DE VERJAARDAG DER INFANTE.

Het was de verjaardag der Infante. Zij was juist twaalf jaar oud

geworden en de zon scheen stralend in den tuin van het paleis.

Alhoewel zij eene heuschelijke Prinses, en de Infante van Spanje was,

had zij toch elk jaar maar één verjaardag, precies als de kinderen van

heele gewone menschen. Daarom deed natuurlijk het gansche land zijn

uiterste best, dat zij bij deze gelegenheid een echt pleizierigen dag

zou beleven. En het was dan ook inderdaad een heerlijke dag. De groote

gevlekte tulpen stonden kaarsrecht op hare stengels, als soldaten in

't gelid, en zij keken met uitdagende blikken in den tuin rond naar de

rozen en zeiden: "Wij zijn nu precies zoo mooi als jullie." De purperen

vlinders, met goudstof op de vleugels, fladderden in de lucht rond

en bezochten alle bloemen, de eene na de andere; de kleine hagedissen

kropen uit de reten der muren en lagen stil zich te koesteren in den

witten zonnegloed; en de granaatbloesems sprongen open in de hitte,

en toonden haar bloedrood hart. Zelfs de geelbleeke citroenen, die

in rijken overvloed aan de half vermolmde omheiningen, en langs de

donkere zuilengangen hingen, schenen rijker kleur van het heerlijke

zonlicht te hebben gedronken, en de magnoliaboomen openden hunne

groote langwerpige bloesemkelken van toegevouwen ivoor en vervulden

de lucht met zwaren, bedwelmend-zoeten geur.

De kleine Prinses liep met hare speelgenooten op het terras heen en

weer en speelde verstoppertje achter de steenen vazen en de oude met

mos bedekte beelden. Op gewone dagen mocht zij alleen met kinderen

van haar eigen rang spelen, bijgevolg moest zij dus altijd alleen

spelen; maar op haar verjaardag werd er eene uitzondering gemaakt,

en de Koning had bevel gegeven, dat zij van hare jonge vriendjes en

vriendinnetjes zoovele mocht uitnoodigen als zij maar wilde, en dat

zij naar hartelust pleizier konden maken. Eene statige sierlijkheid

scheen al dezen slankgebouwde Spaansche kinderen eigen, zoo als zij

zich spelend heen en weer bewogen, de knapen met hunne groote hoeden

met lange veeren en de korte, zwierige mantels om, de meisjes, zooals

zij de slepen harer lange brokaat japonnen droegen, en met groote

waaiers van zwart en zilver hare oogen voor de zon beschutten. Maar de

Infante was de liefelijkste van allen, en zij was ook het smaakvolste

gekleed, hoewel volgens de lastige mode van dien tijd. Haar kleed

was van grijze zijde, de zoom en de wijde poefmouwen zwaar met zilver

geborduurd, en het stijve keurslijf was met rijen van de heerlijkste

paarlen bezet. Wanneer zij liep, kwamen van onder den rok twee zeer

kleine schoentjes met groote roze strikken te voorschijn. Haar groote

waaier was van rose en paarlkleurig gaas, en in het haar, dat als een

aureool van lichtend goud stijf om haar bleek klein gezichtje stond,

droeg zij een mooie witte roos.

