Wanneer wij in de lente of des zomers door de velden wandelen en den
rijken voorraad van bloemen aanschouwen, welker geur ons omgeeft, dan
is het voorzeker te bejammeren, dat daarin zulk een schat verborgen
is, die verloren moet gaan, omdat de arbeiders ontbreken, die alleen
in staat zijn hem te verzamelen. Die schat is de honig; die arbeiders
zijn de bijen.
Deze opmerking kwam mij menigmalen voor den geest, toen ik mij voor
eenige jaren met den landbouw bezig hield. Ik stelde er groot belang
in dat bij mij, zoowel op boerderij als akker, niets verloren ging,
en hoewel ik daarnaar streefde, toch bleef bij mij, even als bij zoo
velen, de honig onopgezameld.
Een goed landbouwer mogt, naar mijn inzien, niets verloren laten gaan,
van hetgeen zijn akker voortbrengt. Aan de bijen moest dus bij mij
eene plaats worden aangewezen, om ook datgene te verzamelen, wat de
Schepper in zoo ruime mate in de bloemen doet ontwikkelen, en dat
er, zonder eenig nadeel voor de verdere vorming van de vrucht of het
zaad, kan worden uitgenomen. Ja, men meent zelfs opgemerkt te hebben
dat vruchtboomen, die door bijen bevlogen worden, een ruimeren oogst
opleveren dan die, waarbij dit het geval niet is; door haar aanhoudend
heen en weder vliegen, bevorderen zij de uitstorting van het stuifmeel
of bevruchtend mannelijk zaad, op het vrouwelijk gedeelte der bloemen.
Ik zou dus bijenkweeker worden; eene mij geheel onbekende zaak. Er
waren echter in mijne nabijheid verscheidene personen, die zich,
als bijmiddel van bestaan, op de bijenteelt toelegden, bij wie ik
licht hoopte te vinden in wat mij duister was. In die hoop schafte ik
mij twee bevolkte bijenkorven aan. Maar hoe werd mijne verwachting
teleurgesteld! Bijna alle bijenkweekers meenen in het bezit te
zijn van geheimen, die zij aan geen ander mededeelen, ten einde er
alleen de vruchten van te plukken. Berlepsch zegt dan ook teregt:
"bij een bijenhouder om raad te vragen is even vruchtbaar, als dat
men in het hok van den hond brood gaat zoeken." Maar neen! niet allen
weigerden mij inlichtingen te geven; enkelen deelden mij als vriend
hunne geheimen mede. En wat leerde ik daaruit?--Dat die geheimen
grootendeels gegrond waren op onkunde en bijgeloof en die bijenkweekers
van de natuurlijke huishouding der bijen weinig of niets wisten en
alleen bijen-houders waren. Wat de een mij mededeelde, werd dikwerf
door den anderen weêrsproken, en toch verbonden beide aan het door hen
gezegde een onfeilbaar gunstig gevolg. Weinig over mijne leermeesters
voldaan, benijdde ik hun niets, dan het onbevreesd omgaan met deze
welgewapende dieren. Ik had hun gevraagd of er ook boeken bestonden,
die over de bijenteelt handelden, en op deze vraag een bevestigend
antwoord ontvangen; sommigen hadden een dergelijk boek, dat zij
weder van anderen hadden overgeschreven en het werd ook aan mij, als
vriend, geleend. Het grootste gedeelte van dit geheimzinnig schrift
kon ik niet lezen, en wat ik er van lezen kon, kwam mij voor, meest
onzin te zijn. Getrouw aan mijne belofte, om den schat van kennis,
die in hun geschrift lag opgesloten, aan geen ander mede te deelen,
gaf ik het geleende onder dankbetuiging terug, weinig voldaan met
hetgeen ik daardoor geleerd had. Ten slotte ontving ik den raad nog,
mij alleen op geschreven boeken te verlaten; want dat al wat over de
bijen gedrukt was, niet deugde. In strijd met dezen raad, zocht ik
naar eene handleiding.
Een der eerste werken, die mij in de handen kwamen, was: "Nieuwe
leerwijze omtrent de bijen en derzelver zoogenaamde magazijnenteelt,
door Rijkend Jakob Brouwer, 1809." Naar aanleiding hiervan, liet ik
mij magazijnkastjes maken, welke mij in het gebruik echter niet best
bevielen. De leerwijze van voornoemd werk beviel mij evenmin, als die
uit de drie bekroonde verhandelingen over de bijenteelt, uitgegeven
door de maatschappij ter bevordering van den landbouw te Amsterdam.
