Het rooven is eene wezenlijke plaag voor den bijenhouder. Hoewel de
schuld daarvan ten deele bij de bijen ligt, zoo wordt het door de
onachtzaamheid van den bijenhouder bevorderd, en kan omgekeerd door
zijne zorg grootendeels worden tegengegaan.
De onverzadelijke begeerte naar honig, de bijen door de natuur
ingeschapen, geeft aanleiding dat zij, in het veld niets meer vindende,
andere stokken trachten binnen te dringen om, zoo haar dit gelukt,
rijk met honig beladen naar hare woning terug te keeren.
Heeft dit rooven slechts door enkele bijen plaats, dan noemt men
deze zoekers of schuimers, en hoewel men ook deze niet gaarne ziet,
toch vindt men hen het geheele jaar door. Zij zijn kenbaar aan de
kleine schermutselingen, waaraan men nu en dan enkele bijen voor
de vlieggaten ziet deelnemen. Zij onderscheiden zich ook door eene
onzekere en vreesachtige vlugt; terwijl de eigene bewoners regelregt
op de vliegplank aanvliegen, zich daarop plaatsen en terstond in de
woning gaan, blijven zij vreesachtig, met nederhangende achterpooten
voor de woning vliegen, zetten zich eindelijk beschroomd op de
vliegplank neder, en vliegen veelal ook weder met schrik af.
Zijn de bijen van den bezochten stok waakzaam, dan zullen zij de
ongenoode gasten wel afwijzen, en er zullen geene nadeelige gevolgen
uit het bezoek voortvloeijen. Zijn zij integendeel niet op hare hoede,
zoodat het den zoekers gelukt binnen te dringen, zich met honig vol
te zuigen, en naar hunne eigene woning rijk beladen terug te keeren,
dan zal er voor den bezochten stok een zware strijd ophanden zijn,
die veelal met zijn ondergang eindigen zal, vooral indien het plaats
heeft, wanneer er in het veld niets te vinden is. De zoekers, die
rijk beladen in hunne eigene woning zijn teruggekeerd, zoeken den
ontdekten schat niet alleen weder op, maar brengen andere bijen mede,
die op hare beurt weder andere verlokken. Zij leggen alle vrees af,
en vliegen driftig en regelregt aan op het vlieggat en de andere
openingen, die er zijn mogten. Spoedig is het getal der roovers,
die den stok bevliegen, sterker dan zijn eigen volk. Met overhaasting
zuigen zij zich vol; met gevulde magen komen zij uit het vlieggat, en
zij vliegen af zonder zich lang op de vliegplank op te houden. Vat men
zulk eene bij, en opent men de honigmaag, dan kan men zich overtuigen
van de groote hoeveelheid honig, die zij met zich voert, en daarbij
het groot aantal roovers in aanmerking nemende, zal men zich niet meer
verwonderen over den spoed, waarmede een stok kan worden uitgeplunderd.
In het bijzonder moet men zijne stokken gadeslaan, wanneer er eene
ruime weide volgt, op een tijd dat er geene dragt was. De bijen
vliegen begeerig naar de weide, zonder zich op de vliegplank op te
houden, en van deze gelegenheid trekken andere veeltijds partij, om
een roof-aanval te wagen. De rooverij kan in zulk een geval reeds eene
aanmerkelijke hoogte bereikt hebben, voor dat de beroofden bemerken,
wat er in hare huishouding omgaat. Zij zijn dan veelal niet meer in
staat om de moedig en sterk geworden roovers het hoofd te bieden;
door schrik bevangen, geven zij zich geheel over aan de vermetele
indringers. Nu komen de roovers in grooter en grooter wordende drommen
terug, en komt de bijenhouder den stok niet te hulp, dan dragen zij hem
spoedig geheel ledig. Niet zelden wordt de koningin van den beroofden
stok in de verwarring beschadigd of gedood. Het beroofde volk, hierdoor
geheel ontmoedigd, maakt dan dikwijls gemeene zaak met de roovers,
trekt met hen mede, en laat de woning met den ledigen bouw in den
steek. De eigenaar moet het evenwel zoo ver niet laten komen. Hij
moet zorgen dat er geene rooverij ontstaat, en is zij uitgebroken,
dan moet hij haar zoo spoedig mogelijk tegengaan.
De aanleiding tot rooven moet dikwerf gezocht worden in de ligging
van den bijenstand. Moeten bijen van den eenen stand, naar de weide
vliegende, over een anderen stand trekken, dan lokt de honigreuk haar
niet zelden uit, den honig liever hier weg te nemen, dan hem op het
veld met moeite te verzamelen. Dit is zeker de hoofdreden, waarom
op den eenen stand zooveel en op een anderen slechts zelden rooverij
gepleegd wordt. De roovende stokken worden gewoonlijk rijk aan honig
en geven hunnen eigenaar goede renten. Nogtans zal de weldenkende
bijenhouder, die ongaarne ziet dat zijne stokken beroofd worden,
ook alle moeite aanwenden om hun het rooven te beletten.
