De Engelsche wolf was uit zijn legerplaats opgerezen, want hij had weer
honger gekregen. Natal was een te welkome buit.
Reeds was er bij den Volksraad der Natalsche Boeren een zonderlinge
missive ingekomen. Zij kwam van den gouverneur der Kaapkolonie en was
van den volgenden inhoud: „Het is voor Hare Majesteit niet mogelijk,
een gedeelte harer eigene onderdanen, die zich eenige honderden mijlen
buiten de Kaap de Goede Hoop hebben begeven, voor onafhankelijk te
verklaren. Zoo de Boeren een militaire macht willen ontvangen, dan zal
Hare Majesteit hun al die handelsvoorrechten waarborgen, die aan de
àndere Britsche koloniën zijn toegestaan, en dan zal het land, dat de
Emigranten thans hebben bezet, aan hen worden toegekend, in zooverre
rechtvaardigheid en billijkheid dit gedoogen.”
De Boeren stonden vreemd te kijken bij het lezen dezer missive.
Wat? Zij zouden Natal afstaan? Het schoone, liefelijke Natal, het land
der duizend heuvelen? Het land, dat zij twéé keeren hadden gekocht, den
eersten keer met aan de bedingen te voldoen, die koning Dingaan had
gesteld, den twééden keer met hun bloed? En durfde de Engelsche
regeering nu nog de woorden: „rechtvaardigdheid” en „billijkheid” op de
lippen te nemen, waar zij bezig was, met een goed gehuicheld
komediespel het schandelijkste onrecht te begaan?
„Neen,” zeiden de èchte, oude Voortrekkers, en zij schudden toornig
hunne grijze lokken; „wij willen geen militaire macht van Engeland, en
wij dulden ze evenmin.”
Onmiddellijk beantwoordde de Volksraad het schrijven van den Engelschen
gouverneur in een stuk, even ernstig als waardig.
„Wij vermeenen,” zoo schreven de Boeren, „dat beide, Hare Majesteit en
Uwe Excellentie omtrent ons, onze aanspraak op het recht van
onafhankelijkheid en het recht, hetwelk wij tot het land hebben, door
ons geoccupeerd wordende, verkeerd zijt onderricht. Wij zijn van
geboorte Hollandsche Afrikaanders. Dadelijk nadat wij Harer Majesteits
grondgebied in Zuid-Afrika hebben verlaten, hebben wij onze
onafhankelijkheid gepubliceerd, en van dien tijd af tot op dit
oogenblik hebben wij als een onafhankelijk Volk gehandeld, ons zelven
volgens onze eigene wetten geregeerd, en gevolgelijk opgehouden,
Britsche onderdanen te zijn. Het door ons bewoond wordende land hebben
wij wettig verkregen, en het is nooit tot op dit oogenblik een Britsche
provincie of kolonie geweest, en niettegenstaande Uwer Excellentie’s
herhaalde mededeelingen, dat wij Britsche onderdanen en kolonisten
zijn, moeten wij beweren, dat wij volgens alle rechten van beschaafde
natiën nóch het een nóch het ander zijn. En verder bedanken wij voor
Harer Majesteit’s militaire macht. Wij hebben vrede met alle natiën, en
wij hebben geen bescherming noodig.”
Dit was ronde, duidelijke, Oud-Hollandsche taal. En had de Engelsche
wolf niet zoo’n honger gehad, dan had hij ’t er misschien bij laten
zitten.
Doch nù was er geen denken aan.
Geen twee maanden later (1841) verscheen een nieuw dokument van den
Kaapschen gouverneur, luidende: „Aangezien de Volksraad der
Emigranten-Boeren, nu wonende te Port-Natal en aangrenzend gebied, ons
hebben bekend gemaakt, dat zij hadden opgehouden, Britsche onderdanen
te zijn, zoo proclameeren wij, dat die onafhankelijkheid in geenen
deele zal worden erkend; dat de bewoners onderdanen en kolonisten zijn
van Groot-Brittanje, en dat wij onverwijld militair bezit van Natal
zullen nemen, door derwaarts eene afdeeling te zenden van Harer
Majesteits troepen.”
