In het voorgaande heb ik de bijenteelt, voor zoover ik dit noodig
oordeelde, theoretisch en practisch behandeld, en zoowel de woningen
als de noodzakelijkste gereedschappen, die hare beoefening vereischt,
beschreven. Dit werk zou dus als voltooid te beschouwen zijn. Ik
heb mij evenwel voorgesteld nog eenige bladzijden te wijden, aan
eene beknopte zamenvatting van verschillende werkzaamheden, zooals
die elkander in den loop van het jaar opvolgen. Voor hen, die nog
vreemdelingen in de bijenteelt zijn, zal dit niet onwelkom zijn. Zij
vinden hier dan een leiddraad, dien zij terstond kunnen volgen,
terwijl zij anders, zoolang zij niet genoegzaam met den inhoud van het
handboek bekend waren, aanhoudend zwarigheden zouden ontmoeten, die
hun een tegenzin in het bijenkweeken zouden doen krijgen. Om niet in
noodelooze herhalingen te vervallen, zal ik dikwerf verwijzen naar het
vroeger behandelde, hetgeen men dan desverkiezende zal kunnen nalezen.
Daar waar ik spreek van onderwerpen, waaraan vroeger een afzonderlijk
hoofdstuk gewijd is, zal men goed doen dat eens na te slaan, al ware
het dat ik er niet naar verwees.
November.
Over het algemeen is het weder in November van dien aard, dat men
rekenen kan dat de wintertoestand der bijen in die maand begint. Zij
trekken zich meer en meer te zamen, en blijven in volkomen rust,
zoodat men niet het minste geruis hoort. Veeltijds komen er echter
nog enkele dagen, waarop de bijen in de middaguren voorspelen en zich
reinigen kunnen. Zulk een voorspel is zeer nuttig, daar zij het dan
in het voorjaar, wanneer zij opgesloten zijn, zooveel langer in de
woning kunnen uithouden. Indien men op zulk een dag enkele stokken
ziet voorspelen, terwijl andere er mede dralen, dan is het goed er
ook deze toe op te wekken, door tegen de woning te kloppen, den adem
in het vlieggat te blazen, of hun wat verdunden, laauwwarmen honig te
geven. Hebben de bijen nog laat gevallen honigdauw in hare woningen
gedragen, dan is eene late uitvlugt vooral wenschelijk.
Het is nu te laat om stokken, welke te weinig voorraad hebben, nog met
vloeibaren honig te voêren. Zij kunnen hem niet meer verzegelen. Met
verzegelden en verdikten honig of met kandij, kan men hen nu, en des
noods den geheelen winter voêren; dit moet echter zoo geschieden, dat
er geene onrust in den stok komt. Wie zijne bijen 's winters binnen
brengt, overhaaste zich daarmede niet. Het kan soms in het begin van
deze maand sneeuwen en vriezen, terwijl er later nog schoone en warme
dagen volgen, waarop men haar kan laten voorspelen.
December.
Wie zijne bijen nog niet voor den winter bezorgd heeft, moet dit nu
doen. De bijen hebben toch nu aan uitvliegen geene behoefte meer,
en op de nuttelooze togten zouden er vele omkomen. Moeten de stokken
op den zomerstand blijven staan, dan moet men hen ook daar zooveel
mogelijk voor koude beschermen, door de tusschenruimten tusschen
de woningen, welker wanden te dun zijn, met hooi aan te vullen;
verder moet de toegang voor vogels, muizen, wind, sneeuw en vooral
voor de zonnestralen afgesloten worden. Plaatst men zijne bijen in
een besloten vertrek, dat niet eens volkomen vorstvrij behoeft te
zijn, dan voldoet men in eens aan de hoofdvoorwaarden, aan eene goede
overwintering verbonden. Als men er een lokaal voor laat maken, dan
zal men de kosten daarvan spoedig gewonnen hebben, doordat er minder
bijen verloren gaan en het honigverbruik kleiner is. Weet men dat zijne
bijen een voldoenden voorraad hebben, en dat zij tegen de ongemakken
van den winter beschermd zijn, dan kan men hem gerust afwachten;
hetzij het weder streng koud of ruw, bestendig of veranderlijk is,
de bijen zullen er geen hinder van hebben.
