DE WERKBIJEN.

Even noodzakelijk als de koningin voor de werkbijen is, zijn deze het

voor haar en de geheele huishouding, waarvan zij den eigenlijken kern

uitmaken, daar zij alléén allen arbeid verrigten. Zij vervaardigen

de cellen en brengen het voedsel, het water en den voorraad aan; zij

zijn de dappere verdedigers van de koningin en de gemeenschappelijke

bezittingen.

De bijen zijn altijd, en met regt, als een zinnebeeld van vlijt

voorgesteld; want zij zijn onvermoeid in den arbeid en kunnen nooit

van verzuim beschuldigd worden. Wanneer er honig of bloemenstof te

vinden is en het weder haar het vliegen niet belet, gaan allen, die bij

de verzorging van het broed of de verrigting van andere huisselijke

bezigheden gemist kunnen worden, gedurende den dag, op de inzameling

uit. Het ingezamelde zetten zij in de eerste ledige cellen, die zij

vinden, haastig af, terwijl zij zich dan den nacht ten nutte maken,

om het op de behoorlijke plaats te brengen, de woning te zuiveren

van onreinheden, die er in mogten gekomen zijn, de dooden uit te

dragen, verbeteringen in den bouw te brengen, oneffenheden af te

bijten en overtollige openingen te sluiten, tot dat de opkomende zon

haar weder in het veld roept, om haar voorraad te vergrooten. In den

zomer verdienen zij dus vooral den goed gekozen naam van werk-bijen,

daar zij dan onophoudelijk arbeiden. Het is ook daaraan te wijten

dat de leeftijd van haar, die in April en Mei de cel verlaten, maar

drie of hoogstens vier maanden bedraagt; deze overspannen zich en

zijn daardoor spoedig afgeleefd. Zij daarentegen, die in Augustus

en later geboren worden, leven in een veel minder drukken tijd, en

verouderen minder, daar zij gedurende den winter rustig in den stok

zitten. Haar levensduur bedraagt echter op zijn hoogst acht maanden,

dat bewezen werd door eene Italiaansche koningin in een stok, met

gewone bijen bevolkt, te plaatsen. [7]

Na deze algemeene opmerkingen, zal ik van deze bijensoort eene meer

uitvoerige beschrijving geven, dan van de beide andere geschied is.

De werkbij heeft vijf oogen, waarvan er een aan elke zijde van den

kop geplaatst is, terwijl de drie overige, die kleiner zijn, zich

in een driehoek op het voorhoofd bevinden. Met kleine wijzigingen,

vindt men deze vijf oogen ook bij de andere bijensoorten. Het gezigt

der bijen moet bijzonder sterk zijn, daar zij van alle kanten in de

snelste vlugt naar den stok toevliegen. Ook is dit daaruit op te maken

dat zij bij het sterkste voorspel en het zwermen, wanneer er duizenden

op het snelst dooreen vliegen, nooit tegen elkander stooten. Buiten de

woning schijnen zij, als het donker is, niets bepaald te onderscheiden;

want laat men haar dan vliegen, zoo kunnen zij haar stok niet vinden,

en hangen zich overal aan. In de woning, waar het bijna altijd donker

is, daar het kleine vlieggat slechts weinig licht doorlaat, is het

echter niet te denken dat zij niet zouden kunnen zien; misschien

dat de kleine, op het voorhoofd geplaatste oogen haar daar goede

diensten bewijzen.

Tusschen de beide op zijde staande oogen, bevinden zich de beide

voelhorens, waarvan zij zich schijnen te bedienen om de haar bij

den arbeid voorkomende voorwerpen te betasten, en zich onderling

verstaanbaar te maken; want men ziet haar hiermede elkander

aanraken. Ook moeten zij de zintuigen van den reuk zijn, die bij haar

sterk ontwikkeld is, [8] daar zij honig en andere zoetigheden op zeer

groote afstanden bemerken. Dr. Dönhoff, te Orsoy, toonde dit aan door

de volgende proeven, die men ook zelf gemakkelijk nemen kan. Wanneer

men eene moederbij onder een pijpedop plaatst, dan blijven daar eene

menigte werkbijen bijzitten; knipt men daarop enkelen één voelhoren

af, zoo verlaten zij de koningin niet, doch haar daarop ook van

de tweede beroovende, toonen zij er geen de minste belangstelling

meer in, en vliegen terstond weg. Indien men bijen opsluit en haar

dan een met honig bestreken stokje voorhoudt, zoo zullen zij daar

terstond den snuit naar toe steken; houdt men haar echter een stokje

voor bestreken met knuflook, of eene andere stof, welker reuk haar

hinderlijk is, dan wenden zij zich daarvan onmiddellijk af. Knipt men

haar daarna één voelhoren af, dan blijft het verschijnsel hetzelfde,

doch ontneemt men haar ook den tweeden, dan schijnen zij onbewust te

blijven van den aard der stoffen, waarmede men haar nadert.

