HET AFVLIEGEN, HET AANLEGGEN EN HET OPVANGEN VAN DE ZWERMEN.

Vroeger meende men dat bij het afvliegen van een zwerm de moederbij

voorging, en den geheelen zwerm tot geleide diende. Dit is echter

zoo niet. Een gedeelte der werkbijen opent den togt, en men heeft

zelfs gezien dat koninginnen, die door een gebrek aan de pooten of

vleugels de woning niet konden verlaten, er door de werkbijen met

geweld uitgedreven werden.

Bij een voorzwerm trekt gewoonlijk eerst ongeveer de helft van zijn

volk, in vrolijke drift uit de woning; dan wordt de vliegplank ledig,

en kan men veelal de koningin te voorschijn zien komen, alleen begeleid

door de zoogenaamde lijfwacht. Dikwijls vertoeft zij een oogenblik op

de vliegplank, alsof zij zich nog eens bedenken wilde, en vliegt dan

af, waarna het overige van den zwerm haar volgt. Het gebeurt ook wel

dat zij niet af wil vliegen, maar in de woning terugkeert, misschien

omdat het weder haar niet bevalt. In dit geval blijven de uitgevlogen

bijen niet lang buiten; want de koningin missende, vliegen zij spoedig

weder op den moederstok terug. Wanneer het weder den volgenden dag

gunstig is, dan kan men den zwerm op nieuw verwachten.

Door een gebrek aan de vleugels, wordt de moederbij wel eens

verhinderd den zwerm te volgen; zij valt dan op eenigen afstand van

de woning neêr. De zwermende bijen zullen haar daar gewoonlijk niet

ontdekken. Ziet men een zwerm lang dralen met zich aan te leggen,

dan moet men omzien of men de koningin ook op den grond vindt. Zij

is daar spoedig te ontdekken, omdat zij steeds door enkele bijen

zal omringd zijn, die haar geheel zullen bedekken. Doet men deze

met een houtje of iets dergelijks wat op zijde, dan zal men de

moederbij in het gezigt krijgen. Vindt men haar spoedig genoeg,

om haar aan de zich hier of daar reeds aangelegd hebbende bijen te

geven, dan zullen de nog omzwervende zich ook spoedig om haar heen

verzamelen, en de zwerm zal geslaagd zijn. Ook kan men de moederbij,

in een moederhuisje geplaatst, in de voor den zwerm bestemde woning

zetten, waarna men deze op de plaats van den moederstok stelt. De

bijen, hare koningin missende, zullen weder op den moederstok willen

vliegen, en in plaats van dezen zullen zij eene ledige woning vinden,

die zij, nu zij er hare koningin in ontdekken, met vreugde zullen

aannemen. Men moet met deze handelwijze vlug te werk gaan, en zal

dan zelfs van het opvangen van den zwerm ontslagen zijn.

Hoe men ook met eene gebrekkige moederbij handelen moge, men moet

haar nooit aan den moederstok terug geven; want den volgenden dag

zou zij weder afkomen. Haar te dooden zou ongeraden zijn; want voor

de eijerlage is zij even goed als eene geheel gezonde. Men moet haar

dan liever voor een kunstzwerm bezigen, en in den herfst door eene

jonge vervangen.

Er zijn gewoonlijk verscheidene moederbijen in die zwermen, die

met jonge moederbijen afgaan. Deze komen dan niet geregeld, maar

verstrooid, uit de woning; nu eens bij het begin, dan weder in het

midden, soms zelfs op het einde van den zwerm. Men mag dus wel aannemen

dat de werkbijen en niet de koninginnen de eerste aanleiding tot het

zwermen geven. De laatste, bij de verwarring van het zwermen, door

de werkbijen niet meer bewaakt wordende en geene thu-toonen hoorende,

verlaten hare cel en worden door de zwermende bijen voortgestuwd. Daar

de eene nu wat vroeger, de andere wat later uit de cel komt, zoo zijn

zij ongeregeld in den zwerm verstrooid.

Gewoonlijk vliegen de uit de woning stroomende bijen, onder het

aanheffen van den zwermtoon, zoolang in den omtrek van den bijenstand

rond, totdat de geheele zwerm den stok heeft verlaten. Bevindt de

koningin zich in haar midden en hebben zij zich daarvan verzekerd,

dan trekken de bijen zich meer en meer zamen en leggen zich hier of

daar aan. Meestal geschiedt dit aan een boomtak of struik. Aanvankelijk

zetten slechts enkelen zich neêr, welke door anderen gevolgd worden;

daarbij voegt zich de koningin en eindelijk ook al de overige bijen,

zoodat zij ten slotte in een belangrijken tros, veel op een druiventros

gelijkende, aanhangen. De zwerm legt zich altijd dáár aan, waar zich

de koningin bevindt; daar deze echter het vliegen niet gewoon is,

zet zij zich soms op het eerste het beste rustpunt neder, of wordt

ook wel eens door eene windvlaag neêrgeworpen, waardoor de zwermen

veeltijds op die plaatsen aanleggen, die het ongeschiktst zijn om

hen op te vangen. Soms verzamelen zij zich op een dak, in eene haag

of op andere lastige plaatsen. Het is mij eens gebeurd dat een zwerm

zich op mijn hoed verzamelde!

