Iets over den meter.
Men mag veilig aannemen, dat het denkbeeld aan eene algemeen
gebruikelijke en onveranderlijke maat, waartoe de natuur zelve
den juisten grondslag moest geven, reeds van de oudste tijden af
den menschelijken geest heeft bezig gehouden. Het kwam er inderdaad
hierbij op aan, dat deze maat altijd nauwkeurig moest teruggevonden
kunnen worden, van welke veranderingen of geweldige schokken de
aarde ook het tooneel geweest was. De ouden dachten zeker wel zóó,
maar zij hadden geene vaste stelregels of werktuigen om met vrij
voldoende zekerheid zulk een arbeid uit te voeren.
Het beste middel toch om eene onveranderlijke maat te krijgen, was,
om die in overeenstemming te brengen met den aardbol, welks omtrek als
onveranderlijk kan beschouwd worden, en bij gevolg om dezen geheelen
omtrek of een gedeelte er van met wiskundige zekerheid te meten.
De ouden hadden reeds beproefd om deze maat te bepalen. Volgens
sommige geleerden van zijn tijd, beschouwde Aristoteles de
stadie of Egyptische elleboog uit den tijd van Sesostris, als het
honderdduizendste gedeelte van den afstand tusschen de pool en den
evenaar. Eratosthenes berekende in den tijd der Ptolemaeën vrij
nauwkeurig de lengte van den graad langs den Nijl tusschen Syene en
Alexandrië. Maar Posidonius en Ptolemaeus konden met geene genoegzame
nauwkeurigheid de landmeetkundige berekeningen van diezelfde soort,
welke zij ondernamen, ten einde brengen. Met hunne opvolgers ging
het niet beter.
Het was Picard, die in Frankrijk het allereerst een regelmatig stelsel
trachtte in te voeren om den graad te meten, en toen hij in 1669 de
lengte van een boog aan den hemel en een op aarde tusschen Parijs
en Amiens bepaalde, gaf hij op dat hij eene lengte van 57060 vademen
voor een graad gevonden had.
De meting van Picard werd tot Duinkerken en zelfs tot Collioure
voortgezet door Dominico Cassini en Lahire in de jaren 1683 tot
1718. In 1739 werd zij door Francesco Cassini en Lacaille tusschen
Duinkerken en Perpignan nagerekend. Eindelijk werd de meting van
dat gedeelte van dien meridiaan door Michain tot Barcelona in Spanje
voortgezet. Toen Michain overleden was (hij stierf ten gevolge van
de afmatting door zulk een werk veroorzaakt) werd de meting van den
Franschen meridiaan eerst in 1807 door Arago en Biot hervat. Deze twee
geleerden zetten de meting voort tot op de Balearische eilanden. De
boog strekte zich toen uit van Duinkerken naar Formentera; deze werd
middendoor gesneden door de 45ste parallel N. B., die op gelijken
afstand van de pool en van den evenaar verwijderd was; en daarom was
het om de lengte van een kwart meridiaan te berekenen, niet noodig om
de afplatting der aarde in rekening te brengen. Deze berekening gaf
57025 vademen voor de gemiddelde lengte van »een graad" in Frankrijk.
Men ziet dat het tot nog toe meestal Fransche geleerden waren, die zich
met deze moeilijke berekeningen hadden bezig gehouden. [1] Het was
de Constituante, die in 1790 op voorstel van Talleyrand een besluit
uitvaardigde waardoor het aan de Academie van wetenschappen werd
opgedragen om een onveranderlijk model voor alle maten en gewichten
uit te denken. Korten tijd daarop brachten Borda, Lagrange, Laplace,
Monge en Condorcet een verslag uit waarbij zij als gewone eenheid
van maat voorstelden het tien millioenste deel van het vierde deel
van den meridiaan, en als eenheid van gewicht voor alle lichamen
het gewicht van zuiver gedistilleerd water, terwijl het tientallig
stelsel aangenomen werd om alle maten met elkander in overeenstemming
te brengen.
Later werden deze bepalingen van de lengte van een graad op
verschillende plaatsen der aarde gemaakt, want daar de aardbol geen
spheroïde maar een ellipsoïde was, moesten veelvuldige berekeningen
en opmetingen de hoegrootheid van de afplatting aan de polen leeren
kennen.
