Wat was er met de Emigranten-Boeren in Natal gebeurd? [14]

De Engelsche wolf was uit zijn legerplaats opgerezen, want hij had weer

honger gekregen. Natal was een te welkome buit.

Reeds was er bij den Volksraad der Natalsche Boeren een zonderlinge

missive ingekomen. Zij kwam van den gouverneur der Kaapkolonie en was

van den volgenden inhoud: „Het is voor Hare Majesteit niet mogelijk,

een gedeelte harer eigene onderdanen, die zich eenige honderden mijlen

buiten de Kaap de Goede Hoop hebben begeven, voor onafhankelijk te

verklaren. Zoo de Boeren een militaire macht willen ontvangen, dan zal

Hare Majesteit hun al die handelsvoorrechten waarborgen, die aan de

àndere Britsche koloniën zijn toegestaan, en dan zal het land, dat de

Emigranten thans hebben bezet, aan hen worden toegekend, in zooverre

rechtvaardigheid en billijkheid dit gedoogen.”

De Boeren stonden vreemd te kijken bij het lezen dezer missive.

Wat? Zij zouden Natal afstaan? Het schoone, liefelijke Natal, het land

der duizend heuvelen? Het land, dat zij twéé keeren hadden gekocht, den

eersten keer met aan de bedingen te voldoen, die koning Dingaan had

gesteld, den twééden keer met hun bloed? En durfde de Engelsche

regeering nu nog de woorden: „rechtvaardigdheid” en „billijkheid” op de

lippen te nemen, waar zij bezig was, met een goed gehuicheld

komediespel het schandelijkste onrecht te begaan?

„Neen,” zeiden de èchte, oude Voortrekkers, en zij schudden toornig

hunne grijze lokken; „wij willen geen militaire macht van Engeland, en

wij dulden ze evenmin.”

Onmiddellijk beantwoordde de Volksraad het schrijven van den Engelschen

gouverneur in een stuk, even ernstig als waardig.

„Wij vermeenen,” zoo schreven de Boeren, „dat beide, Hare Majesteit en

Uwe Excellentie omtrent ons, onze aanspraak op het recht van

onafhankelijkheid en het recht, hetwelk wij tot het land hebben, door

ons geoccupeerd wordende, verkeerd zijt onderricht. Wij zijn van

geboorte Hollandsche Afrikaanders. Dadelijk nadat wij Harer Majesteits

grondgebied in Zuid-Afrika hebben verlaten, hebben wij onze

onafhankelijkheid gepubliceerd, en van dien tijd af tot op dit

oogenblik hebben wij als een onafhankelijk Volk gehandeld, ons zelven

volgens onze eigene wetten geregeerd, en gevolgelijk opgehouden,

Britsche onderdanen te zijn. Het door ons bewoond wordende land hebben

wij wettig verkregen, en het is nooit tot op dit oogenblik een Britsche

provincie of kolonie geweest, en niettegenstaande Uwer Excellentie’s

herhaalde mededeelingen, dat wij Britsche onderdanen en kolonisten

zijn, moeten wij beweren, dat wij volgens alle rechten van beschaafde

natiën nóch het een nóch het ander zijn. En verder bedanken wij voor

Harer Majesteit’s militaire macht. Wij hebben vrede met alle natiën, en

wij hebben geen bescherming noodig.”

Dit was ronde, duidelijke, Oud-Hollandsche taal. En had de Engelsche

wolf niet zoo’n honger gehad, dan had hij ’t er misschien bij laten

zitten.

Doch nù was er geen denken aan.

Geen twee maanden later (1841) verscheen een nieuw dokument van den

Kaapschen gouverneur, luidende: „Aangezien de Volksraad der

Emigranten-Boeren, nu wonende te Port-Natal en aangrenzend gebied, ons

hebben bekend gemaakt, dat zij hadden opgehouden, Britsche onderdanen

te zijn, zoo proclameeren wij, dat die onafhankelijkheid in geenen

deele zal worden erkend; dat de bewoners onderdanen en kolonisten zijn

van Groot-Brittanje, en dat wij onverwijld militair bezit van Natal

zullen nemen, door derwaarts eene afdeeling te zenden van Harer

Majesteits troepen.”

