HOOFDSTUK XXXII.

Gert Kloppers scheen iets heel bijzonders in de verte te zien.

Hij hield de hand boven de oogen, want de zon brandde fel.

Een lange trein van ossenwagens naderde. Hottentotten en Kaffers liepen

naast de trekossen, sloegen met hunne korte zweepen en maakten een

leven van geweld.

De trein ging recht op Kloppers’ hoeve aan.

Nu stapten een vijftal Boeren uit de wagens, en sloegen de richting in

naar Gert Kloppers, die op een heuvel stond.

Twee van die Boeren herkende Kloppers op den eersten blik; het waren

Barend Jansen en ouderling de Jong.

Blijde verrast, liep hij de komenden tegemoet, en dat de ontmoeting met

de oude wapenbroeders hartelijk en innig was, behoef ik wel niet te

zeggen.

„En kom je zoo uit Natal? En hoe staat het met den oorlog? Wij weten

hier van niets, dan dat Dirk is gevallen.”

De droefheid kwam met onverzwakte kracht weer boven in het hart van

Gert Kloppers, doch met ongehuichelde verbazing staarden de Boeren den

spreker aan.

„Dirk gevallen?” zeide Barend Jansen; „Dirk gevallen? Neen, Neef Gert,

zoo erg was het gelukkig niet. Bij het bestormen van—,” doch Gert

Kloppers liet hem niet uitpraten, en riep in de grootste spanning: „Zeg

mij maar één ding—leeft Dirk dan nog?”

„Natuurlijk,” zeide Barend Jansen, „hij leeft nog; hij is zoo frisch

als een hoen, en binnen weinige dagen zal hij denkelijk wel hier

zijn—zijt ge nu tevreden, driftige baas?”

Ja, nu was Gert Kloppers tevreden. Neen, hij was meer dan tevreden.

„Dirk leeft! Hij is op de komst!” het barstte hem als een juichkreet

uit de borst.

Als uit den ruischenden afgrond des doods ontving hij zijn zoon weer

terug—het geluk was te groot, om het in éénen keer te vatten!

„Maar hoe is men toch aan dat doodsbericht gekomen?” vraagde Kloppers.

„Dat had ik u daar net al kunnen zeggen, als gij mij niet in de rede

waart gevallen,” zeide Jansen. „Op zekeren nacht wilde de Engelsche

generaal de onzen overrompelen, maar Pretorius had er de lucht van

gekregen, en heeft dien lord behoorlijk ontvangen. Dirk was een der

eersten bij de Engelsche kanonnen, en kreeg van een Engelschen officier

een zwaren sabelhouw over het voorhoofd. Zwaar gewond werd hij

opgenomen; daar is het praatje vandaan gekomen, dat hij gesneuveld was.

Hij werd bij een Engelschen kolonist gebracht, die, ik moet de waarheid

zeggen, hem liefderijk heeft verpleegd, totdat hij was hersteld.”

„Enfin,” liet Barend Jansen er op volgen, „die Engelsche officier heeft

van den leeuwenjager zijn vet gehad: kapitaal met rente, dat verzeker

ik je.”

En hij wreef zich, terwijl hij dit vertelde, heel genoegelijk de

groote, zware handen.

Nu gingen de Boeren met Kloppers voorop naar diens woning, en werd

moeder Kloppers van de vreugdetijding in kennis gesteld.

Het is te verstaan, dat hare blijdschap geen grenzen kende.

Terwijl nu de andere Boeren bij moeder Kloppers bleven, haastten

Kloppers en Jansen zich, om Anna’s woning te bereiken. Zij stond met

haar kind op den arm juist in de buitendeur, toen de beide vaders de

heugelijke tijding brachten. Sprakeloos stond zij hen aan te staren;

geen woord kwam over haar lippen. Reeds vreesde Kloppers, dat de

overgroote blijdschap haar te sterk had geschokt, doch spoedig

ontlastte zich haar overvol gemoed. De tranen stroomden haar over de

wangen: tranen van blijdschap, van liefde, van dankbaarheid....

Zij legde de kleine in haar wieg, en zocht het donkerste hoekje op in

haar woning.

Daar knielde zij neder.

Daar stortte zij haar ziel uit in een vurig dankgebed tot Hem, Die

steeds is geweest en steeds zal blijven een Hoorder, ja een Verhoorder

des gebeds!

