DE MOEDERLOOSHEID.

De wijzen, waarop een stok zijne moederbij kan verliezen, zoodat hij

moederloos of zoo als sommigen zeggen ongeregt wordt, zijn veelvuldig,

en er gaan dan ook jaarlijks vele stokken door dit verlies te gronde.

Verliest een stok zijne moederbij op een tijd, dat er geen ongedekt

broed aanwezig is, dan kan hij zijn verlies niet herstellen. Had hij

ongedekt broed, maar kwam eene daaruit aangekweekte moederbij op hare

bevruchtings-uitvlugt om, dan zou er geen broed meer zijn, dat geschikt

was om nieuwe hulpcellen aan te leggen. Kweeken zij eene koningin aan,

op een tijd dat er geene mannetjes zijn, om haar te bevruchten, zoodat

de stok hommelbroedig wordt, dan is hij er nog veel erger aan toe,

dan wanneer hij moederloos is. Het zal dus van veel belang zijn aan te

toonen, waaraan een moederlooze of hommelbroedige stok te herkennen

is, hoe zijn gebrek hersteld kan worden, en hoe het ontstaan van dit

gebrek kan worden voorkomen.

Een stok kan zijne moederbij missen en toch broed, maar alleen

hommelbroed, bevatten. Dit kan veroorzaakt worden door dat eene werkbij

de taak der koningin heeft op zich genomen, en eijeren legt. Indien

er hommelcellen aanwezig zijn, dan vindt men deze vooral met eijeren

bezet, want de werkbij kan, met hare lange vleugels en haar kort

achterlijf, moeijelijk eijeren in de kleine cellen leggen. Zij doet

dit evenwel toch, wanneer er geene hommelcellen zijn, doch bezet haar

dan ongeregeld, verscheidene, soms geheele hoopjes eijeren in eene

cel leggende, die dan niet tegen den bodem, maar tegen den kant der

cel geplaatst zijn. Ook in moedercellen legt de werkbij eijeren. Deze

cellen komen in moederlooze stokken veel voor, waarschijnlijk omdat

de bijen, door het gemis dat zij gevoelen, tot het aanleggen daarvan

worden opgewekt. Een stok, die zeer veel begonnen moederwiegen

bevat, moet als zeer verdacht beschouwd worden. Verkeert een stok in

het hier beschreven geval, dan is hij moeijelijk, veeltijds in het

geheel niet te helpen. De bijen hechten zich soms zoo sterk aan eene

leggende werkbij, dat zij geen acht slaan op het broed, dat men haar

geeft, om er eene hulpcel uit aan te zetten, ja eene moedercel, die

men haar heeft gegeven, vernietigen en zelfs eene haar toegevoegde

moederbij ombrengen; wanneer zij haar echter aannemen dan houdt de

werkbij met leggen op. Zulk een stok met een anderen te vereenigen

is gevaarlijk, daar veelal de moederbij zal worden omgebragt. Er de

leggende werkbij uit te vangen gaat niet. Het best is den stok te

dooden, en zijn voorraad in veiligheid te brengen, want de pogingen

tot herstel worden zelden met een goed gevolg bekroond. Eens gelukte

het mij zulk een stok weder in zijn normalen toestand terug te brengen,

door er een kleinen nazwerm bij te voegen.

Bezit een stok eene onvruchtbare moederbij, die hommelbroedig is,

dan legt deze hare eijeren regelmatig in werkbijencellen, want zij

tracht werkbijeneijeren te leggen, doch is daartoe niet in staat. Aan

de regelmatige of onregelmatige afzetting der hommeleijeren, kan men

dus ontdekken of zij van eene koningin, of van eene werkbij komen. De

koningin kan het vermogen om werkbijeneijeren te leggen soms in het

geheel niet bezeten hebben, doordat zij van hare geboorte een gebrek

aan de vleugels had, dat haar het houden der bevruchtings-uitvlugt

onmogelijk maakte; of doordat zij op een tijd geboren werd, dat het

weder te ongunstig was om te vliegen, terwijl dat later, toen het

weder gunstiger geworden was, hare geslachtsdrift was uitgedoofd; of

ook wanneer zij aangekweekt is, nadat alle hommels reeds verdreven

zijn. Hare vruchtbaarheid kan ook uitgeput zijn; dit zal spoedig

geschieden, wanneer de paring slechts onvoldoende heeft plaats gehad,

zoodat het bevruchtingsblaasje slechts gedeeltelijk gevuld was;

