DE HOMMELS OF MANNETJES-BIJEN.

Zoo als boven reeds gezegd is, ontstaan de hommels uit eijeren,

door de koningin gelegd, en hebben zij, na het leggen van het ei,

22 à 23 dagen, en dus van de drie soorten van bijen den meesten

tijd, tot hunne ontwikkeling noodig. Zij zijn op het eerste gezigt

van de werkbijen en de koningin te onderkennen, aan hun grooteren en

plomperen ligchaamsbouw. De kop is grooter en ronder, de snuit korter,

het borststuk sterker, het achterlijf langer en aan het einde meer

afgerond dan bij de werkbijen. De vleugels zijn breeder en iets langer,

ook zijn zij over het geheele ligchaam sterker behaard en missen de

schopjes en borsteltjes, die men aan de achterbeenen der werkbijen

vindt. Hun uiterlijk aanzien is veel minder bevallig, dan dat van de

statige moederbij of de kleine en zeer vlugge werkbij. Zij hebben een

slependen gang en vliegen moeijelijk op, doch, eenmaal in de vlugt

zijnde, kunnen zij de lucht pijlsnel doorklieven. Zij hebben geen

angel, en kunnen dus zonder eenige vrees worden aangevat.--Wanneer zij

in den omtrek der stokken rondvliegen, kan men hen terstond herkennen

aan het sterke geluid, dat de beweging van hunne vleugels veroorzaakt,

en aan het laten afhangen van hunne lange achterbeenen. Als zij op

een warmen dag in grooten getale aanwezig zijn, kunnen zij de lucht

als het ware doen dreunen, door de beweging van hunne vleugels. Dit

eigenaardige geluid, dat zij verwekken, heeft hun ook den naam van

muzikanten doen verkrijgen, en sommigen verkeeren zelfs in de stellige

meening, dat zij voornamelijk tegenwoordig zijn, om door hunne muzijk

den arbeid der werkbijen te verligten; anderen beschouwen hen als

misgeboorten en schuimloopers, die zich in ledigheid voeden van

het door de werkbijen ingezamelde; doch daar de werkbijen zelven

de cellen voor de hommels aanleggen en de door de koningin daarin

gelegde eijeren uitbroeijen, zoo moeten zij wel degelijk als leden

van hetzelfde gezin beschouwd worden.

Het geslacht en de bestemming van deze bijensoort hebben steeds

aanleiding tot een ernstigen pennestrijd gegeven. Men scheen liever

zijn eenmaal aangenomen gevoelen vol te houden, dan de waarheid

te zoeken; want voor hen, die met de ontleedkunde bekend, en van

vergrootingswerktuigen voorzien zijn, is het niet moeijelijk de

mannelijke geslachtsdeelen bij hen te onderkennen. Had men slechts

gelezen wat door Swammerdam [5] en Reaumur [6] over het geslacht der

bijen geleerd wordt, en de bij hunne werken gevoegde afbeeldingen

beschouwd, de bestaande onzekerheid zou spoedig opgeheven geweest

zijn; want beide toonden aan: "dat de koningin het eenig volkomen

ontwikkeld vrouwelijk wezen in den stok is; dat ook de werkbijen tot

het vrouwelijk geslacht behooren, maar in cellen ontstaan, die te

klein zijn om hare geslachtsdeelen geheel te doen ontwikkelen; en dat

eindelijk de grootere of hommelbijen van het mannelijk geslacht zijn,

daar zij duidelijk te herkennen, mannelijke geslachtsdeelen hebben."

Waarschijnlijk stelden de bijenhouders niet genoeg vertrouwen in de

bekwaamheden van deskundigen, om het geslacht der bijen te kunnen

bepalen.--Ieder behield ten minste zijne eigene denkbeelden over de

huishouding der bijen en wilde onveranderd staande houden, dat deze

alleen waarheid bevatten. Hierdoor bleef de strijd bestaan, totdat

nu in de laatste jaren de bijenteelt in Duitschland met zooveel

inspanning en wezenlijke belangstelling werd uitgeoefend, men zich

daar niet alleen bepaalde tot het gewin, maar ook de natuurlijke

huishouding der bijen grondig wenschte te leeren kennen. Het was

voornamelijk door de stelling van Dzierzon: "De hommels zijn volkomen

mannelijke bijen, die alleen dienen ter bevruchting van de koningin;