Zoo is de dag des wederziens aangebroken. Willem Kloppers, de jongste

van het zestal ruiters, die wij aan het strand van Natal hebben

bespied, is heden morgen aangekomen. Hij brengt de tijding, dat Dirk

met de anderen om drie uur heden middag hier denkt te zijn. De jonge

Boeren zijn namelijk van morgen bij een Afrikaander aangereden, die er

op stond, dat zij vandaag zijn gasten zouden zijn. Dirk, die zeer

ongeduldig naar huis verlangde, zou daarin echter niet hebben

toegestemd, had hij bij dien Afrikaander niet het praatje van zijn

doodsbericht gehoord. Hij had zich daarover ten hoogste verwonderd,

daar hij achtereenvolgens drie kleurlingen met brieven naar zijn vrouw

had afgezonden, die blijkbaar alle drie aan den haal waren gegaan, maar

in deze omstandigheden achtte hij het toch raadzaam, zijn vrouw door

een bode op zijn komst voor te bereiden. Dat zijn schoonvader en

ouderling de Jong reeds waren aangekomen, kon hij natuurlijk niet

gissen, en zoo is Willem dus de bode, die dit alles mededeelt.

Floor spreekt nu als zijn meening uit, dat deze dag een eenigszins

feestelijk aanzien behoort te hebben, en dat al de kennissen in de

buurt dezen namiddag de gasten van zijn schoonzuster moeten zijn.

Anna’s woning biedt natuurlijk geen ruimte voor zooveel menschen, doch

daar weet Floor wel raad op. Hij timmert van een partij ruwe planken

eenige tafels en banken in elkaar, die hij dicht bij de woning, in de

schaduw van het geboomte, plaatst.

Op deze tafels worden eenige mooie bloemruikers gezet, en Floor zegt:

„Nu kan het wel.”

Tegen den namiddag nemen de familie, de vrienden en de kennissen aan de

tafels plaats. Er wordt koffie geschonken en gebak uitgedeeld; de

Boeren steken hunne pijpen aan en praten druk over de politiek.

Daartusschen wordt geschertst en gelachen: er heerscht een geest van

echte, gulle gezelligheid.

Doch Anna spreekt weinig; zij is stil en in zich zelve gekeerd. Het

naderende geluk maakt haar stil.

Grootvader Jansen heeft de kleine Mieke op zijn knie. Zij plukt met

haar blanke, mollige handjes in zijn ruigen baard en kraait van

plezier.

’t Is nu half drie; op aller gelaat begint een blijde spanning te

komen.

„Nog een half uur, Hanneke!” zegt Gert Kloppers.

„’t Zal geen half uur meer duren!” zegt zijn vrouw.

Zij raadt het. O die moeders! Zij kennen hare kinderen!

Daar komt Willem driftig aanloopen.

„Zij zijn in zicht,” roept hij—„hoera!”

„Hoera,” roepen de jongeren, maar Anna kon het aan tafel niet meer

houden.

De grond brandt onder hare voeten—zij snelt de ruiters tegemoet.

Daar komen zij aan: Dirk Kloppers en de leeuwenjager; de beide zonen

van Jansen en Tijs de Jong.

Zij staan in de stijgbeugels—recht op—zij zwaaien met de geweren boven

hunne hoofden! En dáár, die voorste van de groep—die dáár op den

zwarten hengst—ja, Anna kent hem wel!

Hij springt van het paard, en lachend, weenend, juichend valt Anna in

zijn armen.

Zij ziet niemand; zij ziet niets.

Zij hoort slechts zijne stem, en het ruischt in hare ooren als het

ruischen van den morgenwind door de toppen van het geboomte: „Anna,

Liefste!”

Doch snel keert Anna tot de werkelijkheid terug, en vlug als een hinde

gaat zij tot haar vader.

Zij neemt haar dochterke, en legt het haren man in de armen.

„Zie daar uw kind,” zegt ze met stralenden blik.

Hij staart de kleine in de vriendelijke, blauwe kijkers, en als heldere

zonneschijn ligt het zoetste lachje op dat liefelijke gezichtje. Hij

drukt de kleine aan zijn hart en hij kust haar. En mannelijke tranen,

tranen van diepe, blijde ontroering, biggelen over zijn gebruinde

wangen, en dalen als dauw op de rozige koontjes der kleine Mieke.

„En wat een breed litteeken loopt daar over uw voorhoofd, Dirk!” zegt

Anna, en zij gaat met haar hand liefkozend over dat litteeken heen.

„Maar ik ben trotsch op dat litteeken,” gaat zij voort met schitterende

oogen, terwijl de dochter der vrije Emigranten-Boeren in haar boven

komt, „want gij zijt voortaan voor vriend en vijand geteekend als een

held van ons volk! Als een strijder voor vrijheid en recht!”

En nu heeft de ontmoeting plaats van Dirk met zijn ouders. Wat een

blijdschap, wat een vreugde! De ouders hebben hun zoon dood gewaand, en

zie—hij wandelt weer op de lichte hoogten des levens!

En nu lezer, laat den blik eens gaan over deze levende, sprekende groep

menschen, daar aan de lange, ruwe tafels!