Aan het onderste gedeelte van den kop, bevindt zich de mond. De hierin

geplaatste tanden zijn niet ingekerfd, zoo als die van de koningin en

de hommels, maar plat om het was behoorlijk te kunnen verwerken. De

tong is eene gesloten, met haren bezette buis, die in een in tweeën

gespleten koker tusschen de tanden ligt; de beide deelen van dezen

koker sluiten digt tegen de tong en vormen daarmede den snuit. De

snuit van de koningin en de hommels is korter en minder behaard dan

die der werkbijen.

De kop is door middel van de spijsbuis met het borststuk verbonden. De

vleugels zijn vier in getal. Van de zes beenen dienen de beide

voorste, die het kortst zijn, haar tot armen en handen; terwijl de

beide achterste zich onderscheiden door de zich daaraan bevindende

borsteltjes en schopjes of korfjes. De borsteltjes zijn aan de

binnenzijde op het laatste schenkellid geplaatst, en bestaan uit 8 tot

10 rijen dwars loopende haren. Den naam van korfjes geeft men aan eene

driekante verdieping aan de buitenzijde in het middelste schenkellid,

welke met steile haren omringd is. Met de borsteltjes strijken zij het

bloemenstof van de vleugels en de haren in de korfjes en dragen het,

tot balletjes gemaakt, daarin naar huis. Aan het einde van elk been

staan twee naar binnen gebogen, met tanden voorziene haakjes.

Den honig verzamelt de bij op het veld, door middel van den snuit

en de spijsbuis, in de voor- of honigmaag, en ledigt deze te huis

komende in de cellen. Achter deze voormaag ligt de eigenlijke maag,

in welke zij den uit honig en bloemenstof bestaanden voederbrij voor

het broed bereiden.

Aan de onderzijde van het achterlijf bevinden zich zes halfringen,

welke aan de zijden door de zes grootere halfringen van den rug bedekt

worden. Tusschen de eerste of buikringen liggen de washuidjes, die de

geheime werkplaatsen zijn, waarin de wasbereiding plaats heeft. Zij

zweeten daar het was, dat tusschen de halfringen naar buiten dringt,

als het ware uit.

De angel bestaat uit eene holle, hoornachtige buis, aan beide zijden

met weêrhaken voorzien en inwendig met de giftblaas verbonden. Bij

het steken ontlaadt zich de giftblaas, door den angel, in de wond:

vandaar de brandende pijn en de zwelling, die den steek gewoonlijk

volgen. De weêrhaken doen den angel meestal afscheuren en in de wond

achterblijven, wanneer de bij hem terugtrekken wil; dikwijls blijft

er bij het afscheuren de giftblaas aanhangen. Het verlies van den

angel heeft den dood van de bij ten gevolge.

De bij ademt, even als andere insecten, door luchtbuizen, welke aan

de zijden aanwezig zijn. Wanneer zij dus in water of honig omkomt,

moet dit meer als verstikken dan als verdrinken beschouwd worden.

Boven werd reeds van het gezigt en den reuk der bijen gesproken,

die zij in zeer hooge mate bezitten. Men mag haar ook niet als van

smaak beroofd beschouwen, daar zij op alle zoetigheden aanvallen,

doch voor allen steeds den honig verkiezen. Zij bezitten ook een

vrij sterk geheugen; want verplaatst men de woning, doch niet meer

dan een half uur, zoo zullen velen, zelfs na een langdurigen winter,

als zij haar dus in verscheidene maanden niet verlaten hebben, naar

hare oude standplaats terugkeeren: het is dus zeer verkeerd de stokken

onbedachtzaam te verplaatsen, en bij den aankoop van bijen moet men

wel toezien haar niet van een stand te nemen, die niet meer dan een

half uur van den zijnen verwijderd is. Eens in haar leven vergeet

de bij hare standplaats, en wel bij het zwermen. De woning, waarin

men den zwerm opvangt, kan men plaatsen waar men goedvindt; want,

slechts zeer weinigen zullen naar den moederstok terug keeren. Wij

zien hierin weder een bewijs van de voortreffelijke inrigting der

natuur: vergat toch de bij, bij het zwermen, hare standplaats niet,

zoo zouden de meeste zwermen weder naar den moederstok terugkeeren

en de vermeerdering der stokken dus maar zeer gering kunnen zijn.