Het zag er dus met mijne bijenteelt in den beginne zeer treurig uit,
en de gedachte was mij niet vreemd, haar weder te laten varen, daar het
mij niet aanstond in den blinde te moeten voortwerken.--Toch wilde ik
nog beproeven of er niet eene leerwijze, gegrond op eigene ervaring,
te bekomen zou zijn; want al, wat mij tot dien tijd ten dienste stond,
was meestal geschreven door mannen, die hunne kennis niet aan de bron,
den bijenstok zelven, hadden opgedaan, en om over eene zaak met grond
te kunnen schrijven en anderen te leeren, moet men er zich zelf op
hebben toegelegd.
De heer R. J. Brouwer wendde zich reeds in 1809 naar
Duitschland. Daaruit meende ik te mogen afleiden, dat het vak destijds
daar reeds met meer belangstelling behandeld werd, dan bij ons. Ik
wilde beproeven of dit nog zoo was, en mijne verwachting werd nu
niet teleurgesteld. Dáár was men in de laatste jaren, op het gebied
der bijenteelt, met reuzenschreden vooruitgegaan, en mannen van
bekenden naam en verdienste achtten het dáár niet beneden zich, er
hunne belangstelling en zorg aan te wijden. Zoo b. v. Von Siebold,
Professor te Munchen; Doctor R. Leuckart, Professor te Giessen; baron
August von Berlepsch, op het ridderslot Seebach, bij Langensaltz
in Thuringen, en meer anderen, waaronder een aantal geestelijken en
onderwijzers der jeugd.
Schriftelijk wendde ik mij tot Von Berlepsch, die zich uitsluitend
met de bijenteelt bezighoudt, en dit alleen doet uit liefde voor de
zaak, daar hij een zeer vermogend man is. Spoedig ontving ik een
vriendelijk antwoord, waarin hij mij met de groote, in de laatste
jaren in Duitschland gemaakte, vorderingen bekend maakte, welke
hoofdzakelijk het gevolg waren van eene nieuwe soort van bijenwoningen,
door Dzierzon, Predikant te Carlsmarkt in Silezië, uitgevonden, en in
1845 door hem algemeen bekend gemaakt. In deze woningen kan men het
werk der bijen, even als de bladen van een boek, openslaan en haar
leven en zijn op het naauwkeurigst gadeslaan. Door de toezending van
eene zoodanige woning, stelde hij mij tevens in staat, mij van hare
doelmatigheid te overtuigen.
Van toen af herleefde mijn lust in de bijen, en is mij tot heden
bijgebleven. Het is mijne dagelijksche bezigheid, zoowel theoretisch
als praktisch, hierin op de tegenwoordige hoogte te komen, en ik
geloof dat deze poging niet geheel vruchteloos zal zijn; tot heden
vond ik echter tot mijn leedwezen hier te lande geen bijenkweekers, die
belang in de zaak stelden en lust hadden haar met mij te beoefenen. En
toch is zij die belangstelling overwaardig; want, in de wonderbare
huishouding van deze kleine dieren, ziet men zoo vele blijken van
de Almagt van Hem, die alles uit niets te voorschijn riep, dat hij,
die geen te koud opmerker is, gedrongen wordt de grootheid van den
Schepper, in Zijne schepselen te erkennen.
Onbekendheid met den aard van en vrees voor de bijen zijn zeker de
hoofdredenen, waarom men er hier te lande zoo weinig acht op slaat;
de wijze, waarop de bijenteelt hier tot heden werd beoefend, heeft
ook weinig aantrekkelijks. Werken op goed geluk alleen, kan toch
den geest niet bevredigen. Toegerust met de kennis van de natuur en
de huishouding der bijen, voorzien van de nieuwe woningen en bekend
met haar gebruik, zal men in de bijenteelt eene aangename bezigheid
vinden en ook in de slechtste jaren ten minste zooveel honig winnen,
dat men de rente van zijn kapitaal ruimschoots vergoed vindt.
Teregt zeide Von Ehrenfels: "de bijenteelt is de poëzij van
het landleven." Hoe velen, die landhuizen bewonen, zouden dit
moeten toestemmen, wanneer zij, door op hunne buitengoederen eene
plaats aan een bijenstand te gunnen, voor altijd de dikwerf daar
heerschende eentoonigheid verdreven. Daardoor zou dan tevens op eigen
grond verzameld worden, wat thans jaarlijks groote sommen naar het
buitenland voert; en zij, die de voordeelen niet voor zich behoefden,
zouden, behalve het genot dat hun het bijenkweeken zou verschaffen,
nog in staat zijn, door hun toedoen en zonder geldelijke opoffering,
een gezin het onderhoud te doen vinden. Ook voor den veldarbeider
zou het van belang zijn eenige stokken te bezitten, die hem jaarlijks
voordeel konden aanbrengen, zonder dat hij er veel voor zou behoeven
te verzuimen; want de nieuwe wijze van behandeling kan zoodanig worden
ingerigt, dat zij weinig tijd vereischt.