Zwermen, met jonge koninginnen, leggen zich ook veelal in verscheidene

trossen aan; want, waar zich eene moederbij nederzet, daar zullen

de haar omringende bijen zich ook plaatsen. Deze verschillende

trossen voegt men in ééne woning bij elkander, sluit haar met een

doek, die de lucht gemakkelijk doorlaat en zet haar aldus op eene

koele, donkere plaats. Gedurende den nacht zullen dan de bijen de

overtollige koninginnen dooden. Zet men de woning den volgenden morgen

op hare plaats, dan zullen zij haar zelden meer verlaten. De aldus

opgevangen bijen moet men zoo spoedig mogelijk van de zwermplaats

verwijderen, daar er anders te veel aan die plaats gewennen en er

blijven hangen. Heeft men den zwerm spoedig weggenomen, dan zullen

de achtergebleven bijen, die hare moederbij niet vinden kunnen, op

den moederstok terug vliegen. Velen zullen deze handelwijze afkeuren,

en de woning liever tot den avond op de zwermplaats laten staan, omdat

de verspreide bijen er zich dan meer in verzameld zullen hebben. Dit

is echter slechts een schijnbaar voordeel; want den volgenden morgen

zullen zij, die den vorigen dag daar de vlugt leerden, weder naar de

zwermplaats terug keeren. Deze verstrooide bijen kunnen als verloren

beschouwd worden; want haar eigen stok weten zij niet te vinden, en

indien zij op andere vliegen, dan worden zij afgestoken. Haar getal

zal kleiner zijn, naarmate men den zwerm spoediger van de zwermplaats

heeft verwijderd; want die bijen, die weder op den moederstok terug

vliegen, zijn wel voor den zwerm, maar niet voor den eigenaar verloren.

Wil men den zwerm in eene Dzierzon'sche woning plaatsen, dan vangt men

hem in een gewonen korf en zet hem op eene koele, donkere plaats tot

het vallen van den avond; dan doet men hem in de voor hem bestemde

woning. Dit geschiedt het best door een gedeelte der bijen, met een

blank ijzeren vuurlepel, voorzigtig uit den korf in de woning te

scheppen. Zij zullen zich dadelijk naar het voorste gedeelte daarvan

begeven, en daar een vrolijken loktoon aanheffen. Nu behoeft men de

opening van den korf slechts voor de woning te houden, en spoedig

zullen allen er in overgaan. Men behoeft hierbij niet de minste

vrees te koesteren; veeleer zal men zich vermaken bij het zien der

vrolijke dieren.

Een zwerm verlaat soms plotseling zijne aanlegplaats, verheft zich

in de lucht, en gaat de ruimte in. Hij is dan gewoonlijk verloren;

want hij vliegt soms in een digten drom zoo snel heen, dat men hem

moeijelijk volgen kan; dit wordt ook soms onmogelijk, door dat hij over

water gaat of een uur en langer vliegende blijft. Eindelijk hangt hij

zich van vermoeidheid hier of daar aan, en wordt hij door anderen niet

opgevangen, dan komt hij gewoonlijk om. Als mij een zwerm ontvliegt,

dan ga ik hem niet lang na, denkende: "zijt gij met mij niet tevreden,

zoek dan een beteren meester!"

De oorzaak van het wegvliegen van een zwerm moet meestal daarin gezocht

worden, dat men te lang gewacht heeft met hem op te vangen. Wanneer hij

zich ergens heeft aangehangen, waar hij aan de brandende zonnestralen

is blootgesteld, zoodat de hitte in den opeengepakten klomp bijen

weldra ondragelijk wordt, of indien er verscheidene koninginnen in

zijn, die elkander trachten af te steken, waardoor onrust in den

zwerm ontstaat, dan vliegt hij spoedig het luchtruim in.

Het doel, van het eerste aanleggen van een zwerm, is voorzeker het

verzamelen van alle bijen, die mede uitgetrokken zijn, ten einde een

weinig uit te rusten, en dan de door de spoorbijen opgezochte woning

gezamenlijk in bezit te nemen, of er op goed geluk eene te gaan zoeken.