In 1736 maten Maupertuis, Clairaut, Camus, Lemonnier, Outhier en de
Zweed Celsius een noordelijken boog in Lapland en vonden 57419 vademen
voor de lengte van een graad. In 1745 vonden La Condamine, Bouguer
en Godin met medewerking van de Spaansche geleerden Juan en Antonio
Ulloa in Peru 56737 vademen voor de lengte van den graad. In 1752
berekende Lacaille de lengte van een graad aan de kaap de Goede Hoop
op 57037 vademen. In 1754 vonden de paters Maire en Boscowitch 56973
vademen voor de lengte van een boog tusschen Rome en Rimini. In 1762
en 1763 schatte Beccaria den Pimonteeschen graad op 57468 vademen. In
1768 vonden de sterrekundigen Mason en Dixon in Noord-Amerika op de
grenzen van Maryland en Pennsylvanië dat de Amerikaansche graad eene
lengte had van 56888 vademen.
In de 19de eeuw werden verschillende bogen gemeten in Bengalen,
in Oost-Indië, in Piémont, in Finland, in Kurland, in Hannover, in
Oost-Pruisen, in Denemarken, enz.; maar de Engelschen en Russen hielden
zich minder ijverig dan andere volken met deze moeielijke berekeningen
bezig en de voornaamste geodesische opmeting, die zij bewerkstelligden,
had in 1784 plaats onder leiding van den generaal-majoor Roy, die het
doel had om de Fransche en Engelsche maten met elkander overeen te
brengen. Uit al deze bovenvermelde opmetingen kon men reeds opmaken
dat de graad gemiddeld geschat kon worden op 57000 vademen, d. i. 25
kilometer, en als men dit vermenigvuldigde met 360, dan verkreeg men
voor den omtrek der aarde eene lengte van 9000 kilometer.
Doch de boven opgegeven cijfers doen zien dat de maten van
verschillende gradenbogen op onderscheidene plaatsen op aarde niet
met elkander overeen kwamen. Niettemin leidde men uit dit gemiddelde
van 57000 vademen, welke men als de lengte van een graad aannam,
de waarde van een meter af, en men nam daarvoor het tien millioenste
deel van een meridiaan, dat overeen kwam met drie voet elf millimeter
en 296/1000 van een millimeter.
In wezenlijkheid is dit cijfer niet volkomen juist. Nieuwe
berekeningen, waarbij men de afplatting aan de polen namelijk 1/299,
en niet 1/334, zooals men vroeger meende, in aanmerking nam, geven
niet meer 10 millioen meters voor de maat van een vierde gedeelte eens
meridiaans, maar wel 10.000.856 meters. Dit verschil van 856 meters
is op zulk eene lengte weinig merkbaar; evenwel moet men wiskundig
sprekende erkennen, dat de meter, zooals hij aangenomen is, niet juist
het tien millioenste deel van een vierde deel eens meridiaans is. Er
is eene fout van minstens 2/10000 van een millimeter.
De aldus bepaalde meter werd evenwel niet door alle beschaafde volken
aangenomen. België, Spanje, Piémont, Griekenland, Nederland, de oude
Spaansche koloniën, de republieken Ecuador, Nieuw-Grenada, Costarica,
enz. namen die maat bijna onmiddellijk aan; maar niettegenstaande de
voorkeur, die het metrieke stelsel boven alle andere stelsels verdient,
heeft Engeland tot nu toe altijd geweigerd het aan te nemen.
Misschien zou dit stelsel, zonder de staatkundige verwikkelingen
van het laatst der 18de eeuw, door de bevolking van het vereenigde
koninkrijk zijn aangenomen. Toen de Constituante den 8sten Mei 1790
daartoe het besluit nam, werden de Engelsche geleerden van de Royal
Society uitgenoodigd om zich bij de Franschen aan te sluiten. Om de
juiste maat van den meter te hebben, moest men bepalen of deze tot
grondslag zou hebben de lengte van een eenvoudigen secondeslinger,
of dat men als eenheid van lengtemaat een deel van een der groote
cirkels zou aannemen. Doch de tijdsomstandigheden verhinderden de
voorgenomen vereeniging.