Maar nu barstte de verontwaardiging bij de Boeren los, en zij
antwoorden: „Wij weten, dat er een God leeft, Die hemel en aarde
regeert, en Die Machtig en gewillig is, om den verongelijkte, hoewel
zwakke, tegen geweldenaars te beschermen. Op hem en op de
rechtvaardigheid onzer zaak verlaten wij ons, en zoo het Zijn wil is,
dat eene algeheele verwoesting worde gebracht over ons, onze vrouwen en
kinderen, en alles, wat wij hebben of bezitten, zullen wij onderworpen
zijn, en erkennen, zulks bij Hèm te hebben verdiend maar niet bij de
mènschen. Wij zijn bekend met de macht van Groot-Brittanje, en het is
ons doelwit geenszins, om die macht te trotseeren, doch wij kunnen te
gelijkertijd evenmin toelaten, dat geweld inplaats van recht over ons
zou zegevieren, zonder dat wij al onze pogingen zullen hebben
aangewend, om zoodanig geweld tegen te gaan.”
De gouverneur van de Kaapkolonie glimlachte even, toen hij dit
schrijven las, en gaf onmiddellijk bevel aan majoor Smith, om zijn kamp
in Pondo-land op te breken en in ijlmarschen op Natal aan te trekken.
Aan zoo’n tocht, met een trein van wagens en kanonnen, waren groote
moeilijkheden verbonden, doch majoor Smith kwam alle zwarigheden te
boven, en was in zeven weken tijds tot de Natalbaai doorgedrongen.
De Boeren waren door die plotselinge nadering inderdaad verrast, en
zelfs hun kundige generaal Pretorius had niet vermoed, dat de vijand
van dièn kant zou gekomen zijn.
De Engelsche majoor maakte intusschen van deze verrassing gebruik, om
op eenigen afstand van de havenplaats Durban—in den vorm van een
driehoek—zijn kamp op te slaan. Op elk punt werd een kanon geplant, en
terwijl de vlag der Boeren werd neergehaald, wapperde de Engelsche hoog
in de lucht.
Nu had de majoor de goedheid, om aan de Boeren een termijn van vijftien
dagen toe te staan voor hunne onderwerping. Anders zouden zij als
muiters worden beschouwd en de volle gestrengheid der wet ondervinden.
Bijna terzelfder tijd brachten de brik „Pilot” en de schoener „Mazeppa”
nog twee kanonnen met eene groote hoeveelheid mondbehoeften en
ammunitie, en aan een zandigen uithoek bij Durban, de „Point” genoemd,
werd het aangebrachte opgeslagen. Majoor Smith plaatste er een wacht
naast van een sergeant en vijfentwintig man, stak vervolgens zijn
fijnste sigaar op, en zeide vergenoegd tot zijn officieren: „Nu zullen
jelui eens zien, hoe gauw die koppige Boeren om genade zullen smeeken!”
Maar de Boeren liepen niet hard; ten minste niet, om genade te smeeken.
Wel was er onder de Afrikaansche Boeren kaf onder het koren, wijfelaars
en wankelmoedigen, voornamelijk schuilende onder de Emigranten, die pas
een jaar geleden, nìet om de staatkundige vrijheid maar om een ruimer
stuk brood, uit de Kaapkolonie waren gekomen, doch onder de echte
Voortrekkers, den kern der bevolking, was geen weifelaar.
Oogenblikkelijk riep de Volksraad alle beschikbare manschappen op, en
als een dreigende donderwolk legerde zich Pretorius met zijn ruiters,
waarbij zich Teunis de leeuwenjager, Tijs de Jong, de twee zonen van
Gert Kloppers en de beide zonen van Barend Jansen bevonden, op drie
mijlen afstands van het Engelsche kamp.