Januarij.
De strenge koude, die gewoonlijk in Januarij invalt, doet de bijen
in een zwakken levenstoestand overgaan. Zij hebben evenwel geen
winterslaap, zooals vele andere insecten, die daardoor ongevoelig
voor koude worden. Zij moeten eene bestendige warmte, van minstens 55°
F. kunnen onderhouden en behoeven daartoe aanhoudend voedsel. Zoodra
de zon weder hooger begint te staan, hervatten zij haar werk en zetten
broed aan, somtijds als het zoo vroeg geschiedt, tot schade van de
bijenhouders; want er wordt voorraad verbruikt, die later met meer
voordeel kon worden aangewend. Hebben zij thans reeds broed, dan
wordt de invallende koude des te gevaarlijker. Door het broed zijn
zij aan eene bepaalde plaats gebonden; zij verlaten het niet gaarne,
en loopen gevaar van honger om te komen, als de honig, die zich boven
het broednest bevindt, verteerd is. Hoewel de algemeene regel is, om
de bijen nu zoo weinig mogelijk te verontrusten, zoo kan het toch zeer
noodzakelijk zijn, wanneer men kan vermoeden dat zij reeds veel broed
hebben aangezet, om de leeg geworden wastafels tegen hare zitplaats,
door met honig gevulde te vervangen.
Middelmatige stokken, die een genoegzamen voorraad boven,
of onmiddellijk naast hunne zitplaats hebben, komen den winter
gewoonlijk goed door, en ontwikkelen zich later zeer gunstig. Zeer
sterke stokken kunnen er wel eens door lijden, wanneer bij strenge
winters de voorraad, in de nabijheid van het broednest, verbruikt
is. Zij moeten dan toch verder opklimmen, waarbij gewoonlijk vele
bijen terugblijven en omkomen.
Indien men gebrek aan gevulde honigtafels heeft, dan kan men, ook
in het midden van den winter, het voedsel boven in de woning geven,
door tegen een der zijwanden (bij zamengestelde woningen tegen
den tusschenwand) eene reet te maken, door welke de bijen uit alle
straten, in de ruimte boven de staafjes komen kunnen. Tegen deze reet
legt men nu het voedsel. Neemt men verboterden honig, dan wikkelt men
dien in een papier, maakt daarin eene opening, tegenover de reet, en
drukt het daar vast tegen aan. Het voedsel moet goed bedekt en alle
openingen digt gestopt worden, om de koude te weren. Om de genoemde
reet in tijd van nood te kunnen maken, legt men bij de inwintering,
op de staafjes tegen den wand een latje, van een duim breed, en sluit
verder alles met dekplankjes. Neemt men nu later dat latje weg, dan
is de reet gemaakt. Al voêrt men niet, dan is zulk eene reet toch
goed, want de bijen kunnen daardoor van de eene straat in de andere
komen. Van boven moet alles zoo gesloten worden, dat de reet alleen een
doorgang vormt, zonder dat de bijen boven de dekplankjes kunnen komen.
Februarij.
De dagen worden in Februarij reeds langer en de zon krijgt meer
kracht. In den bijenstok begint zich nu eene vernieuwde werkzaamheid
te ontwikkelen; zelfs bij strenge koude zetten sterke stokken nu broed
aan. Men spore hen daartoe echter niet aan, door onnoodig voêren of
door hen aan het zonlicht bloot te stellen, want de broedaanzetting
is nog niet wenschelijk (zie bl. 150). Wil men de stokken goed
overwinteren, dan houdt men hen zoo lang mogelijk in rust, en tracht
het broeijen tegen te gaan. Acht men het noodig dat de bijen eene
reinigings-uitvlugt houden, dan kan men haar, bij eene warme lucht,
nu reeds laten vliegen, al ligt de grond nog met sneeuw bedekt, zoo
boomen en struiken daar maar van bevrijd zijn. Bij sterken zonneschijn
kunnen de bijen ook wel van de sneeuw opvliegen, wanneer zij maar met
eene vaste korst bedekt is. Men kan, zoo eene uitvlugt hoog noodig
is, de sneeuw voor den stand ook met matten of stroo bedekken. Is
de uitvlugt niet dringend noodzakelijk, dan late men de bijen niet
uit. Hebben zij eens gevlogen, dan willen zij het meer doen.