In de naburige Duitsche staten acht men de bijenteelt van zooveel
gewigt, dat de hooge regeringen haar, door het uitloven van premiën
aan de best bezette standen, zooveel mogelijk bevorderen. Zou het ook
voor ons land niet van belang zijn, dezen tak van nijverheid op een
hooger standpunt te brengen, door het algemeen er meer opmerkzaam
op, en meer bekend mede te doen worden? Zou het daartoe niet goed
zijn, aan eenige landbouwkundige inrigting in ons land, een rationeel
behandelden bijenstand te hebben, en den aldaar aanwezigen kweekelingen
theoretisch en praktisch onderwijs in dat vak te doen geven?
Daar er in onze taal geene handleiding bestaat, die op de hoogte van
den tegenwoordigen tijd is, en velen of niet bekend zijn met de werken,
die het buitenland oplevert, of de taal niet genoeg magtig, om die
duidelijk te bevatten, zoo heb ik mij voorgenomen in deze behoefte,
naar vermogen, te voorzien. Daar echter geen roem- of winzucht mij
aanspoort, zoo hoop ik dat men, bij de beoordeeling van mijn werk,
steeds in het oog zal houden, dat de liefde tot de bijenteelt en de
zucht om haar zooveel mogelijk te bevorderen, door anderen bekend te
maken, met wat mij bij ondervinding gebleken is goed en waar te zijn,
de eenige drijfveren zijn, die mij hebben doen besluiten deze bladen
het licht te doen zien.
Ik zal voornamelijk mededeelen, wat ik van de opgaven van anderen,
door eigen onderzoek, bewaarheid heb gevonden; slechts weinige zaken
zullen geheel van mij zelven zijn, en nu en dan zal ik mij veroorloven
ook datgene mede te deelen, wat mij door vertrouwde vrienden voor
waarheid is opgegeven; het geheel zal blijken geene nietswaardige
fabelen of geheimen te bevatten, zijnde het alleen gegrond op de
natuurlijke huishouding der bijen: slechts van zoodanige behandeling
mag men goede gevolgen verwachten; want geenerlei kunstmatige bewerking
kan goed slagen, wanneer zij met de natuur in strijd is.
Voor het theoretisch gedeelte zal ik voornamelijk Dzierzon volgen,
die in de laatste jaren, bij het gebruik van zijne woningen,
volgens zijne daarin gedane ontdekkingen, zijne nieuwe theorie
zamenstelde. Deze vond, even als zijne woningen, aanvankelijk veel
tegenstand, doch het aantal navolgers neemt thans aanhoudend toe. Op
de wereldtentoonstelling te Parijs was eene Dzierzon'sche bijenwoning
tentoongesteld, die met de medaille der tweede klasse werd bekroond,
vergezeld van een brief van den volgenden inhoud:
"Monsieur!
"La commission, nommée par l'académie nationale pour examiner
les produits les plus remarquables de l'exposition universelle,
a particulièrement fixé son attention sur vos ruches pour
observer le travail des abeilles.
"Nous pensons rendre justice a votre mérite en vous appelant à
partager nos travaux et en vous offrant le titre de membre de
notre assemblée.
"L'extrait de nos statuts, consigné en marge de cette lettre,
vous donnera les renseignements les plus nécessaires, sur le but
de l'institution qui vous ouvre ses rangs.
"Votre adhésion nous sera fort précieuse; recevez l'assurance
de notre haute considération.
"Le Président de l'académie nationale."
Eerst zal ik de natuurlijke geschiedenis en dan de teelt der bijen
behandelen. Men moet echter niet verwachten dat ik mij angstvallig
aan die verdeeling zal houden. Ik zal mij zoowel veroorloven, om in
de eerste afdeeling eenige practische bijzonderheden mede te deelen,
als dat ik in de tweede nog veel over de natuur der bijen, vooral
over haar leven in den winter, zeggen zal. Ik zal beginnen met een
enkel woord te spreken over de verdeeling der landstreken en over
het zoogenaamd bijengeluk.