Maar nu barstte de verontwaardiging bij de Boeren los, en zij

antwoorden: „Wij weten, dat er een God leeft, Die hemel en aarde

regeert, en Die Machtig en gewillig is, om den verongelijkte, hoewel

zwakke, tegen geweldenaars te beschermen. Op hem en op de

rechtvaardigheid onzer zaak verlaten wij ons, en zoo het Zijn wil is,

dat eene algeheele verwoesting worde gebracht over ons, onze vrouwen en

kinderen, en alles, wat wij hebben of bezitten, zullen wij onderworpen

zijn, en erkennen, zulks bij Hèm te hebben verdiend maar niet bij de

mènschen. Wij zijn bekend met de macht van Groot-Brittanje, en het is

ons doelwit geenszins, om die macht te trotseeren, doch wij kunnen te

gelijkertijd evenmin toelaten, dat geweld inplaats van recht over ons

zou zegevieren, zonder dat wij al onze pogingen zullen hebben

aangewend, om zoodanig geweld tegen te gaan.”

De gouverneur van de Kaapkolonie glimlachte even, toen hij dit

schrijven las, en gaf onmiddellijk bevel aan majoor Smith, om zijn kamp

in Pondo-land op te breken en in ijlmarschen op Natal aan te trekken.

Aan zoo’n tocht, met een trein van wagens en kanonnen, waren groote

moeilijkheden verbonden, doch majoor Smith kwam alle zwarigheden te

boven, en was in zeven weken tijds tot de Natalbaai doorgedrongen.

De Boeren waren door die plotselinge nadering inderdaad verrast, en

zelfs hun kundige generaal Pretorius had niet vermoed, dat de vijand

van dièn kant zou gekomen zijn.

De Engelsche majoor maakte intusschen van deze verrassing gebruik, om

op eenigen afstand van de havenplaats Durban—in den vorm van een

driehoek—zijn kamp op te slaan. Op elk punt werd een kanon geplant, en

terwijl de vlag der Boeren werd neergehaald, wapperde de Engelsche hoog

in de lucht.

Nu had de majoor de goedheid, om aan de Boeren een termijn van vijftien

dagen toe te staan voor hunne onderwerping. Anders zouden zij als

muiters worden beschouwd en de volle gestrengheid der wet ondervinden.

Bijna terzelfder tijd brachten de brik „Pilot” en de schoener „Mazeppa”

nog twee kanonnen met eene groote hoeveelheid mondbehoeften en

ammunitie, en aan een zandigen uithoek bij Durban, de „Point” genoemd,

werd het aangebrachte opgeslagen. Majoor Smith plaatste er een wacht

naast van een sergeant en vijfentwintig man, stak vervolgens zijn

fijnste sigaar op, en zeide vergenoegd tot zijn officieren: „Nu zullen

jelui eens zien, hoe gauw die koppige Boeren om genade zullen smeeken!”

Maar de Boeren liepen niet hard; ten minste niet, om genade te smeeken.

Wel was er onder de Afrikaansche Boeren kaf onder het koren, wijfelaars

en wankelmoedigen, voornamelijk schuilende onder de Emigranten, die pas

een jaar geleden, nìet om de staatkundige vrijheid maar om een ruimer

stuk brood, uit de Kaapkolonie waren gekomen, doch onder de echte

Voortrekkers, den kern der bevolking, was geen weifelaar.

Oogenblikkelijk riep de Volksraad alle beschikbare manschappen op, en

als een dreigende donderwolk legerde zich Pretorius met zijn ruiters,

waarbij zich Teunis de leeuwenjager, Tijs de Jong, de twee zonen van

Gert Kloppers en de beide zonen van Barend Jansen bevonden, op drie

mijlen afstands van het Engelsche kamp.