hommeleijeren behoeven geene bevruchting, zoodat onbevruchte en

hommeleijeren woorden van ééne beteekenis zijn,"--dat onderscheidene

geleerden werden aangespoord, om zich met een naauwkeurig onderzoek

van dit punt bezig te houden. Zijne schijnbaar valsche stelling,

waarom hij aanvankelijk door velen bespot werd, is na een groot

aantal waarnemingen volkomen bevestigd geworden. In de Eichstädter

Bienen-Zeitung, van den 15en October 1854, vindt men een stuk

van Von Siebold, waarin hij zegt, dat alles wat door Swammerdam en

Reaumur, omtrent het geslacht der bijen is geleerd geworden, door hem

bevonden is waarheid te bevatten. Eenige onnaauwkeurigheden in hunne

afbeeldingen moeten worden toegeschreven aan de mindere volkomenheid

der werktuigen, die hun ten dienste stonden. Wij mogen dus op gezag

van Von Siebold en andere geleerden aannemen, dat er geen twijfel

meer bestaat, omtrent het geslacht der bijen, en hopen dat er voor

goed aan de twisten hierover een einde mag gekomen zijn.

Vrij algemeen, vooral hier te lande, worden de hommels "broedbijen"

genoemd en gelooft men dat zij bestemd zijn, om het broed te verwarmen

en uit te broeijen. Het wederleggen van deze stelling zal moeijelijk

vallen; want daar er geen enkele schijngrond voor bekend is, is er

ook niets te wederleggen.--Het broed wordt voornamelijk aangezet

in Maart en April, en dan zijn er in den regel geen hommels in

den stok aanwezig; het meeste hommelbroed wordt in het laatst van

April en het begin van Mei aangezet. Ook dit moet door de werkbijen

worden uitgebroeid. Gewoonlijk ziet men dan de eerste hommels te

voorschijn komen, eenige dagen voor dat de oude, bevruchte moederbij,

de woning, met den voorzwerm, verlaat. Heeft deze de woning verlaten,

dan houdt natuurlijk alle verdere broedaanzetting op, terwijl de

grootste hoeveelheid hommelbroed dan nog aan de zorg der overgebleven

werkbijen is overgelaten. Is er eene week verloopen, nadat de bevruchte

koningin de woning heeft verlaten, dan is zeker al het door haar

achtergelaten broed reeds bedekt, en dit zou dan wel zonder eenige

verdere verzorging uitkomen. Ongeveer eene maand na het afvliegen

van den voorzwerm, begint de jonge intusschen bevruchte koningin

eijeren te leggen, zoodat er dan weder wat te broeijen zou zijn;

doch dan nadert ook het tijdstip, waarop de hommels als overtollig

worden uitgedreven en al het broed, dat hierna tot in October wordt

aangezet, moet worden uitgebroeid, zonder dat er in gezonde stokken

een enkele hommel aanwezig is.

De ongerijmdheid van de geheel uit de lucht gegrepen stelling,

dat de hommels broedbijen zouden zijn, zal elk onbevooroordeelde,

door eene naauwkeurige waarneming aan de bijenstokken, spoedig

inzien. In de koudere jaargetijden, wanneer er het meest gebroeid

moet worden, zouden de gewaande broedbijen ontbreken; terwijl er,

in de heetste maanden van het jaar, wanneer de warmte in de woningen

bijna ondragelijk is geworden, en de bijen er buiten gaan liggen

om de daarbinnen heerschende warmte te ontgaan, afzonderlijke bijen

zouden noodig zijn, om het broed warm te houden.--Dit dwaalbegrip zal,

dunkt mij, geene verdere behandeling behoeven.

Sterke stokken, die gewoonlijk ook zwermen, kweeken hommels. Zij

doen dit in de bewustheid van hunne toenemende bevolking, als eene

voorbereiding tot het zwermen. In den zwermtijd, wanneer de jonge

koninginnen bevrucht moeten worden, zijn de meeste hommels aanwezig,

en de naauwkeurigste waarnemingen hebben geene andere bestemming

van deze bijensoort kunnen aantoonen, dan het bevruchten der jonge

koninginnen. Die stokken, welke hunne koningin verliezen, terwijl

er geen hommels aanwezig zijn, en dan jonge moederbijen aankweeken,

blijven onvruchtbaar en gaan met rassche schreden hun ondergang

te gemoet.