Het instinkt, dat de bijen toonen te bezitten, is opmerkelijk. Wanneer

het b. v. bij eene sterke dragt hard waait, dan zullen zij bij het van

huis gaan steeds tegen den wind invliegen, wel wetende dat zij, beladen

zijnde, geen weêrstand aan den hevigen wind zouden kunnen bieden.

De werkbij komt voort uit de eijeren, die de koningin in de kleine

cellen (werkbijencellen) legt. Deze eijeren zijn ruim eene lijn

lang, doorgaans eenigzins gebogen en wit van kleur. Op den derden

dag splijt het buitenste vlies in de lengte open, en er vertoont zich

dan eene kleine made, die door de werkbijen van een weinig voederbrij

voorzien wordt.

Deze made groeit nu zoo dat zij op den achtsten dag, na het leggen

van het ei, den geheelen bodem van de cel bedekt; den volgenden dag

rigt zij zich daarin op, zoodat zij eene staande houding aanneemt,

met den kop naar de opening gekeerd, terwijl het achterlijf op

den bodem rust. Nu voorzien de bijen haar nog eens overvloedig van

voederbrij, en sluiten daarop de cel met een wasdeksel. De made spint

zich dan in en omkleedt zich met een dun huidje, in welken toestand,

nimfen-toestand genoemd, hare oogen, snuit, vleugels en beenen zich

ontwikkelen, totdat zij op den 20sten of 21sten dag, na het leggen

van het ei, in eene volkomen bij hervormd, het deksel van hare cel

rondom af knaagt en deze verlaat. Soms loopen de bijen wel eens een

dag vroeger of later uit, dat afhangt van de meerdere of mindere

warmte, die in den stok heerscht. Heeft de bij hare cel verlaten, dan

zuivert zij haar ligchaam, vooral de vleugels, van de onreinheden der

cel. Zij wordt door de oudere bijen vriendelijk ontvangen, belekt en

gevoêrd door haar met den snuit honig toe te reiken, wanneer zij ten

minste welgemaakt is; want zij, die met eenig gebrek de cel verlaten,

worden niet in den stok geduld, doch terstond uitgestooten, na aan

een vleugel of poot beschadigd te zijn geworden; meestal eindigen

zij dan met haar den genadesteek te geven.

De jonge bij, die aan hare grijsachtige kleur gemakkelijk te herkennen

is, vliegt niet dadelijk uit, zooals sommigen meenen, doch blijft ten

minste de eerste acht dagen in den stok, en is daar behulpzaam aan de

verzorging van het nog in de cellen aanwezige broed, waardoor hare

nog teedere leden sterker worden; dan begeeft zij zich naar buiten,

draait zich op het vliegplankje regts en links, vliegt daarna langzaam,

met den kop naar de woning gekeerd, en beschouwt die zeer naauwkeurig,

om hare herkenningsteekenen goed op te nemen. Gedurende dit eerste

voorspel ontlast zij zich van den drek, waarvan haar achterlijf geheel

opgezwollen is, maakt daarbij hare kringen al grooter en grooter,

en vliegt eindelijk het luchtruim in. Bij hare terugkomst neemt zij

dezelfde voorzigtigheid in acht, om de moederlijke woning niet mis

te loopen.

Hoewel het den mensch onbekend is, welke voorwerpen de bijen als

bakens aannemen, zoo laat het zich toch niet denken, dat zij er geen

zouden hebben; want al verwijderen zij zich ook meer dan een half uur

van den stok, zij weten hem toch meest altijd terug te vinden. Zij

zijn ook naauwkeurig bekend met het personeel, dat tot haar stok

behoort. Verdwaalt er eene op een vreemden stok, zoo zal zij slechts

dan geduld worden, als zij voorraad medebrengt; komt zij er ledig,

dan wordt zij terstond als vreemdeling herkend en afgemaakt.