Pretorius begon de vijandelijkheden met de ossen der Engelschen weg te
nemen, doch majoor Smith glimlachte, toen hij dit hoorde.
„Laat die domme boeren maar begaan,” zeide hij. „Wij krijgen de ossen
terug, en de Boeren toe.”
Reeds den volgenden nacht zou dit kunststuk worden uitgevoerd.
In het holle van den nacht brak de majoor met zijn manschappen en twee
kanonnen op, om het Boerenlager bij verrassing te nemen, en om zóó—met
éénen slag—aan de zoogenaamde muiterij een einde te maken.
Het was een stille, liefelijke nacht. Fluisterend gaven de officieren
de kommando’s. Niets werd gehoord dan de dreunende stap der infanterie,
de gedempte hoefslag van het paard in het lange gras, het gekraak der
kanonwagens, de kreet van een wilden baviaan en het ruischen van den
wind in het loover van het woud. Slechts dit woud scheidde nog de snel
avanceerende Engelschen van het lager der Boeren.
Dat lager lag in de diepste rust. Snelvoetige Zoeloekaffers brachten
den majoor de welkome tijding.
„Ja, zoo zijn de Boeren,” dacht de majoor; „dom—oliedom!”
„Tegen de dikhuidige, met vet en traan ingesmeerde kaffers zijn ze wel
bestand, maar het vechten tegen den Engelschman is toch nog iets
anders—dat zullen ze van nacht gewaar worden!”
„Voorwaarts, jongens,” zeide Smith; „gauw door dit bosch heen, en dan
het Boerenkamp genomen! Ge laat niet éénen Boer ontsnappen—ik moet ze
allemaal hebben—de verrassing zal volkomen zijn—voorwaarts!”
Maar waarom deinzen de soldaten plotseling achteruit, alsof zij op
vergiftige slangen hebben getrapt? Waarom slaan de ossen, voor de
kanonwagens gespannen, wild op de vlucht? Waarom springt de majoor met
uitgetrokken sabel, vloekend en dreigend, voor het front zijner
wankelende gelederen?
Waarom?—maar ge behoeft het niet te vragen. Door het duister van den
nacht ziet ge den vuurstraal glippen uit het lange roer der Boeren, die
achter het geboomte in hinderlaag liggend, den vijand hebben opgewacht,
totdat hij onder schot zou komen.
Majoor Smith had het wel bij het rechte eind gehad, dat de verrassing
volkomen zou zijn, doch zij was niet aan den kant der Boeren.
Met huiveringwekkende juistheid sloegen de kogels in de Engelsche
gelederen, en de verwarring werd algemeen. Al sterker drongen de Boeren
op. „Hier heen!” riep Dirk Kloppers met luide stem; „dáár zijn de
kanonnen!” In een stouten aanloop werden ze genomen, doch Kloppers viel
en kleurde met zijn heldenbloed den grond van Natal.
Majoor Smith begon intusschen te begrijpen, wat voor vleesch hij in de
kuip had. Met het overschot van zijn gehavend legertje vluchtte hij
naar zijn verlaten kamp, woedend, dat die „domme” Boeren hem te gauw
waren afgeweest.
Maar de voortvarende Pretorius liet er geen gras over groeien. „Kom,”
zeide hij tot zijn mannen, „die levensmiddelen en die ammunitie daar
aan de „Point” kunnen wij gebruiken.”
Met honderd Boeren trok hij naar de „Point”, waar de sergeant met zijn
vijfentwintig soldaten nog steeds de wacht hield.
„Geef u over,” liet Pretorius aan den sergeant zeggen.
„Neen,” antwoordde de sergeant, „dat doe ik niet.”
„En waarom niet?” liet Pretorius vragen.
„Omdat zulks tegen de eer van Engeland is,” antwoordde de sergeant.
