Een Hottentotsch dorp.
De reis op het bovendeel der rivier werd spoedig afgelegd. Evenwel
werd het jaargetijde regenachtig; maar de reizigers, die 't in de
kajuit der boot vrij gemakkelijk hadden ingericht, hadden niets te
lijden van de stortregens, die in dezen tijd van het jaar hier gewoon
waren. De Queen and Tzar vorderde snel. Men ontmoette geen snelle
stroomingen of ondiepten, en de stroom was over het algemeen niet
sterk genoeg om den gang der boot te vertragen.
De oevers der Oranjerivier boden altijd hetzelfde verrukkelijke
schouwspel aan. Bosschen van verschillende boomsoorten volgden
elkander op, en een wereld van vogels fladderde daarin rond. Hier
en daar stonden groepen boomen van het geslacht der zilverboomen,
en vooral de »wagenboom" met roodachtig gemarmerd hout, die er
wonderlijk uitzag met zijne donkerblauwachtige bladeren en groote
gele bloemen; verder de »zwartebast" met zwarte schors, de »karree"
met zijne donkerkleurige altijd groene bladeren. Het kreupelhout
strekte zich eenige kilometers ver van de oevers der rivier uit, en
overal was deze met treurwilgen langs de kanten bezet. Hier en daar
deden zich plotseling uitgestrekte naakte velden aan het oog voor. Het
waren groote vlakten met een onnoemelijk aantal kolokwintstruiken
begroeid; daar tusschen stond de honigvoortbrengende plant proteus,
waaruit geheele zwermen kleine vogels met zacht gekweel opvlogen,
die door de kolonisten suikervogels genoemd worden.
De vogelwereld bood groote verscheidenheid aan. De Boschjesman deed ze
opmerken aan John Murray, die een groot liefhebber was van allerlei
wild. Ook ontstond er een soort van vertrouwelijkheid tusschen den
Engelschen jager en Mokum, die volgens de belofte van kolonel Everest
van zijn reismakker eene uitmuntende, verdragende buks ten geschenke
ontvangen had. Het is onnoodig om de tevredenheid van den Boschjesman
te schetsen, nu hij zich in het bezit zag van zulk een prachtig
wapen. De twee jagers begrepen elkander goed. Al was hij een uitstekend
geleerde, toch ging John Murray voor een van de beste jagers van het
oude Caledonië door. Hij hoorde met belangstelling, met een soort
van afgunst de verhalen van den Boschjesman aan. Zijne oogen schoten
vlammen als de jager hem onder de boomen eenige wilde dieren aanwees,
hier giraffen in troepen van vijftien tot twintig, daar buffels van
zes voet hoog en den kop met een paar zwarte horens voorzien, wat
verder wilde gnoes met een paardestaart, elders troepen caäma's, eene
soort van groote damherten met schitterende oogen en een paar horens,
die een dreigenden hoek met elkander maakten, en overal, zoowel in het
dichtste woud, als op de kale vlakten die oneindige verscheidenheid
van antilopen, die in zuidelijk Afrika zoo talrijk gevonden worden,
de bastaardgems, de gemsbok, de gazelle, de springbok, enz. Was daar
dus niet overvloedig gelegenheid om een jager te doen watertanden,
en konden de vossenjachten in de Schotsche vlakten wel vergeleken
worden met de jachten van een Cumming, een Anderson en een Baldwin?
Men moet zeggen dat de reismakkers van Murray vrij wat minder zich
getroffen gevoelden door het gezicht van die prachtige stukken
wild. Emery beschouwde zijne ambtgenooten met groote opmerkzaamheid,
en trachtte hun karakter onder hun onverschillig uiterlijk te
raden. Kolonel Everest en Strux, die ongeveer even oud waren,
waren even terughoudend, voorzichtig en vormelijk. Zij spraken
met eene afgemeten langzaamheid en elken morgen zou men gezegd
hebben, dat zij elkander vóór den vorigen avond nog nimmer ontmoet
hadden. Men behoefde de hoop niet te koesteren, dat er tusschen
deze twee voorname personen ooit eenige vertrouwelijkheid ontstaan
zou. Twee tegen elkander geschoven ijsschotsen eindigen met zich te
vereenigen doch niet alzoo twee geleerden, wanneer zij beiden eene
hooge wetenschappelijke betrekking bekleeden.