doch door de drukke eijerlage moet eindelijk het zaadblaasje toch

geledigd worden. Niet zelden treft men moederbijen aan, die door groote

vruchtbaarheid hebben uitgemunt, maar die toch eindelijk hommelbroedig

zijn geworden. Dr. Dönhoff ontdekte, dat men eene vruchtbare moederbij,

zonder haar leven te benadeelen, het vermogen om vrouwelijke eijeren

te leggen kan benemen, door het onderste gedeelte van het achterlijf

te drukken. Voor de zuivere voortteeling der Italiaansche bijen, kan

deze ontdekking van veel belang zijn, omdat zij het middel aan de hand

geeft, om op buitengewone tijden hommels te verkrijgen. Ook bemerkte

men toevallig, dat volkomen vruchtbare moederbijen hommelbroedig

worden, wanneer zij te lang door koude verstijfd zijn geweest. De

proef, door Berlepsch hieromtrent genomen, bevestigde dit. Hij bragt

drie gezonde, vruchtbare koninginnen in een ijskelder; na eenige uren

in de warmte gebragt zijnde, herleefde er slechts eene, die nu geen

enkel werkbijenei meer legde. De jonge moederbijen, die onbevrucht

blijven, leggen gewoonlijk den eersten zomer niet, maar beginnen,

in het volgende voorjaar, bij het ontwaken der voortplantingsdrift,

hommeleijeren te leggen.

Bleef hij aan zich zelven overgelaten, dan zou de moederloosheid van

een stok altijd zijn ondergang na zich slepen, en toch heeft zij in

de meeste gevallen weinig te beteekenen, wanneer zij maar spoedig

ontdekt wordt, zoodat zij verholpen kan worden. Naar den tijd van het

jaar, moeten daarvoor verschillende wegen worden ingeslagen. Men kan

den stok, door hem ongedekt broed te geven, of hem eene voorhanden

moederbij toe te voegen, weder in normalen staat brengen of hem ook

helpen, door hem met een anderen stok te vereenigen. Kan of wil men

hem niet helpen, dan mag hij in geen geval op den stand gelaten worden;

men moet hem dooden, en zijn voorraad zoo spoedig mogelijk in zekerheid

brengen; deed men dit niet, dan zou de voorraad òf nutteloos verteerd

worden, òf hij zou eene prooi der roofbijen worden, die, eenmaal tot

rooven opgewekt zijnde, zich ook op andere stokken zouden werpen.

Het is dus van het hoogste gewigt te weten, waaraan een moederlooze

stok te herkennen is. Het zekerste en duidelijkste bewijs van het

verliezen der moederbij is de onrust, die het geheele volk bevangt,

kort nadat het zijn verlies bemerkt heeft. Gewoonlijk ontdekken de

bijen het dadelijk, maar bij uitzondering ook wel den volgenden of den

tweeden dag. Men ziet dan eene menigte bijen uit het vlieggat komen;

sommigen vliegen af, maar niet in die rigting, waarin zij op de dragt

uitvliegen; zij vliegen slechts rond de woning en komen weder terug;

anderen loopen over de geheele woning, vooral in den omtrek van het

vlieggat, heen en weder, als of zij iets zochten, zij betoonen groote

onrust, gaan de woning weder binnen, doch komen terstond terug, en

herhalen dit onafgebroken, zelfs totdat het reeds donker wordt, en alle

andere stokken in rust zijn. Deze zoekende bijen zijn zeer geneigd tot

steken; komt men er digt bij, dan vliegen zij plotseling in het gezigt.

Het angstig heen en weder loopen in den laten avond van warme

zomerdagen, heeft soms een geheel anderen grond dan moederloosheid, en

de onkundige kon hierdoor al ligt misleid worden. Evenwel zal men dan

spoedig ontdekken, dat het eene andere oorzaak heeft, daar men het,

zoo al niet bij alle, dan toch bij de meeste stokken waarneemt. In

dit geval houden zij zich bezig met het afweren van wasmotten, die in

de avondschemering, na warme dagen, in groote hoeveelheden omvliegen,

en in de woningen trachten te dringen.

