En de rozenstruik riep zoo luid hij slechts kon: "Dief! Dief! Dief!"

Zelfs de roode geraniums, die gewoonlijk niet veel ophef van zichzelf

maakten, en van wie het bekend stond dat zij vele arme familieleden

hadden, trilden van afschuw toen hij haar onder de oogen kwam en

toen de viooltjes bescheiden opmerkten, dat hij wel zeer leelijk was,

maar hier toch niets aan te veranderen viel, antwoordden zij met veel

wijsheid, dat dat juist zijn hoofdgebrek uitmaakte, en dat er geen

reden bestond om een mensch te bewonderen, alleen omdat hij voor altijd

misvormd was; en inderdaad moesten zelfs eenige viooltjes toegeven,

dat de leelijkheid van den kleinen dwerg bijna ondragelijk was en dat

hij meer smaak aan den dag zou leggen, wanneer hij er treurig uitzag,

of zich tenminste stil en teruggetrokken toonde, inplaats van zoo

dartel rond te springen en zoo dolle en dwaze houdingen aan te nemen.

En de oude zonnewijzer, die eene zeer opmerkelijke persoonlijkheid was,

en die eenmaal aan geen geringeren dan aan Keizer Karel V de uren had

aangekondigd,--de zonnewijzer was zóó ontzet over de heele verschijning

van den kleinen dwerg, dat zijne lange schaduw-vingeren bijna twee

volle minuten vergaten aan te wijzen; en ten slotte kon hij zich niet

weerhouden den grooten melkwitten pauw, die zich op de balustrade in de

zon koesterde, toe te roepen, dat ieder toch wel wist, dat de kinderen

van koningen, koningen waren, en de kinderen van kolenbranders,

kolenbranderskinderen, en dat het bespottelijk zou zijn te willen

beweren dat dit niet zoo was; met deze mededeeling was de pauw het

bizonder eens, en hij krijschte zijn: "Natuurlijk! natuurlijk!" met

zulk een luide, doordringende stem, dat de goudvisschen, die onder

in het bassin van de koele murmelende bron woonden, hunne koppen uit

het water staken, en aan de groote steenen tritonen vroegen, wat er

toch in 's hemelsnaam aan de hand was.

Maar de vogels hadden hem lief. Zij hadden hem menigmaal in het bosch

gezien, wanneer hij als een faun over de dwarrelende bladen danste,

of wanneer hij in den een of anderen ouden hollen eikeboom schuilde,

en zijne nooten met de eekhoorntjes deelde. Zij bekommerden zich in

't minst niet om zijne leelijkheid. Want, zelfs de nachtegaal, die

des avonds zóó liefelijk in de oranjeboomen zong dat de maan zich

soms naar omlaag boog om naar hem te luisteren, de nachtegaal zag er

toch ook niet uit alsof hij iets bizonders ware en buitendien--hij was

altijd goed voor hen geweest, en gedurende dien schrikkelijk strengen

winter, toen er heel geen bessen meer aan de struiken hingen, en de

grond hard was als ijzer en de wolven aan de poorten der stad kwamen

om voedsel te zoeken, toen had hij hen nooit vergeten, integendeel,

hen steeds de laatste kruimpjes van zijn armzalige zwarte broodkorst

gegeven, en getrouw zijn maal met hen gedeeld, al was dat ook nog

zoo karig geweest.

Daarom vlogen zij steeds om hem heen en raakten in hunne vlucht

lichtelijk zijne wangen aan terwijl zij onderling vroolijk tjilpten,

en de kleine dwerg was zóó verheugd, dat hij niet laten kon hen de

prachtige witte roos te laten zien en hen te vertellen, dat de Infante

hem die zelf gegeven had omdat zij hem liefhad.

Zij verstonden geen woord van 't geen hij zeide, maar dat was ook niet

noodig, want zij bogen de kopjes zijwaarts en keken zeer verstandig

uit hunne oogjes, en dat is even goed als iets begrijpen, en veel

gemakkelijker.

De hagedissen vatten ook een groote voorliefde voor hem op, en toen

hij te moe was om nog meer rond te springen en zich in het gras

neerwierp om uit te rusten, speelden en buitelden zij om hem heen,

en trachtten, zoo goed als zij konden, hem te vermaken.

--"Niet iedereen kan zoo mooi zijn als de hagedis" riepen zij,

"dat zou te veel verlangd zijn. En, al klinkt 't ook ongerijmd, wel

beschouwd, is hij volstrekt niet zoo leelijk; maar natuurlijk moet

men de oogen sluiten en hem niet aankijken."