Het was eerst in het jaar 1854 dat Engeland, het voordeel van het
metrieke stelsel sedert lang inziende, en bovendien bemerkende dat
geleerden en handelaars genootschappen vormden om het ingang te doen
vinden, besloot om het aan te nemen.
Maar de Engelsche regeering wilde dit besluit geheim houden tot op het
oogenblik dat de nieuwe opmetingen, die men ondernomen had, de lengte
van den graad beter zouden doen bepalen. Evenwel meende de Britsche
regeering in dat opzicht zich te moeten verstaan met de Russische,
die er ook wel toe overhelde om het metrieke stelsel aan te nemen.
Eene commissie van drie Engelsche en drie Russische sterrekundigen
werd dus gekozen uit de uitstekendste leden van wetenschappelijke
genootschappen. Men heeft gezien dat het voor Engeland waren: kolonel
Everest, en de heeren John Murray en William Emery, en voor Rusland
de heeren Mathieu Strux, Nikolaas Palander en Michel Zorn.
Deze internationale commissie vergaderde te Londen en besliste dat
men eerst een deel van den meridiaan in het zuidelijk halfrond zou
meten. Als dit geschied was, zou men hetzelfde in het noordelijk
halfrond doen, en uit deze twee opmetingen hoopte men de juiste maat
te vinden, die aan alle voorwaarden zou voldoen.
Nu had men nog te kiezen tusschen de verschillende Engelsche
bezittingen in het zuidelijk halfrond, nm. de Kaapkolonie, Australië
en Nieuw-Zeeland. Nieuw-Zeeland en Australië, die juist aan de
andere zijde der aarde als Europa lagen, brachten de commissie in
de noodzakelijkheid om eene lange reis te doen. Bovendien konden
de Maori's en de Nieuw-Hollanders, die altijd in oorlog zijn met de
indringers, de voorgenomen opmeting zeer bemoeilijken. De Kaapkolonie
daarentegen bood wezenlijke voordeelen aan: 1o was zij onder denzelfden
meridiaan gelegen als zekere deelen van Europeesch Rusland, en na
een boog van den meridiaan in zuidelijk Afrika gemeten te hebben kon
men er een op denzelfden meridiaan meten in het gebied van den tsaar,
en tevens de opmeting geheim houden; 2o was de reis naar de Engelsche
bezittingen in het zuiden van Afrika betrekkelijk kort, en eindelijk
3o zouden de Engelsche en Russische geleerden daar eene uitstekende
gelegenheid vinden om den arbeid van den Franschen sterrekundige
Lacaille na te gaan, door op dezelfde plaats als hij te werken,
en te onderzoeken of hij gelijk had gehad met het cijfer van 57037
vademen op te geven voor de maat van een graad op den meridiaan aan
de Kaap de Goede Hoop.
Er werd derhalve beslist dat de geodesische arbeid aan de Kaap
ondernomen zou worden. De beide regeeringen keurden de beslissing
der Engelsch-Russische commissie goed. Een belangrijk krediet werd
geopend. Alle instrumenten, die voor de opmeting noodig waren, werden
in dubbelen getale vervaardigd. William Emery werd uitgenoodigd om
toebereidselen te maken voor een tocht in de binnenlanden van zuidelijk
Afrika. Het fregat Augusta van de koninklijke marine, ontving bevel om
de leden der commissie en hun gevolg naar de monding der Oranjerivier
over te brengen.
Men mag er wel bijvoegen dat er behalve een wetenschappelijk doel,
ook nationale eigenliefde mede gemoeid was, waardoor deze voor een
gemeenschappelijken arbeid vereenigde geleerden werden aangevuurd. Het
was er inderdaad om te doen om Frankrijk in zijne berekeningen te
overtreffen, om den arbeid der beroemdste Fransche sterrekundigen in
juistheid te verbeteren, en dat nog wel te midden van eene woeste en
bijna onbekende landstreek. Ook waren de leden der Engelsch-Russische
commissie besloten om alles, zelfs hun leven op te offeren, ten einde
een doel te bereiken dat heilzaam voor de wetenschap en te gelijkertijd
roemvol voor hun land zijn zou.
En ziedaar waarom in de laatste dagen van Januari 1854 William Emery
zich bij den waterval van Morgheda aan den oever der Oranjerivier
bevond.