„Maar dan word jij met al je soldaten dood geschoten,” liet Pretorius
zeggen.
„Dat hindert niet; dan is de eer van Engeland gered,” antwoordde de
sergeant, „en wij schieten ook niet met erwten.”
Nu moesten de Boeren al weer aan ’t vechten, maar toen zij twee
soldaten hadden gewond en twee andere doodgeschoten, zeide de sergeant:
„Zie zoo; nu is aan de eer voldaan,” en hij gaf zich over.
Een rijke buit aan levensmiddelen en ammunitie viel de Boeren in
handen, en terwijl zij wagenvrachten vol goederen doorzonden naar
Pieter-Maritzburg, hun hoofdstad, was de ammunitie zeer geschikt, om
majoor Smith uit zijn eigene kanonnen te bestoken.
Tevens legde Pretorius beslag op de schepen de „Pilot,” en de
„Mazeppa,” en nogmaals ging de vlag der Boeren zegevierend naar de
steng.
Van alle kanten werd majoor Smith nu door de Boeren ingesloten, maar
hij liet hooge, aarden verschansingen opwerpen, en dekte zich
daarachter als een bunzing in zijn hol.
Zoo doende was hij beveiligd tegen het vuur der Boeren, maar Pretorius
zeide: „Wij zullen den bunzing door den honger uit zijn hol drijven.”
Smith lachte, toen hij dit hoorde, maar de mondvoorraad begon toch
allengs te slinken.
Toen kwam een Engelsch koopman in Durban op de gedachte, om zijne in ’t
nauw komende landgenooten te helpen, en hij trachtte een koppel ossen
het kamp binnen te smokkelen. Doch de belegeraars roken lont, en de
list mislukte. En om ook voor het vervolg van hen geen last te hebben,
liet Pretorius de Engelsche ingezetenen van Durban naar
Pieter-Maritzburg verhuizen en legde beslag op hun goed. Nu begon het
meenens te worden; majoor Smith lachte niet meer.
Al kleiner werden de porties gedroogd paardenvleesch, en al brakker
werd het water uit de gegraven put.
Wel deden de Engelschen verscheidene wanhopige uitvallen, om zich door
den waakzamen vijand heen te slaan, doch telkenmale werden zij met
bebloede koppen naar huis terug gestuurd.
Doch in dezen grooten nood daagde er redding op in de gedaante van een
jongen Engelschman, met name Richard King. „Ik red het Kamp,” zeide
hij, en—hij kreeg het gedaan.
De waakzaamheid der Boeren verschalkend, wist hij tusschen hunne
schildwachten door te sluipen, en voorzien van dépêches van majoor
Smith, aanvaardde hij een tocht van over de vierhonderd mijlen, om die
dépêches te overhandigen aan den bevelhebber der Engelsche troepen in
Grahamstown.
Door volle rivieren en langs stroopende Kafferbenden moest hij heen,
doch niets en niemand kon den taaien en onverschrokken Engelschman
keeren. In nauwelijks negen dagen volbracht hij den gevaarvollen tocht
en meldde zich, hongerig en afgebeuld, aan bij den Engelschen generaal.
Onmiddellijk werd een afdeeling grenadiers met de „Conch” naar Natal
verscheept, gevolgd door alle beschikbare troepen op het oorlogsschip
de „Southampton”.
Een dag voor de „Southampton” liet de „Conch” het anker vallen op de
reede van Port-Natal, en den volgenden nacht verkondigden de hoog
opstijgende Engelsche vuurpijlen aan majoor Smith, dat de hulp nabij
was.
J. A. Cloete, een geboren Afrikaander, doch kolonel in Engelschen
dienst, mag aanspraak maken op de eer en—de schande, Engeland aan Natal
te hebben geholpen.