De hagedissen waren zeer wijsgeerig van natuur, en zaten dikwijls,

wanneer zij niets anders te doen hadden, of wanneer het te

regenachtig weer was om uit te gaan, uren en uren lang bij elkaar,

in overpeinzingen verdiept.

Maar de bloemen betoonden zich ontzet over hun gedrag en over het

gedrag der vogels.

--"Dat bewijst alweer," zeiden zij, "hoe demoraliseerend dat eeuwige

heen-en-weer-vliegen en draven is. Welopgevoede wezens zooals

wij blijven steeds op dezelfde plaats. Nooit heeft men ons over de

wegen zien heen en weer huppelen, noch in het gras als dol achter de

watervlinders zien stuiven. Wanneer wij een luchtverandering noodig

hebben, laten wij den tuinman roepen, en hij brengt ons in een ander

bed. Zoo behoort het en zoo moest het overal zijn. Maar vogels en

hagedissen hebben geen zin voor rust. De vogels hebben niet eens een

vast adres. Zij zijn echte vagebonden, zooals de Zigeuners, en men

moest ze op dezelfde manier behandelen."

En zij staken hunne neuzen in den wind, keken zeer hoogmoedig voor zich

uit, en waren hoogst verblijd, toen zij na eenigen tijd bemerkten,

dat de kleine dwerg zich uit het gras oprichtte en naar het paleis

toestapte.

--"Men moest hem werkelijk voor den verderen duur van zijn leven achter

slot en grendel zetten," bromden zij. "Zie toch eens dien bultigen

rug en die malle kromme beenen," en zij begonnen allen te giegelen.

Maar de kleine dwerg bemerkte niets van dat al. Hij hield veel van

de vogels en van de hagedissen en hij vond bloemen de heerlijkste

dingen van de gansche wereld, uitgezonderd natuurlijk de Infante;

want deze had hem immers de witte roos geschonken, en zij had hem

lief, dat maakte een groot onderscheid. Hoe innig betreurde hij het,

dat hij niet met haar was medegegaan. Zij zou hem aan hare rechterhand

geplaatst hebben en hij zou geen oogenblik van haar zijde geweken zijn,

maar haar tot zijn speelgenoot gemaakt en haar alle mogelijke prachtige

kunsten geleerd hebben. Want, al was hij nog nooit te voren in een

paleis geweest, vele bizondere dingen kende hij toch ook. Zoo kon

hij uit riet kleine kooitjes vlechten waarin de sprinkhanen zingen,

en uit lange bamboes kon hij een fluit snijden, zooals Pan die

graag hoort. Hij kende den roep van elken vogel, en kon den spreeuw

uit de takken der boomen, en den reiger van de oevers van het meer

lokken. Hij wist precies het spoor van elk dier te onderscheiden, en

vermocht dat van den haas aan de lichte indrukken van zijn pooten,

en dat van het everzwijn aan de platgetreden bladen te herkennen

en te vervolgen. Alle werveldansen van den wind kende hij: den

overmoedigen dans in het roode herfstkleed, den vlinderlichten dans

met blauwe sandalen over het korenveld, den dans met sneeuwbekranste

lokken in den winter, en den bloesemdans door de boomgaarden in de

lente. Hij wist waar de woudduiven hunne nesten bouwden, en eens,

toen een vogeljager een vogelpaar gevangen had, had hij de jongen

zelf opgekweekt, en voor hen een duiventil gemaakt in den hollen

stam van een gespleten olmboom. Zij waren geheel tam en aten elken

morgen uit zijn hand. Die zou de kleine Prinses zeker aardig vinden,

en ook de konijntjes, die tusschen het hooge varenkruid ronddartelden,

en de eksters, met hare staalharde veeren en zwarte snavels, en de

egels, die zich tot stekelige kogels konden oprollen, en de groote

wijze schildpadden, die langzaam rondkropen en met het hoofd schudden

en aan de jonge blaadjes knaagden. Ja zeker, zij moest meekomen in

het bosch, en met hem spelen. Hij zou haar zijn eigen kleine bedje

afstaan, en aan het venster waken, totdat de morgen schemerde,

om op te passen dat de wilde boschbewoners haar geen kwaad deden,

en de uitgehongerde wolven de hut niet te dichtbij naderden.

