Men veronderstelde vroeger, en ook thans gelooven de bijenhouders nog
vrij algemeen, dat de bijen aan het vlieggat steeds de wacht houden,
om het indringen van vreemde bijen, wespen, motten, muizen en andere
vijanden te beletten. Men vindt dan ook, in meest alle werken over
de bijenteelt, deze bestemming toegekend aan eene menigte bijen, die
men meestal aan het vlieggat vereenigd vindt. Met Dr. Dönhoff zou ik
echter meenen, dat door deze bijen niet bepaald wacht gedaan wordt;
want: 1o in zwak bevolkte stokken, die hun nest ver van het vlieggat
afhebben, ontbreekt deze zoogenaamde wacht meestal, en zulke stokken
moesten toch dubbel waakzaam zijn; 2o men vindt haar zeer zelden
gedurende den nacht en het gevaar voor het indringen van vijanden is
dan juist het grootst; 3o zij plaatst zich dikwijls zoover van het
vlieggat dat er aan geen wachthouden te denken valt; 4o de sterkte
van deze wacht is zeer afhankelijk van de fraaiheid van het weder,
de meer of minder vrolijke stemming van de bijen en den tijd, dat zij
het licht en de warmte der zon ontbeerd hebben (zij is zeer sterk,
nadat men haar ruim gevoêrd heeft en het sterkst, wanneer zij voor het
eerst haar winterkwartier verlaten); en eindelijk 5o houdt elke bij,
onder alle omstandigheden en waar ook, in het bijzonder wacht: hetzij
zij het vlieggat verlaat of van het veld terugkeert, zij zal niet
nalaten den vijand, dien zij ontmoet, terstond aan te vallen; men zegt
daarom dat, bij zoogenaamde roofaanvallen, de wacht versterkt wordt,
omdat zoowel de uitgaande als de te huis komende zich verweren. Enkele
roovers, die binnengedrongen zijn, worden door de bijen in den stok
aangevallen en uitgedreven, waarna zij, zoo er nog veel roovers zijn,
het vlieggat niet meer verlaten, want na den eenen verjaagd of gedood
te hebben, grijpen zij den anderen aan. Is de roofaanval sterk,
dan ziet men soms duizende bijen vechtende vóór de woning.
De verschillende bezwaren, die tegen het wachthouden zijn aangevoerd,
maken het veel waarschijnlijker, dat de zich aan het vlieggat
bevindende bijen daar voornamelijk zijn, om het licht en de warmte
der zon, die haar bevallen en goed doen, te genieten.