Om moederlooze stokken zoo spoedig mogelijk te ontdekken, moet

men zijn stand, vooral in den zwermtijd, alle avonden bezoeken,

want de onrust, die zij betoonen, is een onbedriegelijk teeken, dat

evenwel veelal maar kort is waar te nemen; wanneer zij eenmaal de

zekerheid verkregen hebben, dat hare moederbij verloren is, dan zijn

de bijen gewoonlijk in haar lot getroost, waarna men geene onrust meer

bespeurt. Dan wordt het moeijelijk, vooral voor eerstbeginnenden, om

den waren toestand van den stok te leeren kennen. Het terugkeeren der

rust kan het gevolg zijn van het aanzetten van hulpcellen, uit broed

dat voorhanden was; in woningen met lossen bouw kan men zich daarvan

terstond overtuigen. Maar de bijen zullen ook tot rust komen, en hare

bezigheden hervatten, als of zij eene moederbij hadden, indien zich

slechts eene enkele werkbij in den stok bevindt, die de cellen met

eijeren bezet. Ook zullen zij zich tevreden stellen met moedercellen,

aangelegd van geheel ledige of slechts hommelbroed bevattende cellen,

in de hoop dat daaruit eene koningin zal geboren worden. Eijerleggende

werkbijen zijn niet zoo zeldzaam, als men dit wel zou denken;

in moederlooze stokken vindt men immers, in de meeste gevallen,

na korter of langer tijd, hommelbroed, en soms in zoo ruime mate,

dat het onmogelijk van ééne bij afkomstig kan zijn. Het gebeurt ook

wel dat eene werkbij eijeren begint te leggen, zoodra de bevruchte

moederbij met den zwerm is afgevlogen; zij houdt daarmede aan, zoo

lang de stok nog slechts moederwiegen bezit, of de jonge koningin

nog niet bevrucht is; wanneer deze echter met de eijerlage begint,

dan houdt de werkbij er mede op.

Een tweede kenmerk van een moederloozen stok bestaat daarin,

dat als men de woning opent, kort nadat de moederbij verloren is,

men de bijen langs de wanden en over het werk verspreid zal vinden,

waar zij, zoekende heen en weder loopen. Blaast men er den adem op,

dan doen zij een bijzonderen, huilenden klaagtoon hooren, zeer goed

te onderscheiden van den korten, krachtigen, bruisenden toon, dien

een gezond volk doet hooren, als men slechts even tegen zijne woning

tikt. Wie die toonen naauwkeurig weet te onderscheiden, behoeft de

woning niet te openen. Hij legt het oor tegen den wand en tikt daar met

den vinger tegen. Is de stok gezond, dan zal hij een sterk, bruisend

geluid doen hooren, dat terstond weder verstomt; is hij moederloos,

dan zal het een huilende toon zijn, die eenigen tijd aanhoudt. Door de

stokken, bij het einde van den winter, voordat men hen laat vliegen,

aldus te onderzoeken, kan men de gezonde gemakkelijk onderscheiden

van die, welke als verdacht in het oog gehouden moeten worden.

Heeft de moederlooze toestand evenwel reeds eenigen tijd geduurd,

dan zal men bij het onderzoek de bijen geheel in het broednest

teruggetrokken vinden. Blaast men er nu den adem op, dan komen zij

met drift te voorschijn, en doen het huilende geluid hooren, daarop

trekken zij terstond terug, en niet eene bij zal aan vliegen of steken

denken. Als gezonde stokken eene sterke vlugt hebben, dan zal de hare

traag zijn; wel komen er eenige met bloemenstofballetjes te huis,

maar deze zijn zeer klein; zij gaan wel in de woning, doch leggen

alle balletjes niet af, maar komen er terstond weder mede terug en

vliegen af. Zijn de moederlooze stokken volkrijk, en bezitten zij

eene eijerleggende werkbij, dan dragen zij soms eene belangrijke

hoeveelheid bloemenstof in, zoodat zij er het geheele broednest bijna

mede vullen. Bij ruime weide kunnen zij dan ook veel honig opleggen;

want daar de bijen het er voor houden dat zij eene moederbij bezitten,

zoo vervolgen zij al hare bezigheden, en kunnen, nu zij slechts weinig

broed te verzorgen hebben, veel honig inzamelen.