Pretorius begon de vijandelijkheden met de ossen der Engelschen weg te

nemen, doch majoor Smith glimlachte, toen hij dit hoorde.

„Laat die domme boeren maar begaan,” zeide hij. „Wij krijgen de ossen

terug, en de Boeren toe.”

Reeds den volgenden nacht zou dit kunststuk worden uitgevoerd.

In het holle van den nacht brak de majoor met zijn manschappen en twee

kanonnen op, om het Boerenlager bij verrassing te nemen, en om zóó—met

éénen slag—aan de zoogenaamde muiterij een einde te maken.

Het was een stille, liefelijke nacht. Fluisterend gaven de officieren

de kommando’s. Niets werd gehoord dan de dreunende stap der infanterie,

de gedempte hoefslag van het paard in het lange gras, het gekraak der

kanonwagens, de kreet van een wilden baviaan en het ruischen van den

wind in het loover van het woud. Slechts dit woud scheidde nog de snel

avanceerende Engelschen van het lager der Boeren.

Dat lager lag in de diepste rust. Snelvoetige Zoeloekaffers brachten

den majoor de welkome tijding.

„Ja, zoo zijn de Boeren,” dacht de majoor; „dom—oliedom!”

„Tegen de dikhuidige, met vet en traan ingesmeerde kaffers zijn ze wel

bestand, maar het vechten tegen den Engelschman is toch nog iets

anders—dat zullen ze van nacht gewaar worden!”

„Voorwaarts, jongens,” zeide Smith; „gauw door dit bosch heen, en dan

het Boerenkamp genomen! Ge laat niet éénen Boer ontsnappen—ik moet ze

allemaal hebben—de verrassing zal volkomen zijn—voorwaarts!”

Maar waarom deinzen de soldaten plotseling achteruit, alsof zij op

vergiftige slangen hebben getrapt? Waarom slaan de ossen, voor de

kanonwagens gespannen, wild op de vlucht? Waarom springt de majoor met

uitgetrokken sabel, vloekend en dreigend, voor het front zijner

wankelende gelederen?

Waarom?—maar ge behoeft het niet te vragen. Door het duister van den

nacht ziet ge den vuurstraal glippen uit het lange roer der Boeren, die

achter het geboomte in hinderlaag liggend, den vijand hebben opgewacht,

totdat hij onder schot zou komen.

Majoor Smith had het wel bij het rechte eind gehad, dat de verrassing

volkomen zou zijn, doch zij was niet aan den kant der Boeren.

Met huiveringwekkende juistheid sloegen de kogels in de Engelsche

gelederen, en de verwarring werd algemeen. Al sterker drongen de Boeren

op. „Hier heen!” riep Dirk Kloppers met luide stem; „dáár zijn de

kanonnen!” In een stouten aanloop werden ze genomen, doch Kloppers viel

en kleurde met zijn heldenbloed den grond van Natal.

Majoor Smith begon intusschen te begrijpen, wat voor vleesch hij in de

kuip had. Met het overschot van zijn gehavend legertje vluchtte hij

naar zijn verlaten kamp, woedend, dat die „domme” Boeren hem te gauw

waren afgeweest.

Maar de voortvarende Pretorius liet er geen gras over groeien. „Kom,”

zeide hij tot zijn mannen, „die levensmiddelen en die ammunitie daar

aan de „Point” kunnen wij gebruiken.”

Met honderd Boeren trok hij naar de „Point”, waar de sergeant met zijn

vijfentwintig soldaten nog steeds de wacht hield.

„Geef u over,” liet Pretorius aan den sergeant zeggen.

„Neen,” antwoordde de sergeant, „dat doe ik niet.”

„En waarom niet?” liet Pretorius vragen.