En wanneer de morgen schemerde, zou hij aan de luiken kloppen en haar

wekken, en zij zouden in het bosch gaan en den ganschen dag tezamen

spelen. Waarlijk, in het bosch was het nooit eenzaam. Somwijlen reed

een bisschop voorbij op een wit muildier, en las in een beschilderd

boek. Somtijds kwamen er ook valkeniers langs, met groen fluweelen

mutsen op en in jassen van gelooide dierenhuid; op de hand hielden

zij de met kappen bedekte valken. Als het winter werd, kwamen

de druiventrappers met purperen handen en voeten, bekransd met

glanzend klimop, en zij droegen druipende lederen zakken vol wijn;

en de kolenbranders zaten in den nacht om hunne vuren, en keken toe,

hoe de drooge houtblokken langzaam in de vlammen verkoolden, en

zij poften kastanjes in de asch, en de roovers kwamen van uit hunne

schuilplaatsen te voorschijn en maakten gekheid met hen. Eens had hij

ook eene mooie processie gezien, die zich op den langen stoffigen weg

naar Toledo voortslingerde. De monniken liepen vooraan en zongen zoo

mooi; ze droegen bonte wimpels en gouden kruisen, en toen volgden

er soldaten in zilveren rusting en met pieken gewapend, en in hun

midden liepen er barrevoets drie mannen in zonderlinge gele gewaden,

die van boven tot beneden met prachtige figuren beschilderd waren,

en die droegen brandende kaarsen in de handen. O, in het bosch was er

onnoemelijk veel te zien, en wanneer zij vermoeid was, zou hij een

zacht bed van mos voor haar zoeken, of hij zou haar op zijne armen

dragen, want hij was heel sterk, al wist hij ook dat hij niet groot

was. Dan zou hij een ketting voor haar rijgen van hagedoornbessen,

die zouden even mooi zijn als de witte besjes, die zij op haar kleed

droeg; en wanneer de ketting haar verveelde, dan kon zij die weggooien

en hij zou andere bessen voor haar zoeken. Eikeldoppen zou hij haar

brengen en duizende anemonen, en kleine glimwormpjes, die als sterren

zouden flonkeren in het bleeke goud van heur haar.

Maar waar was zij? Hij vroeg het aan de witte roos, maar die antwoordde

hem niet. Het geheele paleis scheen in slaap gedompeld te zijn, en

zelfs daar, waar de luiken niet gesloten waren, hingen zware gordijnen

voor de vensters om de gloeihitte buiten te sluiten. Hij liep rond om

het heele paleis, in de hoop ergens een plaats te vinden waar hij zou

kunnen binnentreden. Eindelijk ontdekte hij een kleine verborgen deur,

die openstond. Hij sloop naar binnen en bevond zich plotseling in een

schitterende zaal, wel prachtiger, vreesde hij, dan het bosch; hier

was overal zoo veel meer goud, en zelfs de vloer bestond uit groote

gekleurde steenen, die op kunstige wijze tezamen waren gevoegd. Maar

de kleine Infante bevond er zich niet in, alleen eenige heerlijke

witte beelden, die van hunne jaspis-voetstukken op hem neerkeken met

treurige leege oogen en een vreemd lachje om de lippen.

Aan het einde van de zaal hing een rijkgeborduurd gordijn van zwaar

fluweel, dat bedekt was met zonnen en sterren, de lievelingsymbolen

des Konings, en ook het fluweel was van de kleur, die hij het liefste

had. Wellicht was zij daarachter verborgen? Hij wilde dit in elk

geval onderzoeken.

Zoo liep hij dan heel zacht tot aan het einde van de zaal en trok het

gordijn weg. Neen; er kwam nu slechts een andere kamer, nog mooier,

vond hij, dan die waaruit hij trad. De wanden waren hier geheel

behangen met groene, figuurrijke Arrazzis, met de hand vervaardigd

tapijtwerk, dat een jacht voorstelde; het was afkomstig van eenige

Vlaamsche kunstenaars, die meer dan zeven jaren voor de voltooiing

van dit werk noodig hadden gehad. Eenmaal was dit de kamer geweest

van Jean le Fou, zooals men hem noemde, den waanzinnigen Koning, die

de jacht zoo liefhad, dat hij dikwijls in zijne zins verbijsteringen

getracht had de groote steigerende rossen te bestijgen en het hert

neder te vellen waartegen de koppels honden opsprongen, terwijl hij op

zijn jachthoorn blies en met zijne dolk naar het bleeke wegvliedende

wild stiet. Nu gebruikte men dit vertrek als Raadszaal; op de tafel

in het midden lagen de roode portefeuilles van de ministers, waarop

de gouden tulpen van Spanje ingeprest waren, benevens het wapen en

de emblemen van het huis Habsburg.