De bijen, uit moederlooze stokken, vervliegen veelal op andere stokken,

en er zijn bijenhouders die veronderstellen, dat zij er zich op

toeleggen, om hare verlaten woning te berooven, en ook andere bijen

daarheen te lokken; dit zou dan de reden zijn, dat moederlooze stokken

zoo spoedig door roovers worden uitgeplunderd. Deze veronderstelling

kan zeer juist zijn.

Een derde teeken van moederloosheid is het niet uitdragen van dooden

en andere onreinheden, hetgeen gezonde stokken altijd doen. Zoodra de

moederloosheid bestaat, onttrekken de bijen zich aan alle bezigheden:

zij bekommeren zich niet meer om de huisselijke zaken. Bij gezonde

stokken ziet men, zoowel bij dag als 's avonds, vele bijen aan het

vlieggat vereenigd, om de zonnewarmte of de avondkoelte te genieten,

terwijl eenige, met den kop naar het vlieggat en het achterlijf

naar boven gerigt, als een teeken van vreugde onophoudelijk met de

vleugels slaan. Bij moederlooze stokken ziet men van dit alles niets;

alle vreugde is van hen geweken; ook houdt het voorspel spoedig geheel

op. Terwijl gezonde stokken zich uiterlijk in het begin van Augustus

van alle hommels ontdoen, zoo behouden de moederlooze hen, zonder

aan de uitdrijving te denken, waarschijnlijk omdat zij weten geene

bevruchte moeder te kunnen bekomen, wanneer er geene mannetjes in den

stok zijn. Bij hunne eigene nuttelooze kostgangers, bedelen zich ook

nog eene menigte hommels in, die uit andere stokken verdreven werden,

om gezamenlijk op den steeds verminderenden voorraad te teren. Wanneer

dus een stok in het laatst van Augustus de hommels nog niet heeft

uitgedreven, dan moet men hem in het oog houden, en duldt hij die in

September nog, dan kan men verzekerd zijn dat hij moederloos is.

Blijft men, ondanks de opgegeven kenmerken, in het onzekere omtrent

een stok, dan moet men tot het laatste en meest afdoende middel zijne

toevlugt nemen, en trachten te ontdekken of zich werkbijenbroed in

den stok bevindt. Ontdekt men eijeren en broed van verschillenden

ouderdom, dan mag men als zeker aannemen, dat de stok eene goede

moederbij bezit. Vindt men geene eijeren, doch wel ongedekt broed,

dan kan men zich overtuigd houden dat de koningin in de laatste drie

of vier dagen vermist is; wanneer er nog hommels zijn, behoeft men zich

over het verlies niet te verontrusten, want zoo er nog geene hulpcellen

zijn aangezet, dan zullen de bijen het zeker den eerstvolgenden nacht

doen. Is er niets dan gedekt broed, dan moet de moederbij reeds sedert

acht dagen verloren zijn, en hadden zij geene hulpcellen aangezet,

dan moeten zij moederloos blijven. Wordt er in het geheel geen broed

gevonden, dan heeft de moederloosheid ten minste reeds twintig dagen

bestaan, wanneer het namelijk in een tijd is, dat de stokken broed

moeten hebben.

Het hier opgegeven onderzoek geschiedt in Dzierzon's woningen zeer

gemakkelijk, doch bij korven heeft het eenig bezwaar. Men moet deze

omkeeren en de tafels met de hand zooveel mogelijk uit elkander buigen,

er de zon zoo zij schijnt tusschen doen vallen, en dan trachten te

zien, hoe het met het broed gesteld is. Daar het broed evenwel in zulke

twijfelachtige gevallen alleen in den top van den korf staat, zoo moet

men veeltijds de tafels tot op de zitplaats der bijen inkorten, en zoo

het oogmerk dan nog niet bereikt wordt, dan moet men uit de zitplaats

zelve vierkante stukjes snijden, en die zorgvuldig bezien. Ontdekt

men er het verlangde broed in, dan is de stok in orde, men steekt

de uitgesneden stukjes weder op hunne plaats, en bevestigt hen met

kleine pennetjes; in het omgekeerde geval is de stok moederloos.