„Omdat zulks tegen de eer van Engeland is,” antwoordde de sergeant.

„Maar dan word jij met al je soldaten dood geschoten,” liet Pretorius

zeggen.

„Dat hindert niet; dan is de eer van Engeland gered,” antwoordde de

sergeant, „en wij schieten ook niet met erwten.”

Nu moesten de Boeren al weer aan ’t vechten, maar toen zij twee

soldaten hadden gewond en twee andere doodgeschoten, zeide de sergeant:

„Zie zoo; nu is aan de eer voldaan,” en hij gaf zich over.

Een rijke buit aan levensmiddelen en ammunitie viel de Boeren in

handen, en terwijl zij wagenvrachten vol goederen doorzonden naar

Pieter-Maritzburg, hun hoofdstad, was de ammunitie zeer geschikt, om

majoor Smith uit zijn eigene kanonnen te bestoken.

Tevens legde Pretorius beslag op de schepen de „Pilot,” en de

„Mazeppa,” en nogmaals ging de vlag der Boeren zegevierend naar de

steng.

Van alle kanten werd majoor Smith nu door de Boeren ingesloten, maar

hij liet hooge, aarden verschansingen opwerpen, en dekte zich

daarachter als een bunzing in zijn hol.

Zoo doende was hij beveiligd tegen het vuur der Boeren, maar Pretorius

zeide: „Wij zullen den bunzing door den honger uit zijn hol drijven.”

Smith lachte, toen hij dit hoorde, maar de mondvoorraad begon toch

allengs te slinken.

Toen kwam een Engelsch koopman in Durban op de gedachte, om zijne in ’t

nauw komende landgenooten te helpen, en hij trachtte een koppel ossen

het kamp binnen te smokkelen. Doch de belegeraars roken lont, en de

list mislukte. En om ook voor het vervolg van hen geen last te hebben,

liet Pretorius de Engelsche ingezetenen van Durban naar

Pieter-Maritzburg verhuizen en legde beslag op hun goed. Nu begon het

meenens te worden; majoor Smith lachte niet meer.

Al kleiner werden de porties gedroogd paardenvleesch, en al brakker

werd het water uit de gegraven put.

Wel deden de Engelschen verscheidene wanhopige uitvallen, om zich door

den waakzamen vijand heen te slaan, doch telkenmale werden zij met

bebloede koppen naar huis terug gestuurd.

Doch in dezen grooten nood daagde er redding op in de gedaante van een

jongen Engelschman, met name Richard King. „Ik red het Kamp,” zeide

hij, en—hij kreeg het gedaan.

De waakzaamheid der Boeren verschalkend, wist hij tusschen hunne

schildwachten door te sluipen, en voorzien van dépêches van majoor

Smith, aanvaardde hij een tocht van over de vierhonderd mijlen, om die

dépêches te overhandigen aan den bevelhebber der Engelsche troepen in

Grahamstown.

Door volle rivieren en langs stroopende Kafferbenden moest hij heen,

doch niets en niemand kon den taaien en onverschrokken Engelschman

keeren. In nauwelijks negen dagen volbracht hij den gevaarvollen tocht

en meldde zich, hongerig en afgebeuld, aan bij den Engelschen generaal.

Onmiddellijk werd een afdeeling grenadiers met de „Conch” naar Natal

verscheept, gevolgd door alle beschikbare troepen op het oorlogsschip

de „Southampton”.

Een dag voor de „Southampton” liet de „Conch” het anker vallen op de

reede van Port-Natal, en den volgenden nacht verkondigden de hoog

opstijgende Engelsche vuurpijlen aan majoor Smith, dat de hulp nabij

was.

J. A. Cloete, een geboren Afrikaander, doch kolonel in Engelschen

dienst, mag aanspraak maken op de eer en—de schande, Engeland aan Natal

te hebben geholpen.