Zij, die eene andere bestemming aan de hommels toekennen, dan het

bevruchten der koninginnen, wijzen op hun groot aantal, daar toch een

veel kleiner getal voldoende zou zijn, om de weinige moederbijen te

bevruchten. Dit kan zijn in een door menschen bezetten bijenstand,

waarin zich soms meer dan honderd stokken bijeen bevinden, doch

men moet in het oog houden, dat de bijen zich daar niet in den

natuurstaat bevinden. Stelt men zich de bijen in het wild voor, in

bosschen huizende, waar de eene stok soms verscheidene uren van den

anderen verwijderd is, zoodat de hommels van den eenen stok zelden de

koninginnen van een anderen kunnen bevruchten, en zij dus elk voor

hunne eigene bevruchting moeten zorgen, dan kan dit getal niet als

te groot beschouwd worden; want, daar de bevruchting in de lucht

plaats heeft en de hommels niet allen op denzelfden tijd van den

dag de woning verlaten, en zij zich daar buiten zeer verspreiden,

zoo moeten er wel veel aanwezig zijn, zal de koningin er een kunnen

vinden om zich mede te vereenigen.

Eene al te groote hoeveelheid hommels is niet voordeelig, en

meestal een gevolg van eene tegennatuurlijke behandeling. Men doet

altijd wel met hunne aankweeking zooveel mogelijk tegen te gaan,

door het verwijderen van de tafels der hommelcellen, er tafels met

werkbijencellen voor in de plaats stellende; want daarvan heeft men

nog nooit nadeelige gevolgen ondervonden, omdat er op een bezetten

bijenstand altijd nog hommels genoeg gevonden worden. Geheel kan men

hen toch niet tegengaan; want verwijderde men alle hommelcellen

uit de woning, dan zouden er toch eenige aangezet worden in

werkbijencellen. Dit kan men ontdekken aan de verhooging van het

gesloten broed. De op deze wijze gekweekte hommels zijn kleiner.

De hommels moeten de paring met de koningin altijd met den dood

bekoopen, omdat hun mannelijk lid zoo naauw in de vrouwelijke schede

sluit, dat zij dit na de paring niet kunnen terug trekken; het wordt

met geweld afgescheurd en blijft in de schede vastzitten. Men heeft

in de laatste jaren, toen men alles naauwkeuriger begon na te gaan,

verscheidene koninginnen, nog bezet met het mannelijk lid, van hare

bevruchtingsuitvlugt zien terug keeren. Onlangs zond Berlepsch zulk

eene koningin, na haar gedood en in wijngeest gedaan te hebben,

aan Von Siebold, die het in de schede stekend ligchaam, duidelijk

herkende als het afgescheurd mannelijk lid.

In het begin van Augustus worden in gezonde stokken de hommels,

als niet meer noodig, uitgedreven. Men noemt dit gewoonlijk de

hommelslagt. Wanneer de werkbijen hiertoe overgaan, zijn zij geheel

zonder erbarming, in tegenstelling van de liefde, die zij voor

hun broed betoonen, indien zij hen behoeven voor de bevruchting

der koninginnen. Het uitdrijven doen zij op verschillende wijzen,

naardat zij dit het best kunnen. Nu bijten en plukken zij hun stukken

uit de vleugels, dan gaan zij weder op hen zitten, dat men paardrijden

noemt, en dragen hen zoo uit de woning, waarna zij hun het terugkeeren

zoo veel mogelijk beletten; meestal echter drijven zij hen van den

honigvoorraad tot beneden in een hoek van de woning en laten hen daar,

door honger en koude, omkomen. Soms kan men in de woningen geheele

hoopen van aldus uitgedreven hommels vinden. Stokken, die hen in de

tweede helft van Augustus nog met vrede laten, worden verdacht van

moederloosheid, en zij, die hen in September nog dulden, zijn bepaald

moederloos en hun ondergang nabij. Vindt men een zoodanigen stok,

zoo is het best hem zoo spoedig mogelijk met den onmiddellijk naast

hem staanden gezonden stok te vereenigen, en de woning zoo te plaatsen

dat zij het midden houdt, tusschen hare vroegere standplaats en die

van den weggenomen stok: men noemt dit op den halven man stellen.

Handboek voor Bijenhouders · 第 41 / 109 题