De landstreken, waar de bijenteelt wordt uitgeoefend, verdeelt
men gewoonlijk in honigrijke en honigarme streken. Honigrijk wordt
eene streek genoemd, waar de bijen reeds in het vroege voorjaar iets
vinden, en die haar daarna gelegenheid geeft ruime voorjaarsbloemen,
zoo als de zaadbloem en die der vruchtboomen, te bevliegen, terwijl
zij daartoe des zomers de boekweit, de lindeboomen en de witte klaver,
en eindelijk in het najaar de heidebloem aanbiedt.--Honigarm noemt men
de zoodanige streken, waar de bloemen elkander niet geregeld opvolgen,
en de weide der bijen zich tot een korten tijd bepaalt, en soms eerst
laat begint; zoo zijn er in Noord-Braband vele streken, waar zij eerst
begint met de boekweit; op andere plaatsen vinden zij de zaadbloem
weder overvloedig, doch ook na deze weinig of niets meer. Het is
duidelijk dat men de behandeling van zijne bijen moet inrigten naar
de streek, waar men woont. Wat in de eene voordeelig was, zou dikwerf
in de andere verkeerd uitkomen, ja den eigenaar ten onder kunnen
brengen; doch zelden is eene streek zoo honigarm of men zal, met eene
behoorlijke kennis der bijen toegerust, bij eene goede behandeling,
zijne moeite beloond vinden. Het behoeft niet gezegd te worden dat,
wanneer men de bijen in eene honigrijke streek behandelt, als of
men in eene honigarme woonde, men daarmede altijd voordeeliger moet
uitkomen dan in de laatste het geval zou zijn; doch van de gunstiger
ligging gebruik makende, zal men de stokken reeds van honig voorzien
kunnen hebben, ja reeds natuurlijke en kunstzwermen kunnen bezitten,
terwijl in de andere nog aan geen zwermen te denken valt, en de bijen
soms zelfs nog gevoerd moeten worden.
In ons land hebben de honigarme streken verreweg de overhand en zij,
die de bijenteelt als middel van bestaan uitoefenen, bezoeken daarom
met hunne korven telkens die streken, waar de bijen steeds ruimere
bloemvelden kunnen bevliegen dan in hun omtrek. Het in dit werk
gezegde, zal voornamelijk op honigarme streken van toepassing zijn.
In ons land bestaat, even als in de meeste landen, het vooroordeel,
dat men, om voordeel van de bijenteelt te kunnen trekken, zoogenaamd
bijengeluk moet hebben. Zelden schrijft men den slechten uitslag aan
eigene onkunde, aan verkeerde behandeling toe; maar wijt hem meestal
aan gemis aan bijengeluk, en gaat soms zoover van te gelooven, dat
degene, die in zijne nabijheid er meer voorspoed mede heeft, dien
te danken heeft aan kunstgrepen en toovermiddelen, waardoor hij de
bijen zou dwingen honig te halen en was te bereiden, niet kunnende
gelooven, dat het gewaande toovermiddel alleen bestaat in de betere
behandeling. Den zoodanigen gaat het even als de buren van den kundigen
Claus. Deze had geluk en voorspoed met zijne bijen en zijn stand
vermeerderde van jaar tot jaar, terwijl zij niet vooruitgingen. Wanneer
de zijne reeds volop den kost hadden, ja voorraad oplegden, moesten zij
veeltijds de hunne nog met duur betaalden honig te hulp komen. Zijn
geluk ziende, zeiden zij hoofdschuddende en aan zijne toovermiddelen
denkende: "het gaat daar niet rigtig." Claus wist dit, en met hen
sprekende, zeide hij: "gij hebt regt, ik wend toovermiddelen aan
en ieder zal, en ook gij zult geluk hebben, na de goede aanwending
van mijne tovermiddelen." "Zij bestaan in drie spreuken, die ik u
gaarne wil mededeelen." Met belangstelling namen zij dat aanbod aan,
en hij deelde hun de volgende spreuken mede, waarin ik betuigen moet,
en alle deskundigen zullen mij dit toestemmen, dat alles bevat is,
wat een gunstig gevolg mag doen verwachten.
Eerste of Diamanten Spreuk: Wilt gij met voordeel bijen kweeken,
laat u dan vooraf goed onderrigten, hoe zij leven, wat zij gaarne
hebben en wat zij schuwen, wat haar voor- en wat haar nadeelig is.
Tweede of Gouden Spreuk: Alleen die stokken zijn nuttig, vruchtbaar
en bestand tegen de veranderingen van weersgesteldheid, die gezond
en volkrijk zijn. Ziekelijke en slecht bevolkte stokken brengen nooit
voordeel aan, maar gaan te gronde.
Derde of Zilveren Spreuk: Verzorgt de bijen in den winter goed.