De kleine dwerg zag in verwondering om zich heen en was bang om

verder te loopen. Die vreemde zwijgende ridders, die zoo snel door

de boschvlakten schenen te rijden, zonder het minste geruisch te

maken--zij herinnerden hem aan de angstwekkende phantomen, waarvan hij

de kolenbranders had hooren vertellen--de "Comprachos" die alleen in

den nacht gaan jagen, en, wanneer zij een menschelijk wezen tegenkomen,

hem in een hinde veranderen, en jacht op hem maken. Maar hij dacht

weer aan de liefelijke Infante en schepte moed. Hij wilde haar alléén

aantreffen om haar te kunnen zeggen, dat ook hij haar liefhad. Wellicht

was zij in het naaste vertrek.

Hij liep over de dikke Moorsche tapijten en opende de deur. Neen! Ook

daar was zij niet. De kamer was volkomen leeg. Het was een troonzaal,

die tot de ontvangst van vreemde gezanten diende, wanneer de

koning--hetgeen sedert lang niet meer het geval was geweest,--zich

bereid verklaard had eene private audiëntie te verleenen; dezelfde

kamer, waarin vele jaren geleden Engeland's afgezanten verschenen

waren om het verdrag tot het huwelijk hunner Koningin--toentertijd

eene der Katholieke vorstinnen van Europa--met des Keizers oudsten

zoon te sluiten. De behangsels waren van verguld Cordovaansch leder,

en een zware, vergulde kroon, met armen voor driehonderd waskaarsen,

hing van het zwart-en-witte plafond naar omlaag. Onder een groot

baldakijn van goudlaken, waarop de leeuwen en de torens van Castilië in

paarlen geborduurd waren, stond de troon, met een rijk zwart fluweelen

kleed overdekt, dat bestikt was met zilveren tulpen en omzoomd met

zilverfranje en paarlen.

Op de tweede trede van den troon stond het lage stoeltje der Infante,

waarop een kussen van met zilver bewerkt laken, en nog iets lager,

en buiten het bereik van den troonhemel, stond de zetel voor den

pauselijken Nuntius, die, alleen, het recht had in des Konings

tegenwoordigheid bij alle openbare plechtigheden te gaan zitten, en

wiens kardinaalshoed, met de in elkaar geslingerde scharlaken kwasten,

op een purperen tabouret daarvóór lag. Aan den wand tegenover den

troon hing een levensgroote beeltenis van Karel V in jachtcostuum,

aan zijne zijde een groote dog, terwijl het portret van Philips II,

die de hulde der Nederlanden aanvaardt, het midden van den anderen

wand in beslag nam. Tusschen de vensters stond een geheime kast van

zwart ebbenhout, met stukjes ivoor ingelegd, waarin de gestalten van

Holbein's Doodendans gesneden waren--eenige beweerden, door de hand

van den beroemden meester zelf.

Maar de kleine dwerg bekommerde zich niet om al die pracht. Zijne roos

zou hij niet om al de paarlen van den troonhemel weg hebben gegeven,

er niet, voor den ganschen troon, ook maar één blad van hebben

afgestaan. Hij wilde slechts de Infante zien, alvorens zij weer naar

buiten in de tent trad, en hij wilde haar smeeken met hem mee te gaan,

wanneer hij voor haar gedanst zou hebben. Hier in het paleis was de

lucht benauwd en zwaar, maar in het bosch woei een frissche wind, en

het zonlicht scheidde er met spelende goudvingeren de immer-trillende

blaadjes van-een. Ook bloemen groeiden in het bosch; misschien niet van

zoo kostbare soort als die in den tuin bloeiden, maar daarvoor geurden

zij ook des te heerlijker; in het voorjaar de hyacinthen, die met

golven van purper de koele ravijnen en de met gras begroeide heuvels

overdekten; gele primulas, die in kleine boschjes aan den vermolmden

voet der eikeboomen groeiden; bonte goudwortels en blauwe eereprijs

en paarsen en gouden iris. Aan de hazelnootsstruiken hingen grijze

pluimpjes en het vingerhoedskruid boog onder het gewicht van zijn

gevlekte bloesems, waarin de bijen graag huisden. De kastanjeboom droeg

fier zijn torentjes van witte sterren en de meidoorn was overgoten

met bleeke maantjes vol liefelijkheid. Ja, daar was geen twijfelen

aan: zij zou stellig meekomen, wanneer hij haar maar vinden kon. Zij

zou meekomen in het heerlijke bosch, en den ganschen dag-door zou

hij voor haar dansen, om haar blij te stemmen. Een lachje vonkte in

zijne oogen bij die gedachte en hij trad de naaste kamer binnen. Van

alle vertrekken was dit wel het schoonste en het schitterendste.