Indien men een stok eene nieuwe standplaats geven wil, dan moet dit
geschieden voor dat hij gevlogen heeft; bij het eerste voorspel zullen
de bijen ook de nieuwe standplaats leeren kennen; slechts weinigen
zullen vervliegen. Zonder noodzakelijkheid moet men hem evenwel niet
verplaatsen. Wil men stokken aankoopen, dan moet men toezien dat zij
reeds gevlogen hebben, want gedurende het transport zouden de bijen het
vuil niet bij zich kunnen houden, maar elkander en het werk bevuilen,
en daardoor den loop kunnen krijgen. Na zich gereinigd te hebben,
kunnen zij ook langer opgesloten blijven.
Maart.
In Maart heeft men gewoonlijk eenige schoone, warme dagen, waarop
de stokken kunnen voorspelen en zich reinigen, wanneer dit in de
vorige maand nog niet geschied is. Men moet er nu vooral op letten,
of zich onder de stokken geene moederlooze bevinden, hetgeen men het
gemakkelijkst zien kan aan de onrust, die de bijen bij hare eerste
uitvlugt toonen (zie bl. 187). Men kan den stok thans geene bevruchte
moederbij bezorgen, en moet hem dus met den nevenstok vereenigen
(zie bl. 191). Terwijl de bijen hare eerste uitvlugt houden, zuivert
men hare woning van de dooden en de onreinheden, die zich op den
bodem bevinden (zie bl. 148). Houdt de warmte nu eenige dagen aan,
dan beginnen zelfs zwakke stokken broed aan te zetten; men kan dit
niet meer tegengaan, maar moet het ook niet bevorderen, door met
verdunden honig te voêren. Men kan gerust als regel aannemen, om ook
in Maart zijne stokken nog met rust te laten.
April.
Er zijn sommige streken, waar de bijen in April reeds gelegenheid
vinden, om van vroeg bloeijende boomen en struiken bloemenstof, ja
zelfs eenigen honig in te zamelen. Vooral daar, waar de wilgenboom,
de waterwilg, de kruisbes, enz. gekweekt worden, is dit het geval. Bij
gunstig weder moet men nu de beschimmelde punten van den wasbouw
wegnemen. Men doe dit echter niet te vroeg, en late het zuivere
werk zooveel mogelijk staan (zie bl. 212). Moet men ledige tafels
hebben voor andere woningen, dan is men tot eene grootere inkorting
van den bouw genoodzaakt, maar legt dan eene ledige wastafel tegen
het verkorte werk, opdat het broed beschut zij voor de indringende,
koude lucht. Voor het broed is nu veel honig noodig; men moet dus
zijne stokken, vooral bij invallend koud en nat weder, goed gadeslaan,
of zij ook voedsel behoeven.
Ontdekt men nu uitgeworpen broed, dan moet men zich haasten met voedsel
te geven. Het kon evenwel ook een gevolg van gebrek aan water zijn. Men
doet daarom wel, zoo men bij koud, regenachtig weder, en ook bij felle
droogte, een weinig water in eene ledige wastafel giet, en deze onder
in de woning plaatst. De zwakke stokken moet men versterken, door er
van tijd tot tijd eene tafel met broed, dat op het uitloopen staat,
in te hangen: men ontneemt die aan sterke stokken. Heeft men twee
bijenstanden, dan doet men nog beter met den zwakken stokken van den
eenen stand bijen uit de sterke stokken van den anderen stand toe te
voegen. De bijen moeten dan met muskuswater besprenkeld worden. Men
neemt er de bijen voor, die op de deur en de voorste wastafels zitten,
schudt haar of strijkt haar met eene veêr in een transportkastje, of
in een ledigen korf, dien men met een kleed dekt, en brengt haar aldus
naar den anderen stand. Om van eene goede opname der vreemde bijen
verzekerd te zijn, geeft men den stok verdunden honig. Wanneer men
een stok aldus versterkt, moet men zich vooraf wel verzekerd hebben,
dat hij eene gezonde, vruchtbare koningin bezit.