Meestal geeft de bijenhouder zelf aanleiding tot de rooverij,
door op den stand zwakke, ja zelfs moederlooze stokken te laten
staan. Deze verliezen door hun onnatuurlijken toestand, gene door
hunne ontoereikende bevolking, den moed om zich te verdedigen:
spoedig worden zij eene prooi der roovers, die door het goede gevolg
van hun aanval moedig geworden, hun rooflust niet opgeven, wanneer
deze stokken uitgeplunderd zijn. Veeleer trachten zij zich dan op
sterkere stokken te werpen, die een verdubbelden wederstand moeten
bieden, om de vermetel en sterk geworden aanvallen af te weren. Aan
zich zelven overgelaten, zullen zij hiertoe veelal niet in staat zijn,
en er zal spoedig eene algemeene rooverij ontstaan.
Al wat rooverij kan veroorzaken, moet zorgvuldig vermeden worden. In
de eerste plaats zal men moeten letten op de vlieggaten. Elke
enkelvoudige woning, of elk vak van eene zamengestelde, mag er
slechts een of hoogstens twee hebben: in het laatste geval mogen
beiden slechts bij eene zeer rijke dragt geopend zijn. Reten, die
hier of daar toegang tot de woning konden geven, mogen er volstrekt
niet bestaan; worden zij hier of daar gevonden, dan moeten zij
met klei gesloten worden. De vlieggaten make men laag en breed,
opdat de roovers daar niet in de vlugt binnen kunnen dringen, maar
zich eerst op de vliegplank moeten zetten, waar zij gemakkelijker
worden aangevallen en teruggedreven. Ten tweede moet men alles van
den stand verwijderen, wat er honigreuk verspreiden kon; inzonderheid
in het voor- en najaar is dit noodzakelijk. Bij eene rijke weide zou
men op zijn stand misschien dagen lang honig laten staan, zonder er
eene enkele bij op te bespeuren; doch het nemen van zulke proeven
zal wel niet aan te raden zijn. Bij het voêren mag men op den dag
geene voeder-gereedschappen op den stand laten blijven, en bij het
besnijden zal men ook de wastafels met zorg moeten wegruimen. De reuk
zou de bijen naar deze voorwerpen lokken; in digte drommen er rond
zwermende, om er den honig uit te likken, zou haar rooflust opgewekt
worden, en men zou zijne zorgeloosheid zwaar kunnen boeten. Er zijn
wel verscheidene middelen om de rooverij, wanneer zij pas begonnen
is, tegen te gaan, maar het zal toch beter en voorzigtiger zijn haar
ontstaan te verhoeden.
Men ontdekt de roovers door hunne buitengewoon sterke vlugt, door den
bijzonderen toon dien zij doen hooren, door hunne onrustige houding,
door het afhangen van hunne achterpooten, door dat zij het vlieggat
in de vlugt trachten binnen te dringen, en door dat zij de woning met
een sterk opgezwollen achterlijf verlaten; bij haar eigen volk heeft
juist het omgekeerde plaats. Zekerder evenwel dan aan een van deze
kenmerken, herkent men de roovers aan den tijd van hunne vlugt. Zij
beginnen reeds te vliegen, als de andere bijen nog in volle rust zijn,
en houden er lang mede aan, nadat deze het gestaakt hebben, veelal
tot het invallen der avondschemering. Het is dus goed zijne stokken
dagelijks tegen den avond te bezoeken. Vindt men alles in rust, dan
kan men zich ook verzekerd houden, dat er geene rooverij plaats heeft.
De middelen, die men moet aanwenden om het kwaad, zoo dit ontdekt
is, tegen te gaan, hangen af van de hoogte waartoe het geklommen is,
van den aard der woningen, en van de omstandigheid, of men eigenaar
van beide stokken, den roovenden en den beroofden, dan slechts van
een van beiden is.