Men heeft in de laatste jaren getracht, haar het herkennen van hare

woning uit de daarnevens staande gemakkelijker te maken, door den

omtrek der vlieggaten met harde en zooveel mogelijk verschillende

kleuren te verwen; want het verdwalen van bijen op een vreemden stok

is zeer gevaarlijk. Dat de verdwaalde bijen er meestal bij omkomen,

is nog het ergste niet: veel noodlottiger kan het worden voor den

stok waar vreemde bijen op vallen, omdat bij een druk voorspel alle

vreemdelingen niet terstond herkend worden, maar enkele ongestoord

binnenkomen; deze nu, in de meening dat zij in hare eigene woning zijn,

en daarin eene moederbij vinden, die zij niet kennen, zullen haar

veelal dadelijk aanvallen en ombrengen, of ten minste beschadigen,

dat niet zelden moederloosheid ten gevolge heeft, die, zoo zij niet

in tijds ontdekt wordt, den stok doet te gronde gaan, wanneer het

op een tijdstip plaats heeft, dat er geen geschikt broed in den stok

aanwezig is, om eene nieuwe moederbij aan te kweeken.

Eene voorname oorzaak dat veel bijen op de nevenstokken verdwalen,

bestaat daarin, dat zij te digt bij elkander staan; want vooral in het

voorjaar, bij het eerste voorspel, heerscht er voor de woningen meestal

eene ontzettende verwarring, waarbij de bijen van verschillende stokken

onder elkander vliegen, die er veel op vreemde kan doen verdwalen. Er

hebben dan ook op zulke dagen niet zelden hevige gevechten plaats,

wanneer men, nadat de rust hersteld is, den grond voor den bijenstand

met dooden en gekwetsten als bezaaid vindt. Dit te voorkomen is voor

den bijenkweeker van veel belang, en het zou daarom goed zijn de

woningen zoo te plaatsen, dat de vlieggaten ten minste drie voet van

elkander verwijderd zijn, dat echter dikwijls, door het groot aantal

stokken en de betrekkelijk geringe plaats, moeijelijk is.

Bij de behandeling der moederbij is reeds opgemerkt, dat de bijen

van elke werkbijen-made, die niet te oud is, eene koningin kunnen

aankweeken; hierom moet deze made en dus ook de werkbij, van het

vrouwelijk geslacht zijn. Alle proeven bevestigen dan ook dat zij tot

dit geslacht behoort, doch dat zij in eene cel gekweekt wordt, die

te klein is, en ook te weinig voederpap ontvangt, die niet voedzaam

genoeg is, om hare geslachtsdeelen behoorlijk te doen ontwikkelen:

het voortplantingsvermogen ontbreekt haar dan ook gewoonlijk. Soms

komen er echter werkbijen voor, die in moederlooze stokken eijeren

leggen, want in stokken, die moederloos worden op een tijdstip dat

er in geen nieuwe moederbij kan worden voorzien, vindt men niet

zelden toch eenig broed, dat alleen van eene werkbij kan afkomstig

zijn. In stokken, waarin eene moederbij aanwezig is, zal nooit eene

werkbij eijeren leggen. Deze werkbijen zijn waarschijnlijk die, welke

gekweekt zijn in die overgangscellen (zie bl. 46), welke zich in den

omtrek der moedercellen bevinden, en die daarom toevallig iets van

den krachtiger, voor de koninklijke cellen bestemden voederbrij hebben

bekomen, hetgeen haar beter heeft doen ontwikkelen, en misschien ook

een grooteren ligchaamsbouw doet ontvangen.

Over deze eijerlage der werkbijen is men het lang oneens geweest;

men kon zich dit vermoeden niet met zekerheid verklaren. Berlepsch,

die zich van deze zaak zoo veel mogelijk wilde vergewissen, maakte

opzettelijk moederlooze stokken, en had het geluk in 1856 eene werkbij

de eijerlage te zien verrigten; tevens had hij gelegenheid haar te

vatten en zond haar, na gedood en in wijngeest gedaan te zijn, ter

onderzoeking aan Von Siebold. Deze vond den eijerstok bij deze werkbij

meer ontwikkeld dan gewoonlijk bij hare soort het geval is, en bemerkte

ook nog eenige volkomen ontwikkelde eijeren. Het bevruchtingsblaasje

ontbrak haar echter geheel. Dit komt ook met de ondervinding overeen;

want het broed, dat men in moederlooze stokken vindt, is steeds van

het mannelijk geslacht.

Handboek voor Bijenhouders · 第 42 / 109 题