Onder den naam van broed verstaat men al de zich in den stok
bevindende eijeren, maden en nimfen, waaruit de drie soorten van
bijen ontstaan. De verzorging daarvan is aan de werkbijen alléén
overgelaten. Zij zijn het, die de cellen voor de ontvangst van het ei
voorbereiden en dit bebroeijen. Zij voorzien de made van voederbrij
en sluiten de cel, wanneer de made zich wil inspinnen.
Opdat het broed zich behoorlijk zal kunnen ontwikkelen, zorgen de
bijen vooral voor het onderhouden van eene voldoende warmte; want hoe
hooger de warmtegraad in den stok is, des te spoediger en krachtiger
ontwikkelen zich de jonge bijen. Hiertoe bedekken zij de bezette
cellen nacht en dag, in dikke lagen op elkander zittende; vooral bij
koel weder doen zij dit zeer sterk. Het is niet gemakkelijk haar van
de broedtafels te verwijderen; zelfs bij het aanbrengen van rook,
bieden zij zoolang mogelijk tegenstand.
Wanneer er in het najaar, terwijl zich nog broed in de stokken bevindt,
of in het voorjaar, wanneer er reeds veel broed kan aanwezig zijn,
onverhoeds koude invalt, dan zijn zij genoodzaakt, tot haar eigen
behoud, zich op elkander te dringen en dus het onderste broed
te verlaten, dat daardoor moet verloren gaan. Eenigen blijven er
echter altijd op zitten, maar deze zijn niet in staat een voldoenden
warmtegraad te ontwikkelen, doch verstijven zelve en worden dus de
slagtoffers van hare liefde.
In den zomer wordt de warmte in den stok veel verhoogd door het warmere
weder, de sterkere bevolking en de grootere hoeveelheid broed. Zij
behoeven dit dan zoo sterk niet te bezetten; nu en dan kunnen zij
er zich zelfs geheel van verwijderen. Stokken met gedekt broed kan
men dan gerust van het grootste gedeelte van hunne bijen berooven,
zonder de ontwikkeling van het broed te benadeelen, die meestal zonder
eenige zorg zal plaats hebben.