Op Zondag 26 Juni 1842 bewerkstelligde hij de landing der troepen. Met
bange zorgen op het schrandere voorhoofd snelde Pretorius, het beleg
van het Engelsche kamp opbrekend, naar de Baai, om die landing te
keeren.
Doch te vergeefs was de moed en de doodsverachting, waarmede zijn
Boeren streden!
De troepen waren volkomen gedekt door het vèr dragend geschut der
„Southampton”, en de ammunitie der Boeren raakte op. Afgemat en totaal
uitgeput trokken zij zich terug. Toorn, smart en droefheid spraken uit
hun oogen.
Majoor Smith was ontzet, en donkerder dan ooit was de staatkundige
hemel.
De Engelschen waren nu meester van het terrein, en ook de
Smellenkamp-illusie was in rook vergaan.
Wie was die Smellenkamp?
Drie maanden voor de „Southampton” ankerde op de reede van Port-Natal,
en met de kartetsen uit hare stalen vuurmonden het strand schoonveegde,
was op diezelfde reede een groote Oost-Indiëvaarder verschenen. De
Boeren hadden zich herhaalde malen de oogen gewreven bij het zien van
het schip, want zij konden hun oogen nauwelijks gelooven. Maar ten
slotte was er toch geen twijfel aan; vroolijk wapperde de Hollandsche
vlag in den top van den mast.
Aan boord van dit schip, de „Brazilië”, was de supercarga Smellenkamp,
die, de Boeren opzoekend, door hen met de hartelijkste blijdschap werd
begroet. De wakkere mannen klaagden hem hunnen nood, en meegesleept
door zijn gevoel, beloofde hij aan de Boeren de bescherming van Willem
I, koning der Nederlanden. Ja, hij ging in zijn dwaze lichtvaardigheid
zoover, een verdrag met de Boeren te onderteekenen in naam van den
koning. Toen riepen de Boeren vol geestdrift: „Weg met de Engelschen!
Oranje boven!”
De reis van Smellenkamp naar Pieter-Maritzburg werd een ware
triomftocht, maar de Boeren werden in hun hooggespannen verwachtingen
bitter teleurgesteld. En op denzelfden dag, dat de Engelsche troepen
landden in Natal, werd Smellenkamp door de Engelsche regeering opgepakt
en in de gevangenis geworpen.
Intusschen durfde Cloete, die den loop der Engelsche geweren op zijn
eigen stamgenooten had laten richten, nog meer aan. Overtuigd, dat de
Voortrekkers eerder een guerrilla-oorlog tegen Engeland zouden
beginnen, dan zich onderwerpen aan een gezag, dat zij verafschuwden,
hitste hij zijn bloedhonden op hen aan, en die bloedhonden waren de
Zoeloe-Kaffers. Deze maatregel was even wreed als verachtelijk, doch de
Boeren raakten nu tusschen twee vuren bekneld. Omzwermd door de
snelvoetige Zoeloe’s, bedreigd door de kanonnen van Engeland, uitgeput
door het trekken en oorlogen, werd de toestand zeer hachelijk.
De Volksraad hield stormachtige zittingen. De harde kern, de echte
Voortrekkers, wisten van wankelen noch wijken, doch de anderen begonnen
hun ooren te neigen naar de wenschen der Engelsche staatkunde, die in
Cloete een uitstekenden vertegenwoordiger had.
Zelf verscheen hij in de raadzaal.
In de ééne hand den strooppot, in de andere den strop, zoo deed hij
zijn intocht.
De strooppot was voor de halven en de weifelenden; de strop voor de
onverzettelijken.
„Gij Boeren,” zeide Cloete, „wees toch niet verblind! Ge zult veilig en
zeker wonen onder de vleugelen van het machtigste rijk der aarde. Ik
ben ook een onderdaan onzer geëerbiedigde Majesteit, en bezit ik niet
een onbeperkte persoonlijke vrijheid? Gij wilt de vrijheid—waar gedijt
ze beter dan onder den scepter onzer jonge koningin? Gij behoeft niet
eens den eed der getrouwheid af te leggen: een gewone verklaring, dat
ge Britsche onderdanen zijt, werpt u al de zegeningen der beschaving in
den schoot. Ge behoudt uw eigen land, uw eigen bestuur, uw eigen taal,
en het machtige Engeland zal u met zijn zwaard beschermen tegen de
aanvallen der Kaffers.”