Daar ziet ge in de eerste plaats Gert Kloppers met die blauwe, heldere

oogen en dat hooge, schrandere voorhoofd. En naast hem zijn vrouw, de

gulle, hartelijke, vrome Hanna, die genoemd wordt eene moeder in

Israël. En naast haar de leeuwenjager met dat stroeve, zwaargebaarde

gelaat, en dat hart vol gulden trouw.

Vrouw Kloppers heeft zoo even gezegd: „Hier zult ge zitten, Teunis,

naast mij. Gij hebt geen tehuis, maar ons tehuis zal voortaan ook het

uwe zijn, en gij zult ons zijn als een zoon des huizes.” En deze uit de

diepte opwellende hartelijkheid en liefde heeft den leeuwenjager goed

gedaan; dat kunt ge hem aanzien.

En naast den leeuwenjager ziet ge de breede schouders van Barend

Jansen. Op den stevigen nek staat het groote hoofd, en onder die

forsche, zware wenkbrauwen flikkeren de scherpe, vorschende oogen.

Vastberadenheid en onverzettelijkheid liggen in elke plooi van dit

gelaat, en dat stalen voorhoofd schijnt geschapen, om er een muur mee

in te loopen.

Maar thans ligt op dat gezicht een vroolijke tint, alsof de zon

tusschen de donderbuien zal doorkomen.

En tusschen Barend Jansen en een ouden voortrekker—hoe komt ze daar

tusschen te zitten?—ziet ge de thans twaalfjarige Hannie als een

frissche, liefelijke lenteroos tusschen verweerde eiken.

En die dáár is Floor. Ja, zijn vader heeft wel gelijk gehad, toen hij

zeide: „Met Floor zal het wel terecht komen.” Kijk maar in die flinke,

schrandere oogen—dan weet ge genoeg.

En die daar met dien schalkschen, guitigen blik is Willem, en daarnaast

ziet ge het ernstige, edele gelaat van ouderling de Jong—maar stil, hij

staat op; hij zal spreken.

De drukke gesprekken verstommen, nu de Jong het woord neemt.

„Waarde, lieve Vrienden,” zoo begint hij met zijn klankvolle stem, „het

is heden voor ons allen een blijde, vroolijke dag, nu wij de onzen, die

in den oorlog zijn geweest, gezond en behouden weer mogen ontmoeten. Ik

denk hier bovenal aan mijn trouwen vriend Gert Kloppers, die dezen dag

tot een der gelukkigste zijns levens zal rekenen.

„Doch deze dag heeft nog eene andere, eveneens blijde beteekenis.

„Wij vertegenwoordigen hier een klein deel, maar ’t is toch een deel

van het wakkere, vrijheidlievende volk der Emigranten-Boeren.”

De Boeren knikken bevestigend.

„En aan ons, de Emigranten-Boeren, behoort naar Goddelijk en

menschelijk recht Natal, dat gedrenkt is met het hartebloed der Boeren.

„Doch wij hebben ons teruggetrokken uit Natal—”

„Met mìjn zin niet,” zegt de stugge Barend Jansen.

„Wij hebben ons teruggetrokken uit Natal, zeg ik, omdat ons volk was

uitgeput door de Kafferoorlogen, omdat de armoede ons aangrijnsde,

omdat de Engelsche regeering steeds nieuwe hulptroepen zond, en omdat

er kaf was onder het koren: verbasterde Afrikaanders, die heil

verwachtten van de Engelsche vlag.”

„Liever in de woestijn dan onder die vlag,” roept een forsche stem.

„Doch de hoofdreden waarom wij, zwichtend voor Engelsch geweld, ons

terugtrekken uit Natal, ligt daarin, dat God de Almachtige ons hier in

het noorden, in de Transvaal, waar reeds zoo vele onzer broeders zich

onder de leiding van den zeer geachten kommandant-generaal Hendrik

Potgieter hebben gevestigd, dat Hij ons hier, zeg ik, ruimte geeft voor

onzen voet en staatkundige onafhankelijkheid.

„Hier, broeders, op dezen grond zijn wij vrij! Het Engelsche juk is ons

van de schouders genomen, en wij ademen de vrijheidslucht! Het doel van

den zesjarigen zwerftocht is bereikt—God heeft onze gebeden verhoord!”

„Maar wij geven daarmede onze rechtmatige aanspraken op Natal niet op,”

zegt de Jong, en het klinkt door zijn woorden heen als ingehouden

toorn. „En wij klagen de Engelsche regeering aan bij den troon van den

rechtvaardigen God, omdat zij het recht heeft geschonden en het recht

heeft vertrapt!

„Ik geloof aan het recht van den sterkste. Verwondert ge u over mijn

uitdrukking? Ik zeg u, dat Engeland aan het kortste eind zal trekken,

want de rechtvaardige God is de sterkste, en Zijn recht zal zegevieren.