De hoofdoorzaken der moederloosheid zijn:

1o. Dat de moederbij, ten gevolge van hoogen ouderdom komt te

sterven. Door haar niet ouder dan twee of hoogstens drie jaar te

laten worden, neemt men deze oorzaak weg.

2o. Het te digt bij elkander plaatsen der stokken, zoodat de bijen bij

het voorspel, en vooral bij het eerste in het voorjaar, gemakkelijk op

de nevenstokken vervliegen, en de haar vreemde koningin ombrengen. Ook

verdwalen hierdoor vele jonge koninginnen, na het houden van hare

bevruchtings-uitvlugt, die nu eene prooi des doods worden, en dus

voor hare stokken verloren zijn. Men moet de vlieggaten ten minste

twee voet van elkander verwijderd houden. Ook zou het goed zijn,

tusschen naast elkander staande woningen, eene vooruitstekende

plank aan te brengen; de bijen konden dan niet zoo gemakkelijk van

de eene woning op de andere loopen. Heeft men vele stokken en weinig

plaats, dan is men wel genoodzaakt de woningen digt bij elkander te

zetten. Het overloopen van de eene woning op de andere wordt dan het

best voorkomen, door er een haarachtig voorwerp tusschen te plaatsen;

zij keeren daarvoor terug. Ik gebruik er wel strooken konijnenvel

toe. Gedurende den zwermtijd moet men, tusschen twaalf en vier ure,

niet de minste verandering aan de woningen aanbrengen, en er ook niet

te digt voor staan of heen en weder loopen. Eene jonge moederbij, die

hare bevruchtingsuitvlugt hield, kon door het eerste hare woning niet

meer herkennen, of door het laatste verhinderd worden haar te bereiken.

Heeft men de moederloosheid met zekerheid ontdekt, dan moet men

trachten haar zoo spoedig mogelijk te herstellen. In het vroege

voorjaar is dit zeer moeijelijk, want men heeft dan geene overtollige

moederbijen, en gaf men de bijen eene tafel met ongedekt broed,

dan komt de jonge koningin, wanneer zij er eene aankweeken, op een

tijd dat er nog geene hommels zijn, om haar te bevruchten. Ook zou de

jonge moederbij, op hare vele nuttelooze uitvlugten, zeer ligt door de

koude bevangen worden en omkomen, of ontmoedigd door hare vergeefsche

togten, het vliegen geheel nalaten, en dus onbevrucht blijven,

waardoor de stok hommelbroedig kon worden. Wanneer de moederloosheid

ontdekt wordt, vóórdat er nog hommelbroed in de stokken te vinden is,

dan doet men het best met de bijen uit de woning te nemen, en haar

aan den nevenstok toe te voegen, na vooraf beide volken berookt, en

met muskuswater besprenkeld te hebben. Bewaart men den nu ledigen

bouw zorgvuldig voor wasmot, dan kan men hem later aan een zwerm

toevoegen. Bevindt men echter den moederloozen stok hommelbroedig,

en dat niet door eene werkbij, dan kan men de ongeschikte koningin

vinden, door den bouw uit te nemen en haar op de tafels te zoeken; bij

korven moet men de bijen bedwelmen en haar dan zoeken. Is de koningin

weggenomen, dan kan men de bijen met den nevenstok vereenigen. Is

men verzekerd dat het hommelbroed van eene werkbij is gekomen, dan

kan, zoo als boven reeds werd opgegeven, niets beters gedaan worden,

dan den stok te dooden en den voorraad er uit te nemen.

Ontdekt men de moederloosheid in een tijd, dat er hommelbroed aanwezig

is, dan kan men ongedekt broed geven, waaruit de bijen zich eene

koningin kunnen aankweeken. Heeft de moederloosheid reeds eenigen

tijd bestaan, dan zullen de bijen aan haar onnatuurlijken toestand

reeds zoo gewend zijn, dat zij het broed wel verzorgen, maar er geene

hulpcellen uit aanzetten. Men moet daarom eerst een of twee tafels,

met op het uitloopen staand broed in de woning hangen, en zoodra het

broed uitgeloopen is, er eene tafel met ongedekt broed bijvoegen. De

jonge bijen zullen, als zij haar toestand ontdekt hebben, terstond

hulpcellen aanleggen. In den regel is het evenwel voordeeliger zich

zooveel moeite niet te geven, want in het gunstigste geval verloopen

er nog zes weken, voordat het broed van de jonge moederbij uitloopt,

en dan is de dragt dikwerf grootendeels verstreken. Men zal zijn belang

meer bevorderen, door de bijen met een anderen stok te vereenigen,

waardoor men een volkrijken stok verkrijgt, die spoedig een sterken

zwerm kan geven.

