De honigbij (Apis mellifica) behoort tot de vliesvleugelige, gekerfde
insecten, welke in groote hoeveelheden bij elkander leven. Zij doen
dit niet uit zucht tot gezelligheid, doch kunnen, alleen levende,
evenmin bestaan als zich voortplanten. Zoo als alle insecten zijn
het koudbloedige dieren, die echter, om te kunnen leven en tieren,
eene matige warmte behoeven van 55 tot 100 graden Fahrenheit. Bij een
warmtegraad van 50° F. en daar beneden, verstijven zij, en kunnen zich
niet meer bewegen. Heeft deze schijndood echter niet langer dan 48 uren
geduurd, zoo komen zij, in de warmte gebragt, weder geheel bij en zijn,
na een weinig laauwen, eenigzins verdunden honig gekregen te hebben,
weder gezond en geschikt voor hare gewone bezigheden. Doordringt de
vorst haar geheel, zoodat zij hard bevrozen zijn, dan komen zij,
hoewel in de warmte gebragt, niet meer tot het leven, ten minste
niet meer tot hare volle krachten terug, al bewogen zij zich nog
eenigzins. Zij zouden dus in onze luchtstreek niet kunnen leven,
indien zij niet in staat waren om in hare woningen den vereischten
warmtegraad te ontwikkelen; zij kunnen dit echter slechts wanneer
zij bij duizenden tot een digten tros vereenigd zijn. Zij wekken dan
de warmte op, door een aanhoudend beven met de vleugels, en door de
wrijving van hare ligchamen tegen elkander. De lucht, in de cellen
der wastafels besloten, en de haren van haar ligchaam doen van de
opgewekte warmte slechts weinig verloren gaan, daar beide haar
moeijelijk geleiden. Men zou dus een bijenzwerm, als een geheel
beschouwd, een warmbloedig dier kunnen noemen. Men kan de warmte,
die zij ontwikkelen, dagelijks waarnemen, door een thermometer
zoodanig in de woning te hangen, dat de kwikbol in het midden der
bijenmassa geplaatst is: ik zeg in het midden, omdat de warmtegraad
rondom de groep bijen tot op het vriespunt zou kunnen gedaald zijn,
terwijl hij in het midden nog meer dan 80° F. bedroeg.
Een in ééne woning bijeenverzamelde zwerm bijen heet bijenkolonie,
bijenstok, of kortweg stok, welke benaming alleen betrekking heeft op
de groep bijen, niet op de woning, hetzij zij deze zelf hebben gekozen
in een hollen boom, spleet van een muur of elders, hetzij zij door den
mensch in eene woning van hout of stroo zijn gebragt. Zoo zegt men:
de stok vliegt, de stok is sterk of zwak, is afgestorven, heeft zijne
woning verlaten enz. De tot een stok vereenigde bijen noemt men ook
het volk, en spreekt dan van een volkrijken of volkarmen stok.
Er zijn drie soorten van bijen, n. l. de moederbij of koningin, de
hommelbijen of mannetjes, ook meerels genoemd, en de werkbijen. In
gezonde stokken zijn de drie soorten slechts een gedeelte van het
jaar, gewoonlijk van het begin van Mei tot in Augustus, aanwezig;
want in deze worden de hommels eerst tegen de maand Mei aangekweekt,
en in het begin van Augustus niet meer noodig zijnde, door de werkbijen
uitgedreven of uitgehongerd.
De vermeerdering van het aantal stokken of koloniën heeft plaats door
dat een gedeelte van het volk van een stok, de woning verlaat. Men
noemt dit zwermen, en de nieuwe stok, die er door ontstaat, heet
zwerm. Een zwerm is niet altijd even talrijk: er zijn er van 2000,
10000, 20000, ja soms nog meer bijen. [1]