Is het rooven pas begonnen, en is de aangevallen stok van eene koningin
en van een niet te klein volk voorzien, dan kan men het spoedig doen
ophouden. In de meeste gevallen zal men zijn doel bereiken, door
het vlieggat zoo te verkleinen, dat er slechts een of twee bijen te
gelijk door kunnen, en den ingang en den buitenwand der woning in
den omtrek er van, met stinkende stoffen in te wrijven, waartoe men
meestal duivelsdrek of knoflook gebruikt. Dzierzon geeft als het
beste middel op, om den angel, met de daaraan hangende giftblaas,
uit eenige afgestoken bijen, tegen het vlieggat stuk te wrijven. Ik
gebruik nu sedert een paar jaar brandige, dierlijke olie. Daarmede
bestrijk ik ook een kaartenblad, of een plankje, en bevestig dit
zoo tegen het vlieggat, dat de bijen zich op de vliegplank moeten
plaatsen, om in de woning te kunnen komen. Door dezen hinderpaal
en den stank afgeschrikt, laten de roovers af; de beroofde bijen,
door den stank boozer geworden, verdedigen zich ook beter.
Veeltijds ziet men de beroofde bijen reeds niet meer aan tegenweer
denken, wanneer de rooverij nog maar kort heeft geduurd: zij laten de
roovers vrij uit- en ingaan. Dit moet daaraan worden toegeschreven,
dat allen denzelfden reuk hebben verkregen, zoodat zij geen vriend
of vijand kunnen herkennen. Velen raden aan den beroofden stok en den
roofstok dan onderling van plaats te verwisselen. Dit kan zonder gevaar
geschieden, daar er geene vechterij door zal ontstaan, maar de bijen
elkander wederkeerig zullen verdragen. Zelden zal men er evenwel baat
bij vinden. Gewoonlijk wisselen de rollen slechts: de roover wordt
de beroofde en omgekeerd.--In de Bienenzeitung wordt opgegeven, den
beroofden stok in zulk een geval een muskusreuk mede te deelen. Dit
geschiedt door 's avonds, wanneer alle vlugt heeft opgehouden, en alle
roovers naar hunne eigene woning zijn teruggekeerd, een paar grein
muskus, in papier gevouwen, onder in de woning te leggen. Den volgenden
morgen neemt men het papier met muskus weder weg, en bewaart het in
een goed gesloten fleschje; het kan dan jaren tot hetzelfde doel
worden gebruikt. Het beroofde volk heeft nu een sterken, vreemden
reuk verkregen, en daardoor boosaardig geworden, zal de vroegere
verdraagzaamheid geëindigd zijn. De toevliegende roovers worden door
den vreemden reuk afgeschrikt en vreesachtig, waardoor zij veeltijds
worden afgeslagen, en van verder rooven afzien. Het doelmatige van
deze behandeling heb ik ondervonden. Wanneer de rooverij te sterk is
toegenomen, helpt het evenwel niet; de roovers laten zich dan door
niets meer afschrikken.
Het is beter en zekerder tevens, om een der stokken op een verwijderden
stand te brengen, en hem daar eenigen tijd te laten staan. Het hangt
van omstandigheden af, welken stok men bij verkiezing verplaatsen
moet. Is de beroofde stok tevens slecht bevolkt, dan kan men hem bijen
toevoegen of een gedeelte der roovers opvangen. Dit geschiedt door
een buisje van drie of vier duim lang, in eene schuinsche rigting zoo
in het vlieggat te steken, dat het uiteinde ten minste een paar duim
binnen de woning doorsteekt. Dit buisje moet het vlieggat niet geheel
sluiten, maar aan de kanten openingen vrij laten, waar licht door valt,
doch die te klein zijn om eene bij door te laten. De bijen kunnen
nu wel in de woning gaan, maar den uitgang kunnen zij niet vinden,
want zij zoeken dien daar, waar zij het licht zien. Meent men aldus
genoeg bijen opgevangen te hebben, dan brengt men den stok naar den
verwijderden stand. Hij is dan voor verdere aanvallen gevrijwaard en
tevens versterkt; men heeft hem dus dubbel voordeel aangebragt. Was
het evenwel te vreezen dat de roover zich, na de verplaatsing van
den beroofden stok, op de nevenstokken zou werpen, en dat deze geen
behoorlijken wederstand zouden kunnen bieden, dan deed men beter
den roover te verplaatsen. Daar het echter gevaarlijk kon zijn om
in den zomer eene volbouwde woning te vervoeren, en de roover zich
ook in eene zamengestelde woning kon bevinden, zoo is het beste
hem als kunstzwerm af te drijven, en zoo naar een anderen stand te
brengen. Aan de weinige bijen, die dan in de woning terug blijven,
voegt men een anderen afgedreven zwerm toe, om te zamen een nieuwen
stok te vormen. Men heeft op deze wijze het rooven doen ophouden en
bovendien nog een stok gewonnen, die, zoo de dragt nog eenigen tijd
blijft aanhouden, nog genoeg kan binnenhalen.