Mei.
De maand Mei zou men de vreugdemaand van de bijenkweekers kunnen
noemen. Alle zorg voor het onderhoud is nu gewoonlijk geweken, de
vlijt der stokken wordt aanhoudend grooter, en hunne bevolking neemt
dagelijks toe. In streken, met vroege weide, kan men in het laatst
van deze maand de stokken reeds op den hoogsten trap van ontwikkeling
zien. Ongelukkig bestaan er ook streken, waar met het einde van den
boombloei, alle dragt ophoudt, tot dat de dragt op de boekweit begint,
zoodat men zijne bijen nu nog moet voêren. In deze streken valt nu
nog aan geen zwermen te denken. Door dat er in zoo langen tijd geene
dragt is, welk gemis door voêren niet natuurlijk wordt aangevuld,
worden de bijen moedeloos, en moeten door vernieuwde dragt tot het
zwermen opgewekt worden. Men doet dan beter de zwermen kunstmatig af
te drijven, en het voeder aan de afleggers te besteden. Zoodra men
hommelbroed in de stokken ziet, en de bijen nacht en dag voorliggen,
kan men er mede beginnen. Men weet dan dat er rijkdom aan volk bestaat,
en dat er hommels zijn zullen, om de koninginnen te bevruchten. Heeft
men stokken, die veel hommelbroed hebben aangezet, dan is het goed hen
zoo vroeg mogelijk af te drijven. Men krijgt er binnen eenige dagen
jonge moederbijen of moederwiegen door, die voor andere afleggers
kunnen dienen, en het aanzetten van hommelbroed heeft een einde. Oude
moederbijen hebben alleen in het voorjaar waarde, omdat zij vroeg
duizende werkbijen kunnen verwekken. De jonge moederbijen moeten zoo
vroeg mogelijk aangekweekt worden, want kunnen zij nog eene dragt
van twee maanden bijwonen, dan kunnen zij den stok nog volkrijk doen
worden, en voor een volgend jaar heeft deze dan veel meer waarde,
dan een stok met eene oude moederbij, welker vruchtbaarheid reeds
begint af te nemen. Men moet goed opletten of de jonge koninginnen
van de bevruchtings-uitvlugt terugkeeren. Bemerkt men, door de onrust
van den stok, dat zij verloren is gegaan, dan moet men hem met eene
moederbij of eene moederwieg te hulp komen. Wil men een aflegger,
met eene jonge moederbij, bijen ter versterking geven, dan moet dit
zeer voorzigtig geschieden, want nam men die bijen uit een stok met
eene bevruchte moederbij, dan zouden zij de onbevruchte dadelijk
afsteken. Men versterke daarom bij voorkeur met broedtafels. Het
weder is nu gewoonlijk reeds zoo warm, dat het broed ook zal uitkomen,
wanneer het niet geheel bezet kan worden. Het versterken behoeft ook
niet in eens te geschieden; men kan het geleidelijk doen, door van
tijd tot tijd eene tafel met broed in te hangen.
Junij.