De wanden waren met rosekleurig damast uit Lucca bespannen, waarin

vogels en sierlijke zilveren bloesems geweven waren, de inrichting

was van massief zilver met bloeiende slingers omrankt, waartusschen

amoeretten zweefden; voor de twee groote schoorsteenen stonden

reusachtige schermen die met papegaaien en pauwen bewerkt waren,

en de vloer van zeegroene onyx, scheen zich in een ver verschiet te

verliezen. En hij was er niet alleen. Onder de schaduw van de deur aan

het andere einde van de kamer, ontwaarde hij eene kleine gestalte, die

hem aankeek. Zijn hart bonsde, een vreugdekreet ontglipte aan zijne

lippen en hij trad naar buiten in het zonlicht. Toen hij dit deed,

trad ook de gestalte naar buiten, en hij zag die nu zeer duidelijk.

De Infante! O, het was een monster, het vreemdsoortigste monster, dat

hij ooit in zijn leven gezien had. De gestalte was niet zoo gevormd

als die van alle andere menschen, maar toonde een bult en kromme

beenen, een groot neerhangend hoofd en lang zwart haar. De kleine

dwerg rimpelde het voorhoofd, en het monster rimpelde eveneens het

voorhoofd. Hij lachte, en het lachte met hem mede en drukte de handen

in de zijde, precies zooals hij deed. Hij maakte eene spottende diepe

buiging, en het begroette hem met denzelfden honenden groet. Hij ging

naar hem toe, en het kwam hem tegemoet en bootste elken voetstap

na die hij maakte, en het stond stil, wanneer hij stil stond. Hij

jubelde het uit van plezier en liep vooruit, en strekte zijn hand uit,

en de hand van het monster raakte de zijne aan, en die andere was

koud als ijs. Hij schrikte en trok zijn hand terug, en de hand van

het monster maakte hetzelfde gebaar. Hij beproefde verder te gaan,

maar iets glads en hards hield hem terug. Het gezicht van het monster

was nu dicht bij het zijne, en het scheen vol angst. Hij streek zich

het haar uit de oogen. De gestalte deed hetzelfde. Hij sloeg naar

haar, de gestalte gaf hem elken slag terug. Hij maakte grimassen,

en het monster trok eveneens de afschuwelijkste gezichten. Hij trad

achteruit, en getrouwelijk verwijderde zich de gestalte.

Wat beteekende dat? Hij peinsde een oogenblik na en zag toen om zich

heen in de zaal. 't Was vreemd, maar in dezen onzichtbaren wand van

helder water scheen elk voorwerp zijn eigen evenbeeld te hebben. Ja,

beeld na beeld, en stoel na stoel, herhaalde zich. De sluimerende

faun, die bij de nis, dicht naast de deur lag, had zijn slapenden

tweelingbroeder en de zilveren Venus daar in het zonlicht, strekte

den arm uit naar een Venus, die even schoon was als zij.

Was dat de echo? Eens had hij in het dal de echo aangeroepen, en woord

voor woord was tot hem teruggekomen. Kon de echo het oog bedriegen,

zooals zij het oor bedriegen kon? Kon zij een wereld van schijn in het

leven roepen, die aan de werkelijke wereld precies gelijk was? Konden

de schaduwen der voorwerpen kleur hebben en leven en beweging? Was

het mogelijk dat--?

Hij sidderde. Hij nam de heerlijke witte roos van zijn borst en keerde

zich om en kuste die. Het monster had eveneens een roos, blad voor

blad gelijk aan de zijne. En hij kuste de roos met even vurige kussen

en drukte die aan het hart met de afschuwelijkste gebaren.