Zijne molens malen niet spoedig, want God is een lankmoedig God. Doch

als ze beginnen te malen, dan malen ze door, en vermalen de glorie der

volken, die den zwakke hebben verdrukt, en den ellendige smaadheid

aangedaan.

„Maar wij, geliefde Broeders, wij hebben stof, om onzen trouwen God te

danken, want Hij heeft ons volk, het moe gejaagde, uit vele wonden

bloedend hert, een plaats gegeven, waar het kan uitrusten en genezen.

„Reeds begint het te genezen—met uw eigen oogen kunt ge ’t zien! Een

groen, sappig kleed bedekt de velden; het vee heeft overvloedig

voedsel, en in de verte ziet ge de golvende, gouden korenvelden. Zie

den veestapel van onzen vriend Gert Kloppers! Zijn vee breekt uit in

menigte—de kalveren huppelen tusschen de lammeren!”

„Ja,” zegt Barend Jansen, „als de Engelschen het in de gaten krijgen,

zullen ze gauw komen.”

„Dan zullen wij vechten,” zegt de Jong, „of we trekken hooger het

noorden in, want onze God heeft meer dan éénen zegen.”

„En als de Engelschen dien weg naar ’t noorden afsluiten?” vraagt

Jansen.

„Dan zullen we zeker vechten,” antwoordt de Jong.

„Ja, dan zullen we zèker vechten,” roepen de Boeren.

„Tot den laatsten man!” zegt de Jong met verheffing van stem.

„Tot den laatsten man!” roepen de Boeren.

„Maar wij keeren tot het heden terug,” begint de Jong opnieuw, „en

thans zijn wij een vrij volk. Doch een vrij volk behoort een vlag te

hebben als een teeken zijner zelfstandigheid.”

„Kent gij deze vlag?” zegt hij, terwijl hij een vlag, aan een stok

gebonden, omhoog houdt.

Daar staat een Boer op; zijn haar is wit als sneeuw van ouderdom.

„Dat is de Hollandsche driekleur,” zegt hij, „die ik vele jaren aan de

Tafelbaai heb zien wapperen.”

„Maar de Engelschen hebben ze neergehaald,” laat hij er droevig op

volgen.

„En hier, in den bodem der Transvaal, zullen we ze weer planten,” zegt

de Jong met moedige stem, „als het volk der Emigranten er over denkt

als ik, want wij zijn en blijven Hollandsche Afrikaanders! En wij

zullen er dan nog ééne kleur bijvoegen, namelijk het groen, want groen

is de kleur der hope.”

„En deze vierkleur,” roept hij met langzame, luide, plechtige stem:

„deze vierkleur moge wapperen over het vrije volk der

Emigranten-Boeren—van het Drakengebergte tot aan de

Limpopo-rivier—zoolang de zon boven Afrika schijnt!”

De koele, stoere Boeren zijn opgestaan. Hunne oogen schitteren; hunne

wangen gloeien.

„Zoolang de zon boven Afrika schijnt!” roepen zij in losbarstende

geestdrift.

„En zij zàl blijven wapperen op den wind,” alzoo besluit ouderling de

Jong zijn toespraak, „als ons volk door den band der eendracht blijft

verbonden; als wij onze roeping verstaan, om christendom en beschaving

te brengen onder de blinde heidenen; als wij wandelen in de inzettingen

des Heeren—God de Almachtige en de Getrouwe zegene het geliefde volk

der Emigranten-Boeren, en Hij stelle het tot een zegen tot in lengte

van dagen!”

De zon, het groote licht van den dag, is nu ondergegaan. Reeds beginnen

de kleinere lichten van den nacht, de maan en de sterren, hun schijnsel

te geven aan den diepblauwen hemel.

De zangvogel zingt zijn avondlied; de beek stoeit haar kabbelende

golven over de rotsen naar de diepte, en hoog boven de hoofden der

Boeren ruischt de avondwind in de toppen van het geboomte.

En hoor, zij zingen!

Zij zingen hun overwinningslied:

„De Heer is mij tot hulp en sterkte;

Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;

Hij was het, Die mijn heil bewerkte;

Dies loof ik Hem mijn leven lang.

Men hoort der vromen tent weergalmen

Van hulp en heil ons aangebracht;

Daar zingt men blij met dankbare psalmen:

Gods rechterhand doet groote kracht!”

Het lied klimt op; het zet zich uit; het klinkt over velden en beemden!

Het rijst op boven de toppen van het geboomte; boven de koppen der

Afrikaansche bergen!

Het rijst op, al hooger en hooger—; tot de sterren—; tot voor den troon

van den Eeuwige en den Rechtvaardige, die het lot der volkeren

bestiert—!

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 38 / 40 题