Op Zondag 26 Juni 1842 bewerkstelligde hij de landing der troepen. Met

bange zorgen op het schrandere voorhoofd snelde Pretorius, het beleg

van het Engelsche kamp opbrekend, naar de Baai, om die landing te

keeren.

Doch te vergeefs was de moed en de doodsverachting, waarmede zijn

Boeren streden!

De troepen waren volkomen gedekt door het vèr dragend geschut der

„Southampton”, en de ammunitie der Boeren raakte op. Afgemat en totaal

uitgeput trokken zij zich terug. Toorn, smart en droefheid spraken uit

hun oogen.

Majoor Smith was ontzet, en donkerder dan ooit was de staatkundige

hemel.

De Engelschen waren nu meester van het terrein, en ook de

Smellenkamp-illusie was in rook vergaan.

Wie was die Smellenkamp?

Drie maanden voor de „Southampton” ankerde op de reede van Port-Natal,

en met de kartetsen uit hare stalen vuurmonden het strand schoonveegde,

was op diezelfde reede een groote Oost-Indiëvaarder verschenen. De

Boeren hadden zich herhaalde malen de oogen gewreven bij het zien van

het schip, want zij konden hun oogen nauwelijks gelooven. Maar ten

slotte was er toch geen twijfel aan; vroolijk wapperde de Hollandsche

vlag in den top van den mast.

Aan boord van dit schip, de „Brazilië”, was de supercarga Smellenkamp,

die, de Boeren opzoekend, door hen met de hartelijkste blijdschap werd

begroet. De wakkere mannen klaagden hem hunnen nood, en meegesleept

door zijn gevoel, beloofde hij aan de Boeren de bescherming van Willem

I, koning der Nederlanden. Ja, hij ging in zijn dwaze lichtvaardigheid

zoover, een verdrag met de Boeren te onderteekenen in naam van den

koning. Toen riepen de Boeren vol geestdrift: „Weg met de Engelschen!

Oranje boven!”

De reis van Smellenkamp naar Pieter-Maritzburg werd een ware

triomftocht, maar de Boeren werden in hun hooggespannen verwachtingen

bitter teleurgesteld. En op denzelfden dag, dat de Engelsche troepen

landden in Natal, werd Smellenkamp door de Engelsche regeering opgepakt

en in de gevangenis geworpen.

Intusschen durfde Cloete, die den loop der Engelsche geweren op zijn

eigen stamgenooten had laten richten, nog meer aan. Overtuigd, dat de

Voortrekkers eerder een guerrilla-oorlog tegen Engeland zouden

beginnen, dan zich onderwerpen aan een gezag, dat zij verafschuwden,

hitste hij zijn bloedhonden op hen aan, en die bloedhonden waren de

Zoeloe-Kaffers. Deze maatregel was even wreed als verachtelijk, doch de

Boeren raakten nu tusschen twee vuren bekneld. Omzwermd door de

snelvoetige Zoeloe’s, bedreigd door de kanonnen van Engeland, uitgeput

door het trekken en oorlogen, werd de toestand zeer hachelijk.

De Volksraad hield stormachtige zittingen. De harde kern, de echte

Voortrekkers, wisten van wankelen noch wijken, doch de anderen begonnen

hun ooren te neigen naar de wenschen der Engelsche staatkunde, die in

Cloete een uitstekenden vertegenwoordiger had.

Zelf verscheen hij in de raadzaal.

In de ééne hand den strooppot, in de andere den strop, zoo deed hij

zijn intocht.

De strooppot was voor de halven en de weifelenden; de strop voor de

onverzettelijken.