Nikolaas Palander was vijfenvijftig jaren en één van die mannen,
die nooit jong zijn geweest, en nooit oud worden. De sterrekundige
van Helsingfors was altijd verdiept in zijne berekeningen; hij kon
een uitstekend werktuig zijn, maar het was dan ook niet anders dan een
werktuig, eene soort van rekentafel of algemeen rekenwerktuig. Rekenaar
van de Engelsch-Russische commissie, was deze geleerde een van die
wondermenschen, die uit het hoofd met vijf cijfers vermenigvuldigen,
eene soort van vijftigjarigen Mondeux.
Michel Zorn had door zijn leeftijd, zijn opgewonden karakter en zijn
goed humeur meer overeenkomst met William Emery. Zijne beminnelijke
hoedanigheden beletten hem niet een sterrekundige van groote
verdiensten te zijn, die zich reeds op jeugdigen leeftijd beroemd
had gemaakt. De door hem en onder zijn toezicht op het observatorium
van Kiew gedane ontdekkingen omtrent de nevelvlek van Andromeda
hadden in het geleerde Europa heel wat beweging veroorzaakt. Aan
zijne onwedersprekelijke verdiensten paarde hij groote nederigheid,
en hield zich bij iedere gelegenheid op den achtergrond.
William Emery en Michel Zorn moesten vrienden worden; zij
waren verbonden door denzelfden smaak en dezelfde neigingen. Zij
spraken veel met elkander. Gedurende dien tijd namen de kolonel en
Mathieu Strux elkander zeer bedaard op. Palander trok uit het hoofd
vierkants-wortels, zonder dat hij acht gaf op de verrukkelijke plekken
langs de oevers, en John Murray en de Boschjesman vormden plannen om
eene vreeselijke slachting onder het wild aan te richten.
De reis op den bovenstroom der Oranjerivier kenmerkte zich door
geen enkel voorval. Soms schenen de steile rotsoevers, die den
bochtigen stroom insloten, elken uitgang af te sluiten. Dan weder
maakten met boomen begroeide eilandjes, die als 't ware midden in
den stroom geworpen waren, het onzeker, welken weg men volgen moest;
doch de Boschjesman aarzelde nimmer, en de Queen and Tzar koos den
besten weg, of stoomde zonder dralen uit den cirkel van rotsen, die
haar omringden. De stuurman behoefde geen enkel oogenblik berouw te
gevoelen dat hij de aanwijzingen van Mokum gevolgd had.
In vier dagen legde het stoomschip de twee honderd veertig kilometers
af, die de watervallen van Morgheda nog scheidden van de Kuruman,
een van de zijtakken, die langs de stad Lattakou stroomt; dit was
juist de plaats waar de commissie zich moest heen begeven. De stroom
vormde dertig kilometers boven den waterval een elleboog, en eene
andere richting aannemende, als die van het oosten naar het westen,
begrensde hij, in zuidwestelijke richting stroomende, de scherpe punt,
die het grondgebied der Kaapkolonie ten noorden vormt. Van dit punt
richtte de rivier zich noordoostwaarts en verloor zich drie honderd
kilometers verder in de boschrijke streken der Transvaal-republiek.
Het was den 5en Februari, des morgens nog zeer vroeg en onder een
slagregen, dat de Queen and Tzar Klaarwater, een Hottentotsch dorp
bereikte, dicht bij de plek waar de Kuruman in de Oranjerivier
valt. Kolonel Everest wilde geen oogenblik verliezen, en liet dus
spoedig de weinige hutten van Boschjesmannen, die het dorp vormden,
achter zich, terwijl de boot door de werking der schroef tegen
den stroom van den nieuwen zijtak opstoomde. Deze zijtak stroomde,
zooals de reizigers opmerkten, zeer snel door eene bijzonderheid,
welke hem eigen was. De Kuruman toch, die aan haren oorsprong zeer
breed is, wordt smaller naarmate de stroom vordert omdat het water
door de zonnehitte verdampt. Maar in dit jaargetijde was zij zeer
gezwollen, diep en snelstroomend door aanhoudende regens en door het
water van een zijtak, de Moschona. De vuren werden dus aangestookt,
en de boot stoomde met eene drie kilometersvaart de Kuruman op.