Hoewel er in gunstige streken reeds vroeger zwermen afvliegen, en
afleggers gemaakt kunnen worden, zoo komen toch de meeste zwermen in de
maand Junij, die men daarom de zwermmaand noemt. In streken, met eene
late hoofdweide, komen toch op het laatst ook eenige zwermen, zoodat
hetgeen over het maken van afleggers in de vorige maand gezegd werd,
nu ruime toepassing vindt. In het begin van deze maand leveren zulke
streken de dragt op de witte klaver, de koornbloem en het mosterdzaad,
en tegen het einde ontsluit de lindeboom zijne honigrijke bloemkelken,
terwijl zich dan ook reeds enkele vroege boekweitbloemen openen. Daar
waar de zaadbloem voorkomt, levert zij in het begin van deze maand nog
eene goede dragt, en ook de doornstruik en de paardenboonen beginnen
er te bloeijen. Met het uitbloeijen der lindeboomen heeft daar nu
echter ook bijna alle dragt opgehouden: alleen de witte klaver kan,
als het weder niet te droog is, nog eenig voedsel geven, en bij zeer
gunstig weder kan er zelfs nog eenigen voorraad op verzameld worden.
Deze en de volgende maand geven den bijenhouder de meeste
bezigheden. Van 's morgens negen tot 's namiddags drie ure, en soms
nog later, moet hij zijne stokken bewaken, opdat er geene zwermen
ongemerkt afvliegen en dus verloren gaan. De ledige woningen moet
hij in gereedheid brengen, om er de zwermen in te plaatsen, en de
gereedschappen, om hen op te vangen, moeten voor de hand liggen. Op
een grooten stand kan de drukte met gunstige dagen zeer groot zijn;
want terwijl men zich met den eenen zwerm bezighoudt, vliegen er soms
weder andere af. Wil men de vrijwillige zwermen niet afwachten, dan
maakt men afleggers. Vooral is het goed die stokken wat spoedig af te
drijven, waarvan de bouw of de moederbij te oud is. Is dan na drie
weken al het broed uitgeloopen, dan kan men den ouden bouw geheel
of gedeeltelijk wegnemen en door den stok zelven doen vernieuwen,
hetgeen hij even goed doet als een zwerm, dien men in eene ledige
woning plaatst.
Begint er nu bij ruime dragt gebrek aan ruimte te komen, dan opent
men de honigkamer. Hierdoor wordt de ijver der bijen aanzienlijk
vermeerderd; kan men er slechts stukken van wastafels in hangen,
zij worden met spoed volbouwd en met honig gevuld. Later in den
zomer hebben de bijen minder lust om te bouwen, en bepalen zich
meer uitsluitend tot de inzameling. Het is nu het moeijelijkst
om de wastafels voor de wasmot te bewaren (zie bl. 208); het best
geschiedt dit door de bijen zelve, waarom men haar hangt in het ledig
gedeelte der woningen, die met zwermen bezet zijn. De spoorbijen,
die vooral ledige woningen, en bij voorkeur die, waarin eenig werk
hangt, bezoeken, zullen dit niet alleen voor wasmot beveiligen, maar
zoo noodig het ook daarvan zuiveren. Het is daarom goed de tafels,
die men in voorraad heeft, te bergen in woningen, die door spoorbijen
bezocht worden. Soms zullen de afvliegende zwermen hun intrek dadelijk
in zulk eene woning nemen, waartoe men hen kan lokken, door haar
van tijd tot tijd met melisse te wrijven.--Hoe later in het jaar men
een zwerm opzet, hoe volkrijker hij zijn moet om zijn voorraad op te
halen. Bij late zwermen is het vooral van belang, dat men hun een bouw
kan toevoegen, die zoo volledig mogelijk is, daar zij den tijd niet
meer hebben om dien zamen te stellen en een bouw, waarin nog maar eens
broed is geweest, ook voor den winter te koud is. Indien men gebrek
aan wastafels had, dan kon men zich die verschaffen, door den bouw
van den moederstok, drie weken nadat de oude moederbij is afgevlogen,
dus voor dat de jonge met de eijerlage is begonnen, [22] te besnijden
of geheel uit te snijden. De bouw wordt dan nog gemakkelijk vernieuwd,
en het oude was kan den laten zwermen goede diensten bewijzen.