Kort voor of in den zwermtijd, zal een stok die moederloos geworden is,

zichzelven gewoonlijk helpen, wanneer er ten minste ongedekt broed

voorhanden is. In den zwermtijd heeft er ook dikwijls verwisseling

van moederbijen plaats, zonder dat de eigenaar dit bespeurt.

Ontstaat er moederloosheid bij een nazwerm, door dat de moederbij

op hare bevruchtings-uitvlugt is verloren gegaan, dan moet de stok,

die volstrekt geen broed bezit, noodzakelijk omkomen, zoo men hem

geene hulp verschaft. Zulk een zwerm moet men dan dadelijk eene

moederbij geven, die voor de zekerheid in een moederhuisje besloten

wordt; men kan hem ook eene moedercel, of bij gebrek daarvan eene

tafel met ongedekt broed toevoegen. Had men soms een nazwerm van

denzelfden dag, die dus nog niet gevlogen had, dan was het best van

allen, dezen bij den moederloozen zwerm te voegen, na beide eerst met

muskuswater besprenkeld te hebben. Men verkrijgt nu een sterken zwerm,

die spoedig eene bevruchte moederbij zal bezitten. Om de nazwermen

in de gelegenheid te stellen, dadelijk zich zelf te kunnen helpen,

wanneer de moederbij verloren raakt, is het aan te bevelen bij hunne

opzetting eene tafel met ongedekt broed in de woning te hangen;

zij nemen de woning dan ook gereeder aan.

Valt de moederloosheid in, wanneer er geene hommels meer zijn,

zoodat eene aangekweekte koningin onbevrucht zou moeten blijven, dan

heeft men geene andere toevlugt, dan het geven van eene bevruchte

moederbij, welke men daarom zorgen moet in voorraad te hebben. Men

zet daartoe drie of vier kleine nazwermen afzonderlijk, of maakt

er kleine kunstzwermen voor. In bloempotten of zeer kleine korfjes

kan men deze opzetten, wanneer men slechts zorg draagt hen goed

te voêren. In den herfst kan men altijd helpen, want men heeft dan,

bij de vereeniging van stokken, moederbijen genoeg. De moederbij, die

men aan een stok geeft, moet vooral in den zomer in een moederhuisje

besloten worden, daar zij anders meestal vijandelijk aangevallen en

gedood zou worden. Na een paar dagen in het broednest gehangen te

hebben, laat men haar vrij, doch houdt haar tevens in het oog. Wordt

zij met vreugde en liefde aangenomen, hetgeen de bijen toonen door

haar te lekken en te voêren, dan kan men gerust zijn. Verzamelen de

bijen zich daarentegen al digter en digter om haar, en doen zij daarbij

een sissend geluid hooren, dan kan men zich verzekerd houden dat zij

geene goede bedoelingen hebben; men moet dan de koningin zoo spoedig

mogelijk van de haar omringende bijen bevrijden, en haar weder in het

huisje plaatsen. Men hangt dit nu nog eenige dagen in het broednest,

en als men de moederbij vrij wil geven, sluit men de opening met

een wasblaadje, dat de bijen openbijten om haar dus te bevrijden. Op

die wijze nemen de bijen haar meest altijd aan; waarschijnlijk in de

veronderstelling dat zij haar zelf aangekweekt hebben. In den herfst

is het opsluiten der moederbij minder noodig, daar zij dan gewoonlijk

vreedzaam wordt aangenomen. Er zijn zelfs voorbeelden van dat zij twee

koninginnen aannamen, die den geheelen winter in den stok bleven. In

het voorjaar wordt echter eene van beiden afgemaakt.

Handboek voor Bijenhouders · 第 95 / 109 题