Indien een zwerm zich zoodanig aan een boomtak heeft gehangen,

dat men er een korf onmiddellijk onder kan houden, dan behoeft men

tegen den tak slechts een stoot te geven, om hem grootendeels in den

ondergehouden korf te doen vallen. Men stelt nu den korf zoo digt

mogelijk bij de plaats, waar den zwerm heeft gehangen, en zet er aan

een kant iets onder, zoodat er eene opening, van eene hand breed,

overblijft. Is de koningin reeds in den korf, dan trekt zij, met de

bij haar zijnde bijen, naar het bovenste gedeelte; daar verzamelen

zij zich tot een digten tros, en de nog rond vliegende bijen zullen

zich bij haar voegen. Was de moederbij echter niet mede in den korf

gevangen, dan trekken al de bijen er weder uit en zetten zich daar

aan, waar zij zich bevindt; men moet haar dan op nieuw opvangen en

dit herhalen, tot men ook de moederbij heeft, dat echter meestal

den eersten keer het geval zal zijn, wanneer men ten minste niet te

voorbarig is geweest bij het opvangen, maar daarmede zoolang gewacht

heeft, tot de zwerm zich behoorlijk had aangelegd en verzameld.

Men moet er wel op letten den korf, waar de zwerm in gevangen is,

in de schaduw te plaatsen, en is daar bij de zwermplaats geene

gelegenheid toe, dan brengt men schaduw aan, door eene plank tegen

den korf te zetten of hem met groene takken te bedekken. Verzuimde

men dit, de zwerm zou den korf weder spoedig verlaten, voortgejaagd

door de brandende hitte, die de zonnestralen spoedig in den korf

zouden doen ontstaan.

Om het wegvliegen der bijen, bij het opvangen van een zwerm, te

voorkomen, is het goed haar nat te maken. Men doet dit het best door

haar met een handvegertje te besproeijen, maar moet er niet te vlug

mede zijn, doch wachten tot het grootste gedeelte van den zwerm

zich heeft aangehangen; want deed men het voor dat de moederbij

zich had neêrgezet, dan zouden zij weder wegvliegen en zich elders

aanleggen. Met het nat maken kan men nooit kwaad doen en, wanneer de

bijen al te oproerig zijn en men er geen meester over kan worden,

dan kan men haar gerust druipnat maken: zijn zij weder opgedroogd,

dan hebben zij er niet het minste letsel van.

Hebben de bijen zich tegen een zwaren boomtak, tegen den stam of elders

zoodanig aangelegd, dat zij niet afgeschud kunnen worden, dan moet

men haar met een blank ijzeren vuurlepel opscheppen, en aldus bij

gedeelten in den korf brengen. Men moet daarbij in acht nemen haar

langzaam, van onderaf, te scheppen, zij zullen dit gewillig toelaten

en slechts weinigen zullen op den grond vallen. Men wachte zich wel

van boven naar beneden te scheppen, om haar als het ware in den korf

te strijken, dat oogenschijnlijk in vele gevallen gemakkelijker zou

zijn; de bijen kunnen dit niet verdragen: men zou haar meest altijd

in toorn brengen en er ook meer kwetsen, dan van onderaf scheppende.

Indien een zwerm zich hoog in een boom heeft gehangen, zoodat men

er niet gemakkelijk bij kan klimmen, dan neemt men een ligten korf,

die in den top eene opening heeft, steekt hierin een stok en houdt

hem aldus onder den zwerm, terwijl een ander, met een aan een stok

bevestigden haak, den tak een ruk geeft, die den zwerm in den korf

doet vallen. Men zet dezen nu op den grond neder, opdat de bijen er

zich in verzamelen.

Heeft een zwerm zich aldus geplaatst, dat het niet mogelijk is hem op

te vangen, dan moet men trachten hem, door het aanbrengen van rook,

van die plaats te verdrijven, in de hoop dat hij zich op eene meer

geschikte zal aanleggen. Wanneer hij voor den rook van lappen zijne

plaats niet spoedig wil verlaten, dan maakt men eene soort van lont

van lappen, en doet daar wat haar tusschen; voor den rook daarvan

zal hij meest altijd wijken; mogt het echter nog niet helpen, voor

den rook van brandenden duivelsdrek zal hij zeker uit den weg gaan.

Is de plaats, waar de zwerm zich heeft aangelegd, zelfs niet met

rook te bereiken, zonder zich zelven aan gevaar bloot te stellen,

dan doet men best hem maar verloren te laten gaan, zich troostende

met de gedachte, dat het beter is een zwerm te missen, dan om zijn

bezit den hals te breken.

Over het algemeen kan men aannemen, dat een zwerm de hem aangewezen

woning aanneemt, wanneer de bijen, tot een digten tros vereenigd, een

aanvang met den wasbouw maken; terwijl er eenigen aan het vlieggat

staan, die, met den kop naar hetzelve en het achterlijf naar boven

gerigt, vrolijk met de vleugels slaan; dit is het gewone teeken dat

de moederbij in den stok is. Men ziet dan ook reeds eenige bijen

uitvliegen, en met voorraad beladen te huis komen. Andere zijn weder

bezig met de woning van onzuiverheden te ontdoen, en oneffenheden weg

te bijten. Dit laatste is wel als het zekerste bewijs te beschouwen,

dat de zwerm de woning niet meer zal verlaten.

Handboek voor Bijenhouders · 第 67 / 109 题