Ik spreek hier natuurlijk van strookorven, want uit Dzierzon's
woningen neemt men de geheele tafel met het staafje weg. Indien men
genoodzaakt is ook de geheel zwart geworden tafels te gebruiken,
dan moet men die niet in het broednest, maar op zijde hangen, waar
zij gemakkelijk door andere vervangen kunnen woorden. Bevatten de
uitgesneden tafels veel honig en bloemenstof, dan moet men die een
nacht in een sterken stok leggen; de bijen maken haar dan op de snede
droog en ledig; is zij dat niet, dan kan zij niet aan het staafje
gehecht worden. Is de weide niet overvloedig, en het weder ongunstig,
dan moet men de zwermen sterk voêren. Het was bouwen gaat bij een
zwerm in het begin het snelst; naarmate er meer bijen verloren gaan
en de bouw meer uitgebreid wordt, vertraagt het, en wordt eindelijk
geheel gestaakt. Nu loopen er vooreerst geene bijen uit, en daar het
bouwen niet hervat kan worden, voordat er eene menigte bijen geboren
zijn, hetgeen bij late zwermen meest altijd eerst heeft plaats gehad,
wanneer de weide geëindigd of ten minste schraal geworden is, zoo is
het van veel belang de zwermen vroeg met broedtafels en voedsel te
ondersteunen; het voedsel moet verdund zijn, om hen tot bouwen aan te
sporen.--Men moet aan late zwermen slechts een kleinen bouw geven,
daar het beter is dat een zwerm enkele volbouwde tafels heeft, dan
eene menigte gedeelten van tafels. In het eerste geval kan men in den
herfst den bouw gemakkelijk warm maken, door hem tafels toe te voegen,
terwijl een korte bouw altijd koud blijft.
Julij.
In de meeste streken van ons land beslist de maand Julij of het jaar
voor den bijenhouder gunstig, middelmatig of slecht zijn zal. Zij is
de oogstmaand. De hoofddragt op de boekweit begint nu en duurt tot in
het begin van Augustus. Wat voor Junij gezegd is omtrent de zwermen,
is ook nu geheel toepasselijk. Op de honigrijke boekweit kunnen zij
zeer zwaar worden, wanneer het weder gunstig is. De eerste zwermen
geven dan soms maagdezwermen (zie bl. 69). De stokken moeten nu uit
zich zelven de broedaanzetting beperken, en zich meer bepaald op
de honiginzameling toeleggen. Zij doen dit echter veeltijds niet,
vooral als er, bij vochtig, warm weder, van tijd tot tijd warme
regen valt; zij breiden dan het broednest nog meer uit en zetten
hommelbroed aan. Slaat het weder om, dan blijven de tafels, die met
broed bezet geweest zijn, ledig en de stok gaat den winter honigarm
te gemoet. Dit moet de bijenkweeker trachten te voorkomen, en zijne
werkzaamheden moeten zich naar de weêrsgesteldheid wijzigen. Is het
weder droog, zoodat de bijen veel kunnen inzamelen, dan moet hij
zorgen dat er ruimte is, om te bouwen en honig op te leggen. Hij
opent de honigkamer, neemt de gevulde tafels weg en hangt er ledige
voor in de plaats: bij aanhoudende dragt kan dit soms bij herhaling
geschieden. De vlijt der bijen wordt hierdoor levendig gehouden,
terwijl zij merkelijk verflaauwt, als zij in het bezit van een ruimen
voorraad zijn. Wordt er veel ingezameld, dan wordt de broedaanzetting
van zelve beperkt, daar de ledig komende cellen terstond met honig
bezet worden. Bij eene warme, vochtige lucht en minder ruime dragt,
kan daarentegen de broedaanzetting overmatig sterk zijn; men moet
het broednest dan beperken tot vier of vijf tafels, daartegen dan
gevulde honigtafels hangen en tegen deze het verkleinplankje zetten
(zie bl. 89 en 92). De gaten daarin worden slechts zoover geopend, dat
er eene werkbij door kan. Bij staande woningen, die met zwermen bezet
zijn, kan men onder het werk een plat liggend plankje schuiven, opdat
de tafels niet te laag afgebouwd zouden worden; want het is beter dat
de zwermen eene kleine ruimte volbouwen en zooveel mogelijk met honig
vullen, dan dat zij lange tafels bouwen, die tegen den herfst ledig
zijn, daar de honig voor den wasbouw en het broed gebruikt is. Wil
men het broedaanzetten geheel tegengaan, dan zet men de koningin
in een moederhuisje. Is zij reeds oud, dan kan men haar wegnemen,
in welk geval de stok eene jonge zal aankweeken. Het is nu de tijd
om in alle stokken, met oude moederbijen, voor de aankweeking van
jonge te zorgen, wanneer men er ten minste geene in voorraad heeft,
om die in den herfst in de stokken te plaatsen; want tegen het einde
van deze maand begint de hommelslagt reeds.