Toen de waarheid hem langzamerhand duidelijk begon te worden, slaakte

hij een rauwen kreet van wanhoop en viel snikkend op den grond. Dus

hij zelf was zoo misvormd en bultig en afschuwelijk en grotesk

om aan te zien. Hij zelf was dus het monster, en om hem hadden de

kinderen gelachen en de kleine Prinses, die, zooals hij gemeend had,

hem liefhad--ook zij had alleen met zijn leelijkheid gespot en over

zijne misvormde ledematen hartelijk gelachen. Waarom had men hem

niet in het bosch gelaten, waar geen spiegels waren, die hem konden

zeggen hoe terugstootend hij was? Waarom had zijn vader hem niet

gedood in plaats van hem in zijne schande te verkoopen? De heete

tranen stroomden hem over de wangen, en hij scheurde de witte roos

aan stukken. Het kruipende monster deed hetzelfde, en wierp de blanke

bladen weg in de lucht. Het kroop over den grond, en wanneer hij er

naar keek, zag hij hoe het hem aanstaarde met smartelijk verwrongen

aangezicht. Hij wendde zich af om het niet meer te zien en bedekte

zijn oogen met zijne heete handen. Als een verwond dier sleepte hij

zich in de schaduw en bleef daar snikkend liggen.

Op dit oogenblik trad de Infante zelf door de openstaande balkondeur

binnen, gevolgd door hare speelgenooten; en toen zij den leelijken

kleinen dwerg op den grond zagen liggen, en bemerkten hoe hij op

fantastisch overdreven wijze met zijne gebalde vuisten om zich heen

sloeg, barstten de kinderen het uit in een luid, vroolijk gelach,

en zij omringden hem om hem beter gade te kunnen slaan.

--"Zijn dansen was vermakelijk," zeide de Infante; "maar zijn

komediespel is nog vermakelijker. Het is bijna zoo aardig als dat

van de marionetten, alleen maar lang niet zoo natuurlijk."

En zij wuifde zich met haar grooten waaier koelte toe en klapte

goedkeurend in de handen.

Maar de kleine dwerg zag niet een enkele maal tot haar op; zijn snikken

werd al zachter en zachter, en plotseling hijgde hij zonderling naar

lucht, en drukte zijne handen in de zijde. En toen viel hij achterover

en lag doodstil.

--"Dat is prachtig geweest!" zei de Infante na eene kleine pauze,

"maar nu moet je voor mij dansen!"

--"Ja," riepen de kinderen, "je moet opstaan en dansen, want je bent

net zoo knap als de baardapen, alleen ben je nog veel maller." Maar

de kleine dwerg antwoordde niet.

En de Infante stampte met haar voetje en riep haar Oom, die met

den kanselier op het terras stond, en eenige telegrammen doorlas,

die juist uit Mexico gekomen waren, waar kort te voren de Inquisitie

ingevoerd was geworden.

--"Mijn vroolijke kleine dwerg is uit zijn humeur," riep zij, "U

moet hem weer in goeden luim brengen, en hem zeggen, dat hij voor

mij dansen moet."

Don Pedro en de kanselier keken elkaar glimlachend aan en traden

naderbij en Don Pedro boog zich neer over den dwerg, en sloeg hem

met zijn gestikten handschoen op de wangen.

--"Je moet dansen," riep hij uit. "Klein monster, je moet dansen. De

Infante van Spanje en van beide Indische rijken wil geamuseerd worden."

Maar de kleine dwerg verroerde zich niet.

--"Men moet den zweepmeester laten halen," zeide Don Pedro lusteloos,

en trad weer naar buiten op het terras.

Maar de kanselier trok een ernstig gezicht, hij knielde naast den

kleinen dwerg neer en legde zijn hand op diens hart. En na eenige

oogenblikken, haalde hij even de schouders op, maakte voor de Infante

eene diepe buiging en sprak:

--"Mi bella Princesa, uw komieke kleine dwerg zal nooit meer

dansen. Het is jammer, want hij is zoo leelijk, dat hij zelfs den

Koning een glimlach had kunnen ontlokken."

--"Maar waarom zal hij dan niet meer dansen?" vroeg de Infante lachend.

--"Omdat zijn hart gebroken is," antwoordde de kanselier.

Er kwamen rimpels op het voorhoofd van de kleine Infante, en hare

fijne rozenlippen plooiden zich tot een uitdrukking van kinderlijke

verachting.

--"Voortaan mogen zij, die bij mij komen spelen geen harten hebben,"

sprak zij, en liep naar buiten in den tuin.

Het Granaatappelhuis · 第 10 / 18 题