Gedurende dezen tocht maakte de Boschjesman den heer Murray opmerkzaam
op een vrij groot aantal nijlpaarden. Die groote dikhuidige dieren,
die door de Hollanders aan de Kaap »zeekoeien" genoemd worden, zijn
dik en log, acht tot tien voet lang en weinig geneigd om iemand aan te
vallen. Zij werden verschrikt door het snuiven der boot en het slaan
van de schroef; zij dachten zeker een nieuw soort van monster te zien,
dat zij moesten wantrouwen, en inderdaad maakten de wapens aan boord
de nadering zeer moeielijk. John Murray had zijne ontplofbare kogels
gaarne op die vleeschklompen beproefd, doch de Boschjesman verzekerde
hem dat er in de noordelijke stroomen geen gebrek aan nijlpaarden zijn
zou, en John Murray besloot dus om gunstiger gelegenheid af te wachten.
De honderd vijftig kilometers, die den mond der Kuruman van Lattakou
scheidden, werden in vijftig uren afgelegd. Den 7den Februari bereikte
men om drie uren des namiddags deze plaats. Toen de boot aan den
oever was vastgemaakt, kwam een man van vijftig jaar met een deftig,
doch goedig uiterlijk aan boord en stak William Emery de hand toe. De
astronoom stelde den nieuw aangekomene aan zijne reismakkers voor
en zeide: »De eerwaarde Thomas Dale van het zendelinggenootschap te
Londen, en directeur van het station van Lattakou."
De Europeanen groetten den eerwaarden Thomas Dale, die hen welkom
heette, en deze stelde zich geheel ter hunner beschikking.
De stad Lattakou of liever het gehucht van dien naam, vormt in
het noorden het meest van de Kaapstad verwijderde station van
zendelingen. Zij wordt in oud en nieuw Lattakou verdeeld. Het oude
Lattakou, dat nu bijna geheel verlaten is, en waar de Queen and Tzar
aankwam, telde in het begin van deze eeuw nog twaalfduizend inwoners,
die sedert dien tijd naar het noordoosten getrokken zijn. Toen de
stad zeer in verval raakte, werd zij door Lattakou vervangen, dat in
eene vlakte, die vroeger met acacia's bedekt was, niet ver daarvandaan
gebouwd werd. Dit nieuwe Lattakou, waarheen de Europeanen zich onder
geleide van den zendeling begaven, bevatte een veertigtal groepen
huizen, en telde ongeveer vijf of zes duizend inwoners, die tot den
grooten stam der Betchuanen behoorden.
In dit dorp hield dokter David Livingstone in 1840 gedurende drie
maanden zijn verblijf, voordat hij de reis naar de Zambese ondernam,
eene reis, die den beroemden reiziger noodzaakte geheel midden-Afrika
door te trekken van de baai van Loanda in Congo, tot aan de haven
van Kilimane op de kust van Mozambique.
Te nieuw-Lattakou aangekomen, overhandigde kolonel Everest aan den
directeur van de missie een brief van dokter Livingstone, die de
Engelsch-Russische commissie aan zijne vrienden in zuidelijk Afrika
aanbeval. Thomas Dale las dien brief met bijzonder genoegen, daarop
gaf hij dien aan kolonel Everest terug, zeggende dat hij hem op zijne
reis mogelijk van nut kon zijn, daar de naam van David Livingstone
in dit gedeelte van Afrika bekend en geëerd was.
