TRANSPORTKASTJES.

De naam transportkastjes duidt de bestemming reeds aan van de

voorwerpen, die dien naam dragen. Zij zijn slechts geschikt om er

de bijen een korten tijd in te doen verblijven, maar zij maken haar

vervoer naar elders zeer gemakkelijk. Men maakt deze kastjes van

plankjes, van 1/2 duim dik, die eenvoudig op elkander gespijkerd

worden. De breedte ab en de hoogte ac (zie fig. 17) neemt men 10 à 12

duim, terwijl men het 16 à 20 duim lang maakt. Het deksel bestaat uit

twee deelen d en e, die in groeven schuiven. Deze groeven verkrijgt

men, door boven op den kant van elken zijwand, en aan de binnenzijde

daartegen, latjes te spijkeren. Het hout is te dun om er eene groef

in te schaven, en door het dikker te nemen, zou men het gewigt

der kastjes noodeloos vergrooten. De voorwand wordt niet van hout

gemaakt; het strookje fg, dat men 1 duim breed neemt, dient alleen

om het uitwijken der zijwanden te beletten; de ruimte, tusschen dit

strookje, de zijwanden en den bodem, wordt met ijzergaas of met een

fijn traliewerk gesloten. Men zou het gaas of traliewerk ook in een

los raampje kunnen plaatsen, en dit dan voor in het kastje bevestigen.

Om den zwerm, dien men met dit kastje vervoeren wil, daarin te doen

loopen, zet men het op den achterwand, dus met het draadwerk naar

boven, doch bedekt dit, om het invallen van het licht te voorkomen. De

schuif e, die dan de onderste zijn zal, neemt men weg, doch laat d

gesloten. Om in dien stand het doorschieten van de schuif te beletten,

neemt men haar een weinig langer, dan de halve lengte van het kastje,

en tegen den onderkant van het buiten uitstekend gedeelte spijkert

men een dun latje, dat, tegen den wand stuitende, het doorschuiven

belet. Zoodra de zwerm, door de hem voorgehouden opening, in het

kastje is getrokken, sluit men het met de tweede schuif en laat het,

met de schuiven naar boven, tot het vallen van den avond rustig staan;

dan brengt men den zwerm naar de verlangde plaats, en schept hem daar

in de voor hem bestemde woning.

Voor het opvangen en transporteren van natuurlijke zwermen, kan men

zich ook van gewone strookorven bedienen; doch de transportkastjes

zijn onmisbaar, wanneer men kunstzwermen wil maken, door bijen, uit

onderscheidene stokken genomen, aan eene moederbij toe te voegen. Later

komen wij daarop terug. Ook zijn deze kastjes zeer gemakkelijk,

wanneer men stokken, die op een verwijderden stand geplaatst zijn,

bijen ter versterking wil geven.

Behalve de reeds beschrevene, moet men zich nog eenige kastjes

aanschaffen, welke buitenwerks zoo lang en breed zijn, dat zij juist in

de woningen passen; de hoogte moet zoo genomen worden dat zij, na het

wegnemen der dekplankjes, op de staafjes kunnen worden geplaatst. Voor

het deksel maakt men uit vier latten een raam, dat juist in het

kastje past, en bespant dit met ijzergaas of bijendoek. Om de bijen,

die de randen van het kastje soms sterk bezetten, niet te kwetsen,

maakt men voor den aanslag van het deksel geene sponningen in de

zijwanden, doch slaat in deze vier stiften, waarop het rust.

Men zet deze kastjes, met den open kant onder, op de staafjes der

woning, waaruit men de bijen vangen wil, en drijft haar daarin. De

geheele zwerm kan nu in eens uit de woning genomen worden, waarna het

kastje terstond met het deksel wordt gesloten. Onder in de nieuwe

woning, die door den zwerm bevolkt moet worden, schuift men nu het

kastje en neemt er het deksel af, waarna de bijen er spoedig uit

zullen opklimmen.

Zulk een kastje is ook zeer geschikt om de bijen, die in eene woning,

waar de bouw uitgenomen is, nog achtergebleven zijn, daar in eens

uit te nemen: men zet het dan op den bodem der woning, en veegt er

de bijen met eene penneveêr in. Ook kan men er een zwerm in laten

trekken, wanneer men aan eene der zijden, vlak boven den bodem, eene

reet, even als een vlieggat maakt, waarvoor dan ook een schuifje moet

worden aangebragt: de moederbij wordt er dan, in een moederhuisje

besloten, ingezet, waarna het, met het vlieggat geopend, op een doek

wordt geplaatst, waarop men de bijen uitstort; daarbij moet op het

deksel nog een plankje gelegd worden, opdat de bijen alleen door het

vlieggat, gemeenschap met de moederbij kunnen hebben.

Bij alle kastjes, waarin de bijen eenigen tijd opgesloten worden,

moet men onder in de zijwanden twee of drie zaagsneden maken, waardoor

er versche lucht indringt, die de verwarmde lucht doet ontwijken.

Handboek voor Bijenhouders · 第 81 / 109 题