Op een bezetten stand, kunnen ligt enkele stokken zijn, welke, nadat
zij een zwerm gegeven hebben, hunne jonge koningin verloren hebben,
of waarin zij onbevrucht is teruggekeerd of eenig gebrek heeft. Kan
men den bouw niet uitnemen, dan moet men er daarom, zes weken nadat de
oude moederbij met den zwerm is afgegaan, op letten of er jonge bijen
voorspelen, en of de stokken de hommels uitdrijven. Stokken, waarin
de jonge moederbij bevrucht is, doen dit vroeger dan die, welke eene
oude koningin hebben. Den moederloozen stokken geeft men zoo spoedig
mogelijk eene bevruchte moederbij, en doet dit ook met die, waarin
de koningin eenig gebrek heeft, na er deze uit gevangen te hebben.
Heeft men jonge, zwakke zwermen, welke men toch gaarne zou
overwinteren, dan moeten zij daar thans toe voorbereid worden, door
hun broed- en honigtafels uit andere stokken toe te voegen. Dit mag
niet te lang uitgesteld worden, omdat het geschieden moet, terwijl
er nog eenige dragt is. De bijen kunnen dan het bijgegeven werk met
hetgeen zij reeds bezaten in gelijkheid brengen, de tusschenruimten
aanvullen, den honigvoorraad boven het broednest brengen en alles
behoorlijk bevestigen. Men mag de broed- en honigtafels niet aan
andere stokken ontnemen, wanneer zij er niet bepaald overvloed van
hebben. In plaats van die te verzwakken, is het dan beter de zwakke
zwermen later te vereenigen.
Augustus.
In de meeste streken van ons land eindigt de weide in Augustus. Van
de weinige bloemen, welke de natuur nog aanbiedt, halen de bijen,
bij gunstig weder, misschien zooveel, als zij voor haar dagelijksch
onderhoud behoeven, en verzamelen ook nog eenig bloemenstof; veeltijds
moeten zij echter den voorraad reeds aanspreken. Waar de boekweit
nog bloeit, kan bij gunstig weder nog veel worden opgelegd. Deze late
boekweit vindt men echter alleen op de veengronden in Vriesland. Maar
men vindt in vele streken van ons land heide, en deze bloeit van
half Augustus tot half September. Over het in de heide brengen van
de bijen leze men bl. 228 en 232.
Is de hommelslagt in de vorige maand nog niet begonnen, dan gebeurt
dit zeker nu, en anders gaan de bijen er mede voort. Men moet hier wel
op letten. Stokken, die in het midden van deze maand de hommels nog
niet verdrijven, kunnen van moederloosheid verdacht worden, en die,
waarin er op het laatst der maand nog veel gezien worden, zijn zeker
moederloos. Men moet hun eene bevruchte moederbij geven, of hen met
andere stokken vereenigen. Bij het eindigen der weide zijn de bijen
zeer tot rooven geneigd, en men moet er dan inzonderheid op letten,
haar daartoe geene aanleiding te geven (zie bl. 179). Het ontnemen van
overtollige honigtafels, en het voêren van stokken, doe men alleen
in de avondschemering, bij koel weder, en in het algemeen vermijde
men alles, waardoor honigreuk op den stand verspreid kan worden. Hoe
minder dragt er is en hoe meer stokken er bij elkander staan, des te
waakzamer moet men zijn.
