Verschil 0.14 »

dus 14/100 van een vadem, nog geen tien centimeters, en toch lagen

de beide bases op meer dan 600 kilometers van elkander verwijderd!

Toen men in Frankrijk den meridiaan tusschen Duinkerken en Perpignan

gemeten had, was het verschil tusschen de basis bij Melun, en die bij

Perpignan gemeten ongeveer elf centimeters. De nauwkeurigheid door

de Engelsch-Russische commissie bereikt is dus veel merkwaardiger,

en maakt dat deze arbeid onder moeilijke omstandigheden, in het

midden der Afrikaansche woestijnen, en tusschen allerlei gevaren en

beproevingen verricht, als de meest volmaakte van alle geodesische

metingen, die ooit ondernomen zijn, moet beschouwd worden.

Een driemaal aangeheven hoera begroette deze prachtige uitkomst,

die in de jaarboeken der wetenschap zonder voorbeeld was.

En welke was nu de lengte van een graad op dit gedeelte van den

aardbol? Naar de berekening van Nikolaas Palander juist 57037

vademen. Op één vadem na was het dus dezelfde lengte als Lescaille

in 1752 aan de Kaap de Goede Hoop gevonden had. Een eeuw na elkander

hadden dus de Fransche sterrekundige en de leden der Engelsch-Russische

commissie bij hunne berekening zoo weinig verschil.

Wat nu de lengte van den meter betreft, daarvoor moest men den uitslag

der opmetingen afwachten, die later in het noordelijk halfrond zouden

ondernomen worden. Die lengte moest het tien millioenste gedeelte zijn

van het vierde van één meridiaan. Naar vroegere berekeningen was zulk

een vierde meridiaan, als men de afplatting der aarde als 1/49915

in rekening bracht, 10,000,856 meters lang, zoodat de juiste lengte

van een meter 0.513074 vadem, of drie voet, elf streep en 296/1000

van een streep moet zijn. Was dit cijfer juist? Dit moest door den

lateren arbeid van de Engelsch-Russische Commissie bewezen worden.

De geodesische arbeid was dus geheel afgeloopen. De astronomen

hadden hunne taak volbracht. Men behoefde nu nog slechts de monding

der Zambese te bereiken, en in omgekeerde richting den weg volgen,

dien dokter Livingstone bij zijne tweede reis van 1858 tot 1864 zou

afleggen. Den 25sten Mei kwamen zij, na eene vrij moeilijke reis

door eene landstreek, die met beken en riviertjes doorsneden was,

bij den Victoriawaterval.

Deze wonderschoone waterval rechtvaardigt den naam die daaraan door de

inlanders gegeven is, en die beteekent »geruchtmakende rook." Boven

de watermassa, die een kilometer breed, van eene hoogte nederstort

welke het dubbele bedraagt van die der Niagara verheft zich een

drievoudige regenboog. Tusschen de diepe kloven in de basaltrotsen

brengt de vreeselijke stroom een gerommel voort als van het ratelen

van een twintigtal donderslagen tegelijk.

Beneden den waterval en op de oppervlakte van den kalmer geworden

stroom wachtte de stoomboot, die sedert veertien dagen langs een

zijtak van de Zambese daar aangekomen was, de reizigers op. Allen

waren tegenwoordig en namen plaats aan boord. Slechts twee mannen

bleven op den oever achter, de Boschjesman en de gids. Mokum was meer

dan een trouwe gids, het was een vriend, dien de Engelschen en vooral

John Murray in Afrika achterlieten. De laatste had den Boschjesman

voorgesteld om hem met zich naar Europa te nemen, en hem zoo lang bij

zich te houden als het Mokum behaagde; doch Mokum had eene latere

verbintenis op zich genomen en wilde die niet verbreken. Hij moest

toch David Livingstone vergezellen op den tweeden tocht, dien deze

koene reiziger weldra op de Zambese zou ondernemen, en Mokum wilde

zijn woord gestand doen.

De jager bleef dus achter, doch werd schitterend beloond, en, waar

hij nog het meeste prijs op stelde, de Europeanen, die hem zooveel

verplicht waren, omhelsden hem hartelijk bij het afscheid. De boot

stak van den oever, stoomde naar het midden van den stroom, en zoolang

John Murray de gestalte van zijn vriend den jager kon onderscheiden,

zond hij hem zijne afscheidsgroeten over.

Zonder inspanning of bijzondere voorvallen werd deze reis afgelegd; het

ging stroomafwaarts bijzonder snel, en men kwam voorbij talrijke dorpen

langs den oever. De inboorlingen beschouwden met eene bijgeloovige

bewondering dit rookende schip, dat door eene onzichtbare macht door

het water werd voortgestuwd, en verhinderden daarom de reis in geen

enkel opzicht.

Na eene afwezigheid van achttien maanden kwamen de kolonel en de

zijnen weder aan te Quilmiane, een van de voornaamste steden aan den

mond der Zambese.

Het eerste wat de Europeanen deden was aan den Engelschen consul

te vragen hoe het met den oorlog in Europa was. Deze was nog niet

geëindigd, en Sebastopol hield het tegen de Engelsch-Fransche legers

nog altijd vol.

Deze tijding was eene teleurstelling voor de Europeanen, die in

een zelfde wetenschappelijk belang zoo vereenigd waren geweest;

zij waagden evenwel geene enkele opmerking, en maakten zich gereed

om te vertrekken.

Een Oostenrijksch koopvaardijschip, de Novara was op het punt van naar

Suez te vertrekken. De leden der commissie besloten met dat schip de

reis te ondernemen.

Den 18den Juni, op het oogenblik van inscheping, vereenigde de kolonel

zijne ambtgenooten en sprak op kalmen toon deze woorden:

»Mijne heeren, gedurende de achttien maanden, die wij met elkander

doorbrachten, hebben wij allerlei beproevingen doorgestaan,

doch wij hebben een werk verricht dat de goedkeuring van het

geheele geleerde Europa zal verwerven. Ik voeg er nog bij, dat dit

gemeenschappelijke leven tusschen ons eene onwrikbare vriendschap

moge hebben aangekweekt."

Mathieu Strux boog even zonder te antwoorden.

»Evenwel," zoo vervolgde de kolonel, »woedt de oorlog tusschen

Engeland en Rusland nog altijd voort; men is slaags voor Sebastopol,

en tot op het oogenblik dat de stad in onze handen vallen zal...."

»Dat zal niet gebeuren!" zeide Mathieu Strux, »of Frankrijk moest...."

»De toekomst zal het ons leeren, mijnheer," hervatte de kolonel

koel. »In allen gevalle, en tot het einde van dien oorlog, geloof ik

dat wij elkander op nieuw als vijanden moeten beschouwen..."

»Ik zou u dit juist hebben voorgesteld," antwoordde de astronoom van

Pulkowa dood eenvoudig.

De toestand was dus juist afgeperkt, en onder deze omstandigheden

scheepten de astronomen zich op de Novara in.

Eenige dagen later kwamen zij te Suez aan; op het oogenblik van

scheiden greep William Emery Michel Zorn bij de hand en zeide:

»Altijd vrienden, Michel?"

»Ja, waarde William, altijd en onder alle omstandigheden!"

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 27 / 41 题