Behoort de roofstok echter aan een ander, die geene pogingen
wil aanwenden om het rooven tegen te gaan, of kan men hem niet
ontdekken, dan moet men, door nood gedrongen, de roovers zoo veel
mogelijk opvangen, hen aan een zwakken stok geven en dezen dan
verplaatsen. Het vereischt geen betoog, dat de billijkheid medebrengt,
dat men het rooven van zijne bijen evenzeer tegengaat, als het beroofd
worden. Wederkeerig zal men ook beter gebaat zijn, door elkanders
eigendom zoo veel mogelijk te eerbiedigen, dan door de bijen tot
handlangers te gebruiken, om zich vreemd goed toe te eigenen. Dan
zou men er toch van beide zijden door wraakzucht toe geleid worden,
om middelen te bedenken, waardoor men elkander de geleden verliezen
kon betaald zetten, wat voorzeker voor geen der partijen wenschelijk
zou zijn.
Boven werd reeds een middel opgegeven om de roovers op te vangen. Dit
kan ook op de volgende wijze geschieden. Men neemt de beroofde woning
weg en zet er eene ledige, die haar gelijkt, voor in plaats. In
die ledige woning hangt men eene tafel, waarin de honig versuikerd
is; bij gebrek daarvan kan men ook eene ledige wastafel, met hard
geworden honig besmeren. Daar de bijen dezen honig niet gemakkelijk
kunnen inzuigen, zoo zullen er zich na eenigen tijd verscheidene
op die tafel verzameld hebben. Men neemt haar dan uit de woning,
en schudt de bijen daar af in een transportkastje. Dan hangt men de
tafel weder in de woning, en herhaalt dezelfde bewerking zoo dikwijls,
tot dat men eene voldoende hoeveelheid roovers heeft opgevangen, en
er weinig of geen meer binnen komen. De roofstok wordt op deze wijze
zoo verzwakt, dat alle verdere lust tot rooven hem wel zal benomen
zijn. Kent men hem, dan kan men nog een handvol klein gesneden stroo
of houtkrullen in zijn werk werpen, waardoor men het overgebleven volk
zooveel bezigheid verschaft, met het uitdragen van deze onreinheden,
dat zij aan geen rooven meer denken kunnen.
Bij het afschudden der tafel in het transportkastje, zouden er al
ligt vele bijen ontsnappen, indien men geene voorzorgen nam, om dit
te voorkomen.
Men neemt een blikken kokertje, van 4 duim diep, met eene opening,
welke 3 duim breed is, terwijl hare lengte gelijk moet zijn aan de
breedte van het kastje. Aan het eene uiteinde wordt de rand van dit
kokertje omgebogen, en een gemakkelijk daarin sluitend deksel wordt
er bij gemaakt. De van het draadwerk meest verwijderde schuif van het
kastje opent men zoover, dat dit kokertje tusschen de beide schuiven
geplaatst kan worden: op den omgebogen rand rustende, kan het niet
naar binnen vallen. Aldus plaatst men het kastje, met het draadwerk
naar het licht gekeerd, bij de woning. Schudt men er bijen in af, dan
zullen deze terstond naar voren vliegen, en zich tegen het draadwerk
verzamelen, zoodat er slechts weinige ontsnappen. Telkens als er
bijen in het kastje gedaan zijn, sluit men de opening weder.
Het kan soms moeijelijk zijn om den roofstok te ontdekken. Geschiedt
de rooverij door bijen van denzelfden stand, dan ontdekt men hem,
zoo als dat voor den beroofden stok werd opgegeven, aan de late
vlugt. Midden op den dag, als alle stokken vliegen, is het soms
moeijelijk te zien. Dan is het best om het vlieggat van den beroofden
stok eenigen tijd te sluiten, tot dat er zich een klomp bijen voor
verzameld heeft. Deze bepoedert men dan sterk met meel of krijt,
en ziet toe waar zij binnengaan. Ook kan men de standplaats van den
roofstok eenigzins afleiden, uit de rigting, waarin de roofbijen
afvliegen; gewoonlijk vliegen zij er regt op aan. Bevindt de roover
zich niet op den stand, dan moet men bij zijne buren opletten of
daar ook witte bijen aankomen, of dat er een stok is, die laat in den
avond vliegt, en welks bijen, in de rigting van den beroofden stok,
op hare woning toevliegen. Kan men op deze wijzen niet te weten komen,
waar de roovers te huis behooren, dan moet men er eenige opvangen,
en op eenigen afstand van den bijenstal er enkele laten vliegen. De
rigting, waarin zij wegvliegen, moet men goed waarnemen. Van tijd
tot tijd laat men er weder eenige vrij, welke allen denzelfden koers
zullen kiezen. Hierdoor zal men den roofstok meestal kunnen ontdekken.