alleraardigste beelden gebruikt. Zoo wist hij b.v. te
vertellen, dat ik "den pauwstaart van mijn ijdele belezenheid had
uitgezet" en toen ik mij over Bossuet, u weet: de zeventiend' eeuwsche
Fransche prediker, toen ik mij daar in minder prijzende woorden over had
uitgelaten, schreef hij, dat ik "het hondje speelde tegen monumenten."
"Nu, dat is toen altijd zoo door blijven gaan. De menschen vonden mijn
schrijverij blijkbaar heel aardig--en ik werd verschrikkelijk
hoogmoedig, "'t Zal dan wel je roeping zijn en zoo moet het maar
blijven," dacht ik.
"Toen leerde ik kennen, degenen die redacteur van de "Nieuwe Gids" zijn
geweest. Dat was in 1882. Het eerst Van der Goes, u weet wel, die later
socialist is geworden. Dat was hij toen nog niet ... dat begon pas een
jaar of tien daarna."
"EEN LIEFDE."
Mijn eerste roman "Een Liefde", ben ik begonnen op zeventienjarigen
leeftijd. Ik heb daar heel lang over geschreven en hij is bij
tusschenpoozen ontstaan. Daar heb ik, op verschillende tijdperken, aan
gewerkt van mijn zeventiende tot mijn een-en-twintigste jaar zoowat. Van
1881 tot 1885.
Ja, dat is heelemaal verzonnen. Het spreekt van zelf, dat je bij het
scheppen van je personages wel eens denkt aan menschen, die je hebt
ontmoet of aan dingen, die je hebt gezien. Dat gaat nu eenmaal niet
anders. En bovendien, ik wilde de dingen vertellen, wel niet zooals ze
wáren gebeurd, maar dan toch zooals ze zouden kunnen gebeuren.