September.
Is de heide uitgebloeid, dan is de dragt geëindigd, tenzij er nog
eenige honigdauw viel. Alle togten, die de bijen nu doen, zijn
nadeelig; er komen meer bijen om, dan er worden aangekweekt, en de
weinige honig, dien zij nog inzamelen, blijft ongedekt en kan haar
in den winter den loop doen krijgen.
Tegen het einde van deze maand, is gewoonlijk bijna al het broed
uitgeloopen; met de bijen en het broed uit die stokken, welke men
niet wil overwinteren, kan men dan de andere versterken. Den honig
en het was kan men uitbreken of voor een volgend jaar bewaren. Om
te overwinteren, neemt men geene stokken, die zwak of van te weinig
voorraad voorzien zijn. De zoodanigen vereenige men liever, want één
goede stok is beter, dan drie zwakke. Om de overwintering waard te
zijn, moet een stok ten minste 10 Ned. pond bedekten honig bezitten, en
een bouw hebben, die twee derden van de woning vult, terwijl het volk
ten minste vier of vijf tafels moet bezetten. Hoe slechter het jaar
geweest is, hoe sterker men moet vereenigen, opdat de overgehoudene
genoegzamen voorraad zouden bezitten.
De stokken, die in het midden van September nog hommels dulden,
zijn zeker moederloos.
October.
Zoo men de zwakke stokken, die men niet zoo als zij zijn in den winter
kan brengen, nog niet vereenigd heeft, dan moet dit nu geschieden. Het
broed is nu zeker uitgeloopen, en wegens het koele weder heeft men nu
minder nood van rooven, terwijl ook de wasmot het ledige werk minder
zal aantasten.
Alleen op het warmst van den dag spelen de stokken voor, en even
als in het voorjaar is veel uitvliegen schadelijk. Men moet hen
ook niet verontrusten, door hen aanhoudend te voêren. Kan men hun
het ontbrekende niet in eens in verzegelde honigtafels geven, dan
geve men het voedsel toch in groote giften, en tegen den avond,
als de vlugt heeft opgehouden. Is de zomer zoo tegengevallen, dat
men de stokken veel moet voêren, dan is het goed hun minstens voor
een gedeelte kandij te geven. Door in den herfst veel dun voedsel te
geven, maakt men de overwintering duur en onzeker; de bijen zitten er
te koud door, en kunnen er ligt den loop door krijgen.--Hoe men het
voedsel aan de bijen geeft, is vroeger opgegeven (zie bl. 159 e. v.).
Hoewel men nu, door voedsel toe te reiken, in staat is om de stokken
door den winter te brengen, zoo is het aan te raden dit alleen dan te
doen, wanneer men, ten gevolge van een ongunstigen zomer, geene goede
overstanders heeft, want het is kostbaar, werkzaam en onzeker. In
het voorjaar kan men lang met het voêren moeten aanhouden, en in de
meeste gevallen heeft men veel last van zulke stokken.
Nu de bijen het vlieggat niet geregeld meer bezetten, trachten de
wespen wel eens in de woning te dringen. Soms vinden vele bijen den
dood, wanneer zij de indringers willen verdrijven, omdat deze het
in sterkte van haar winnen. Men moet de wespen zien te vangen door
flesschen, die half met honig- of suikerwater gevuld zijn, op den
stand te plaatsen, en hare nesten zooveel mogelijk verwoesten.
De muizen wagen zich nu ook al wel eens in de woningen. Men moet
daarom de vlieggaten verkleinen, of er spijkers in steken, om haar
het indringen te beletten. Bij het verkleinen der vlieggaten zorge
men er echter voor, dat de doorgang voor de bijen vrij blijft.