„Gij Boeren,” zeide Cloete, „wees toch niet verblind! Ge zult veilig en

zeker wonen onder de vleugelen van het machtigste rijk der aarde. Ik

ben ook een onderdaan onzer geëerbiedigde Majesteit, en bezit ik niet

een onbeperkte persoonlijke vrijheid? Gij wilt de vrijheid—waar gedijt

ze beter dan onder den scepter onzer jonge koningin? Gij behoeft niet

eens den eed der getrouwheid af te leggen: een gewone verklaring, dat

ge Britsche onderdanen zijt, werpt u al de zegeningen der beschaving in

den schoot. Ge behoudt uw eigen land, uw eigen bestuur, uw eigen taal,

en het machtige Engeland zal u met zijn zwaard beschermen tegen de

aanvallen der Kaffers.”

Dat was de strooppot.

„Wilt gij niet beschermd worden, gij ongelukkigen? Dan schiet er niet

anders over dan je dood te schieten of uit het land te bannen.”

Dat was de strop.

Maar Barend Jansen fronste zijn zware wenkbrauwen en zeide met

flikkerende oogen: „Liever de strop dan de strooppot!” Dat was de taal

van al de zonen der vrijheid, doch de Engelschgezinden onder de

Afrikaanders en de halve Afrikaanders gaven den doorslag bij de

stemming, en er werd tot onderwerping besloten.

„Maar wij zijn niet gebonden door dat besluit,” zeide Barend Jansen;

„kom, de Jong, al wat waarlijk Afrikaander is, zal met ons mede

strijden tegen Engelsch verraad.”

De bezadigde ouderling echter schudde het hoofd en antwoordde: „Wij

zullen niet vechten, Barend Jansen.”

„En waarom niet?” vraagde Barend Jansen.

„Omdat de Heere reeds een Pella voor ons heeft gereed gemaakt, een

toevluchtsoord der vrijheid—daar trekken wij heen.”

„Goed,” zeide Barend Jansen, „maar dan gauw, want ik kan die Engelsche

uniformen niet uitstaan.”

Terwijl wij de vrijheidlievende Voortrekkers achterlaten bij hun

ingespannen ossenwagens, volgen wij nog even den loop van de

merkwaardige lotgevallen der Emigranten-Boeren in Natal.

Er heerschte nu feitelijk drieërlei regeering: de Volksraad, het

militaire bestuur aan de Natal-Baai en het opperbestuur van den

Engelschen minister.

Er moest bij dezen stand van zaken een grenzenlooze verwarring

ontstaan, die ook niet op zich liet wachten. En om in dezen chaos orde

te scheppen, werd een broeder van kolonel Cloete als speciale

commissaris naar Natal gezonden.

Inmiddels had men in Nederland met warme belangstelling de

gebeurtenissen in Zuid-Afrika gevolgd, en als een welkomstgroet uit het

oude vaderland liet de „Brazilië” nogmaals het anker vallen op de reede

van Natal. Aan boord bevond zich Ds. Ham, die als herder en leeraar

onder de Boeren zou optreden. Maar hij mocht niet aan land komen. Het

Engelsche bestuur weigerde het, en onverrichter zake lichtte het

Hollandsche koopvaardijschip het anker.

De verbittering onder de Emigranten over deze handelwijze was zoo

groot: dat men den commissaris Cloete te lijf wilde en die verbittering

nam nog toe, toen de Engelsche regeering het plan liet doorschemeren,

om ook de Transvaal te annexeeren. Met de snelheid van een veldbrand

verbreidde zich dit nieuws in Transvaal, en als door een elektrieken

schok getroffen, grepen de Boeren aan beide zijden der Vaalrivier naar

de wapens. Een gevaarlijke gisting openbaarde zich te gelijker tijd in

de Kaapkolonie, en slechts één vonk was er noodig, om heel Zuid-Afrika

in vlam te zetten.

Maar de Engelsche regeering was zoo voorzichtig, den vonk te dooven,

voor hij den buskruitkelder bereikte, en het Drakengebergte werd

vastgesteld als de grens van het Engelsch gebied.

Onwillig echter bogen de Emigranten-Boeren den nek onder het Engelsche

juk, en zij hunkerden naar de gelegenheid, om naar de Transvaal, naar

hunne broeders te trekken. En als een andere Jozua stelde zich

Pretorius aan hunne spits, en hen uitleidend uit de Engelsche

gevangenschap, bracht hij hen in het land der vrijheid: de Transvaal.