De leden der commissie werden in het huis der zendelingen
ingekwartierd; 't was een groot gebouw, dat op eene hoogte opgericht,
en door eene ondoordringbare haag als door een vestingmuur omgeven
was. De Europeanen waren in dit gebouw gemakkelijker gehuisvest
dan zij het bij de Betchuanen zouden geweest zijn. Niet, omdat de
woningen van dit volk niet zindelijk zijn; integendeel, want de
vloer is gemaakt van zeer vaste klei, waarop geen stofje te zien is;
het dak is met lang stroo bedekt en ondoordringbaar voor den regen;
maar toch zijn deze huizen slechts hutten, waartoe een rond gat,
dat nauwelijks groot genoeg is om een mensch door te laten, toegang
verschaft. In die hutten leven allen gemeenschappelijk onder elkander
en men kan niet zeggen dat die samenleving met de Betchuanen tot de
aangenaamste behoort. Het hoofd van den stam, die te Lattakou woonde,
zekere Moulibahan, meende dat hij zijne opwachting bij de Europeanen
maken moest. Moulibahan was een vrij knap man zonder de dikke lippen of
den platten neus van het negerras; hij had een rond gelaat, dat niet,
zooals bij de Hottentotten, van onderen smal toeliep. Hij droeg een
mantel van huiden, welke zeer kunstig aan elkander waren genaaid,
en een voorschoot, dat de inlanders »Pukoje" noemen; verder een
lederen muts en sandalen van buffelleder. Aan zijne armen had hij
ivoren ringen; in zijne ooren bengelden vier centimeters lange koperen
staafjes als oorbellen, die tevens tot amuletten moesten dienen. Boven
van zijn muts hing een antilopenstaart. Zijn jachtstok was bovenaan
met een bos zwarte struisvederen versierd. Men kon de natuurlijke
kleur der huid van dezen Betchuanen-hoofdman niet zien onder de dikke
laag oker, waarmede hij van het hoofd tot de voeten bedekt was. Eenige
onuitwischbare inkervingen in de dij duidden het aantal vijanden aan,
die Moulibahan gedood had.
Dit stamhoofd, dat minst genomen even deftig was als Mathieu Strux
zelf, naderde de Europeanen en nam hen één voor één bij den neus. De
Russen lieten dit ernstig toe; de Engelschen stribbelden een weinig
tegen, en toch was het volgens Afrikaansche zeden eene plechtige
verbintenis om de plichten der gastvrijheid jegens de Europeanen in
acht te nemen. Toen de plechtigheid was afgeloopen ging Moulibahan
zonder een woord te spreken heen.
»En nu wij genaturaliseerd zijn als Betchuanen," zeide kolonel Everest,
»kunnen wij ons zonder een dag of een uur te verliezen met ons werk
bezighouden."
Geen enkel uur ging verloren, en toch was de commissie niet vóór de
eerste dagen van Maart tot het vertrek gereed, zooveel zorg en omslag
vereischt het gereedmaken van zulk eene onderneming. Het was bovendien
de door kolonel Everest aangewezen dag. Op dat tijdstip namelijk
eindigde het regenseizoen, en het water dat in de uithollingen van
den grond hier en daar was blijven staan, zou eene kostbare hulpbron
worden voor de woestijnreizigers.
Het vertrek werd op 2 Maart vastgesteld. Dien dag was de geheele
karavaan onder bevel van Mokum tot het vertrek gereed. De Europeanen
namen afscheid van de zendelingen van Lattakou, en verlieten ten
zeven ure 's morgens het plaatsje.
»Waar gaan we heen, kolonel?" vroeg William Emery op het oogenblik
dat de karavaan de laatste hut van het stadje achter zich liet.
»Recht voor ons uit, mijnheer Emery," antwoordde de kolonel, »tot
op het oogenblik dat we een geschikte plaats hebben gevonden om een
basis te meten!"
Om acht uren had de karavaan de lage en met kleine heesters bedekte
heuvels achter zich, welke Lattakou omringen, en de woestijn lag met
al hare gevaren, vermoeienissen en onvoorziene gebeurtenissen voor hen.