Dat was de strooppot.
„Wilt gij niet beschermd worden, gij ongelukkigen? Dan schiet er niet
anders over dan je dood te schieten of uit het land te bannen.”
Dat was de strop.
Maar Barend Jansen fronste zijn zware wenkbrauwen en zeide met
flikkerende oogen: „Liever de strop dan de strooppot!” Dat was de taal
van al de zonen der vrijheid, doch de Engelschgezinden onder de
Afrikaanders en de halve Afrikaanders gaven den doorslag bij de
stemming, en er werd tot onderwerping besloten.
„Maar wij zijn niet gebonden door dat besluit,” zeide Barend Jansen;
„kom, de Jong, al wat waarlijk Afrikaander is, zal met ons mede
strijden tegen Engelsch verraad.”
De bezadigde ouderling echter schudde het hoofd en antwoordde: „Wij
zullen niet vechten, Barend Jansen.”
„En waarom niet?” vraagde Barend Jansen.
„Omdat de Heere reeds een Pella voor ons heeft gereed gemaakt, een
toevluchtsoord der vrijheid—daar trekken wij heen.”
„Goed,” zeide Barend Jansen, „maar dan gauw, want ik kan die Engelsche
uniformen niet uitstaan.”
Terwijl wij de vrijheidlievende Voortrekkers achterlaten bij hun
ingespannen ossenwagens, volgen wij nog even den loop van de
merkwaardige lotgevallen der Emigranten-Boeren in Natal.
Er heerschte nu feitelijk drieërlei regeering: de Volksraad, het
militaire bestuur aan de Natal-Baai en het opperbestuur van den
Engelschen minister.
Er moest bij dezen stand van zaken een grenzenlooze verwarring
ontstaan, die ook niet op zich liet wachten. En om in dezen chaos orde
te scheppen, werd een broeder van kolonel Cloete als speciale
commissaris naar Natal gezonden.
Inmiddels had men in Nederland met warme belangstelling de
gebeurtenissen in Zuid-Afrika gevolgd, en als een welkomstgroet uit het
oude vaderland liet de „Brazilië” nogmaals het anker vallen op de reede
van Natal. Aan boord bevond zich Ds. Ham, die als herder en leeraar
onder de Boeren zou optreden. Maar hij mocht niet aan land komen. Het
Engelsche bestuur weigerde het, en onverrichter zake lichtte het
Hollandsche koopvaardijschip het anker.
De verbittering onder de Emigranten over deze handelwijze was zoo
groot: dat men den commissaris Cloete te lijf wilde en die verbittering
nam nog toe, toen de Engelsche regeering het plan liet doorschemeren,
om ook de Transvaal te annexeeren. Met de snelheid van een veldbrand
verbreidde zich dit nieuws in Transvaal, en als door een elektrieken
schok getroffen, grepen de Boeren aan beide zijden der Vaalrivier naar
de wapens. Een gevaarlijke gisting openbaarde zich te gelijker tijd in
de Kaapkolonie, en slechts één vonk was er noodig, om heel Zuid-Afrika
in vlam te zetten.
Maar de Engelsche regeering was zoo voorzichtig, den vonk te dooven,
voor hij den buskruitkelder bereikte, en het Drakengebergte werd
vastgesteld als de grens van het Engelsch gebied.
Onwillig echter bogen de Emigranten-Boeren den nek onder het Engelsche
juk, en zij hunkerden naar de gelegenheid, om naar de Transvaal, naar
hunne broeders te trekken. En als een andere Jozua stelde zich
Pretorius aan hunne spits, en hen uitleidend uit de Engelsche
gevangenschap, bracht hij hen in het land der vrijheid: de Transvaal.