Zij breidden zich voornamelijk uit in het zuiden en het westen, en

stichtten in het midden des lands, op de helling van het gebergte, een

stad, en noemden haar uit dankbaarheid voor hun grooten generaal,

Pretoria, thans de welbekende hoofdstad der Zuid-Afrikaansche

Republiek.

Wij keeren terug tot de ossenwagens van ouderling de Jong, Barend

Jansen en nog eenige andere Boeren, die zich bij hen hadden

aangesloten: de voorloopers van den tweeden, zoo even medegedeelden

grooten Trek onder Pretorius.

De reis ging recht het noorden in, naar het Drakengebergte.

Ouderling de Jong maakte haast, want hij reikhalsde, zijn trouwen

vriend Gert Kloppers weer de hand te drukken. Ook Barend Jansen

verlangde naar het einde der lange, eentonige reis, want hij was

benieuwd naar zijn dochter Anna.

Vóór men echter den moeielijken en gevaarvollen tocht over het gebergte

achter den rug had, beklom—op een helderen namiddag—ouderling de Jong

alleen eene der voornaamste spitsen.

Op de hoogte gekomen, wendde hij zijn blik naar het zuiden, en daar

lag—in den glans der naar het westen neigende zon—het land Natal in al

zijne liefelijkheid voor hem.

Hij zag het glinsteren der beekjes, snel afvlietend van de heuvelen, de

als groene tapijten zich uitstrekkende dalen, de schaduwrijke bosschen!

Hoe gaarne had hij daar de pinne zijner tente diep ingeslagen—helaas

het mocht niet zijn!

Langzaam gleed zijn oog over het panorama heen, totdat het bleef hangen

aan een eenzamen wilgenboom.

Onder dien boom lag Mieke begraven, de dochter van zijn trouwsten

vriend. En ach! Daar verder heen strekten zich die kleine klipheuvelen

uit—onder die klippen lagen zoo vele lieve, hartelijk beweende vrienden

begraven! Daar lagen ze: de vaders naast hunne zonen; de kinderen in de

armen hunner moeders—vermoord door de scherpe assegaai....

Zijn blik werd al droeviger; op zijn edel gelaat legde zich de smart

als een sombere avondwolk.

Wat al leed, wat al ellende had het volk der Emigranten-Boeren niet

doorgemaakt! Door welke plassen van bloed en tranen waren die

ossenwagens heengegaan!

Sombere wolken van zwaarmoedigheid en moedeloosheid onderschepten den

anders zoo helderen blik van ouderling de Jong, en schokten zijn

Godsvertrouwen.

Doch toen hij langzaam de oogen ophief naar de schemerende heuvelen aan

den verren horizon, toen werd het weer lichter in zijn ziel, want

achter die heuvelen lag de Bloedrivier, en aan die Bloedrivier had God

aan Zijn volk verlossing geschonken.

Aan den rand van den afgrond had de Heere het gered als een teeken

Zijner onwankelbare trouw.

En wat klaagde de Jong? Had God het volk der vrije Emigranten-Boeren

òoit verlaten, al hadden zij ’t van wege hunne zonden verdiend? Was Hij

niet steeds—in al hun trekken—voor hen als een wolkkolom en vuurkolom

geweest? Was niet steeds in den hoogsten nood ook de onmiddellijke

redding gevolgd? En had de Heere in Zijn trouw verbond niet gezorgd,

dat zij aan het Engelsche juk konden ontkomen als een vogel aan den

strik van den vogelvanger?

Op een harden klipsteen, daar zette de Jong zich neder. En hier in de

eenzaamheid, tusschen de rotsen en de spelonken en de kloven, prees hij

de onwankelbare trouw zijns Gods!

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 37 / 40 题