Bij groote hitte blijft, bij volkrijke stokken, eene grootere of
kleinere hoeveelheid bijen buiten de woning, en deze gaan meestal
onder het vlieggat in trossen aanhangen. Men zegt dan dat de bijen
voorliggen. Het is een gevolg van te groote warmte binnen de woning
en eene hooge temperatuur der buitenlucht of gebrek aan ruimte in
de woning. Veelheid van volk en broed, groote werkzaamheid der bijen
in den stok, bij eene rijke dragt, en ook de zonnewarmte, wanneer de
woningen niet in de schaduw staan, kunnen de warmte daarin zoo groot
doen worden, dat het was week wordt en de tafels daardoor afvallen; dit
maakt de bijen werkeloos en zij gaan voorliggen om, bij invallend koel
weder, haar werk te hervatten. Gebrek aan ruimte ontstaat er, wanneer
de woning is volgebouwd, en gevuld met broed en honig. De bijen hebben
dan geene gelegenheid om den arbeid voort te zetten, doch gaan voor
de deur liggen en den luijaard uithangen. Houden zij dag en nacht met
voorliggen aan, ook bij koeler lucht en goede dragt, en beginnen zij,
dat echter zelden geschiedt, onder aan de vliegplank was te bouwen,
dan is dit een zeker teeken dat het van binnen aan ruimte ontbreekt.
Het verwijden van het vlieggat, het luchten gedurende den nacht,
het beschaduwen der stokken, en het geven van meer ruimte zijn de
beste middelen om het voorliggen, dat hoogst nadeelig is, te voorkomen.