Zij breidden zich voornamelijk uit in het zuiden en het westen, en
stichtten in het midden des lands, op de helling van het gebergte, een
stad, en noemden haar uit dankbaarheid voor hun grooten generaal,
Pretoria, thans de welbekende hoofdstad der Zuid-Afrikaansche
Republiek.
Wij keeren terug tot de ossenwagens van ouderling de Jong, Barend
Jansen en nog eenige andere Boeren, die zich bij hen hadden
aangesloten: de voorloopers van den tweeden, zoo even medegedeelden
grooten Trek onder Pretorius.
De reis ging recht het noorden in, naar het Drakengebergte.
Ouderling de Jong maakte haast, want hij reikhalsde, zijn trouwen
vriend Gert Kloppers weer de hand te drukken. Ook Barend Jansen
verlangde naar het einde der lange, eentonige reis, want hij was
benieuwd naar zijn dochter Anna.
Vóór men echter den moeielijken en gevaarvollen tocht over het gebergte
achter den rug had, beklom—op een helderen namiddag—ouderling de Jong
alleen eene der voornaamste spitsen.
Op de hoogte gekomen, wendde hij zijn blik naar het zuiden, en daar
lag—in den glans der naar het westen neigende zon—het land Natal in al
zijne liefelijkheid voor hem.
Hij zag het glinsteren der beekjes, snel afvlietend van de heuvelen, de
als groene tapijten zich uitstrekkende dalen, de schaduwrijke bosschen!
Hoe gaarne had hij daar de pinne zijner tente diep ingeslagen—helaas
het mocht niet zijn!
Langzaam gleed zijn oog over het panorama heen, totdat het bleef hangen
aan een eenzamen wilgenboom.
Onder dien boom lag Mieke begraven, de dochter van zijn trouwsten
vriend. En ach! Daar verder heen strekten zich die kleine klipheuvelen
uit—onder die klippen lagen zoo vele lieve, hartelijk beweende vrienden
begraven! Daar lagen ze: de vaders naast hunne zonen; de kinderen in de
armen hunner moeders—vermoord door de scherpe assegaai....
Zijn blik werd al droeviger; op zijn edel gelaat legde zich de smart
als een sombere avondwolk.
Wat al leed, wat al ellende had het volk der Emigranten-Boeren niet
doorgemaakt! Door welke plassen van bloed en tranen waren die
ossenwagens heengegaan!
Sombere wolken van zwaarmoedigheid en moedeloosheid onderschepten den
anders zoo helderen blik van ouderling de Jong, en schokten zijn
Godsvertrouwen.
Doch toen hij langzaam de oogen ophief naar de schemerende heuvelen aan
den verren horizon, toen werd het weer lichter in zijn ziel, want
achter die heuvelen lag de Bloedrivier, en aan die Bloedrivier had God
aan Zijn volk verlossing geschonken.
Aan den rand van den afgrond had de Heere het gered als een teeken
Zijner onwankelbare trouw.
En wat klaagde de Jong? Had God het volk der vrije Emigranten-Boeren
òoit verlaten, al hadden zij ’t van wege hunne zonden verdiend? Was Hij
niet steeds—in al hun trekken—voor hen als een wolkkolom en vuurkolom
geweest? Was niet steeds in den hoogsten nood ook de onmiddellijke
redding gevolgd? En had de Heere in Zijn trouw verbond niet gezorgd,
dat zij aan het Engelsche juk konden ontkomen als een vogel aan den
strik van den vogelvanger?
Op een harden klipsteen, daar zette de Jong zich neder. En hier in de
eenzaamheid, tusschen de rotsen en de spelonken en de kloven, prees hij
de onwankelbare trouw zijns Gods!