Van uit een venster van het paleis keek de zwaarmoedige Koning het

schouwspel toe. Achter hem stond zijn broeder, Don Pedro van Aragon,

dien hij haatte, terwijl zijn biechtvader, de Groot-Inquisiteur

van Granada, aan zijne zijde zat. Nog treuriger was de Koning dan

gewoonlijk, want, als hij naar de kleine Infante zag: hoe zij met

kinderlijken ernst de verzamelde hovelingen begroette, of achter

haar gazen waaier de knorrige Hertogin van Albuquerque, die haar

steeds begeleidde, uitlachte, dan moest hij aan hare moeder denken,

de jonge Koningin, die--zoo kwam 't hem voor--eerst kort geleden uit

het levenslustige Frankrijk was gekomen, om in den somberen glans

van het Spaansche hof alras te verwelken--want zij stierf zes maanden

na de geboorte van haar kind, aleer zij nog de amandelboomen van den

tuin voor de tweede maal had zien bloeien, en aleer zij opnieuw den

oogst geplukt had van den ouden gekromden vijgeboom, die eenmaal het

middelpunt vormde van den nu met gras begroeiden hof. Zoo groot was

zijne liefde voor haar geweest, dat hij niet eens het graf vergund

had haar aan zijn oog te onttrekken. Een Moorsch geneesheer, dien men

om dezen dienst zijn leven had geschonken, dat, zoo zeide men, reeds

wegens ketterij en verdenking van zwarte tooverkunsten aan de heilige

Inquisitie was vervallen, had haar gebalsemd; en zoo lag haar doode

lichaam nog juist zoo op de geborduurde baar in de zwarte marmeren

kapel van het paleis, als de monniken het, bijna twaalf jaar geleden,

op een stormachtigen dag in Maart naarbinnen gedragen hadden. Eenmaal

in het jaar ging de Koning, gehuld in een donkeren mantel en een

omfloerste lantaarn in de hand, naar de kapel, knielde neder aan

haar zijde en riep: "Mi reina! Mi reina!" En somtijds verbrak hij

zelfs de regels der etikette, die in Spanje elke handeling van het

leven beheerscht en tot voor de smart van een Koning zekere grenzen

bepaalt, greep de bleeke, met ringen gesierde handen, in een woeste

uitbarsting van wanhoop, en trachtte onder zijne hartstochtelijke

kussen het koude beschilderde gelaat te doen herleven. Heden was het

hem, als zag hij haar terug, zooals hij haar voor het eerst gezien

had, in het slot van Fontainebleau, toen hij vijftien jaren telde en

zij nog jonger was. Zij waren toen door den pauselijken Nuntius, in

tegenwoordigheid van den Koning van Frankrijk en van het geheele hof,

plechtig met elkaar verloofd geworden, en hij was in het Escuriaal

teruggekeerd en had een lok blond haar medegebracht en de herinnering

aan zachte kinderlippen, die zich naar omlaag bogen om hem de hand

te kussen, toen hij in zijn koets steeg. Later was toen de bruiloft

gevolgd, die in allerijl te Burgos, een kleine stad aan de grenzen

der beide Koninkrijken, voltrokken werd, en daarop de plechtstatige en

schitterende intocht te Madrid, met de gebruikelijke plechtige hoogmis

in de kerk La Atocha en een buitengewoon indrukwekkend autodafé,

bij welke gelegenheid ongeveer driehonderd ketters--waaronder zich

vele Engelschen bevonden--door de wereldsche gerechtigheid aan den

vuurdood waren overgeleverd geworden.

Waarlijk, hij had haar hartstochtelijk liefgehad, en, zoo beweerden

vele, niet tot heil van zijn vaderland, dat toentertijd met Engeland

oorlog voerde om het bezit der heerschappij in de Nieuwe Wereld. Ter

nauwernood had hij geduld dat zij zich uit zijne oogen verwijderde,

om harentwille had hij--zoo beweerde men althans--alle ernstige

staatsaangelegenheden vergeten; en, met blindheid geslagen, als zij

allen, die den slaaf zijn geworden van hunne hartstocht, had hij

niet eens bemerkt, dat die schitterende ceremoniën, waarmede hij

haar trachtte op te beuren, de vreemde ziekte, waaraan zij leed,

slechts had doen toenemen. Toen zij stierf, was hij een tijdlang

als een, die van zijn verstand beroofd was. Ja, ongetwijfeld zou hij

formeel afstand hebben gedaan van zijne koningsrechten, en zich in

het Trappistenklooster bij Granada, waarvan hij den Priortitel reeds

droeg, teruggetrokken hebben, zoo hij niet daarvoor teruggedeinsd

ware de kleine Infante in de macht van zijn broeder achter te laten,

wiens wreedheid tot zelfs in Spanje aanstoot gaf, en dien vele in

stilte beschuldigden den dood der Koningin, door middel van een paar

vergiftigde handschoenen, die hij haar zou hebben aangeboden, toen

zij eens als gast op zijn slot te Aragon vertoefd had, op zijn geweten

te hebben. Zelfs na afloop van den driejarigen algemeenen rouw, dien

hij door koninklijk besluit voor den ganschen omtrek van zijn gebied

voorgeschreven had, veroorloofde de koning nimmer zijne ministers

van eene nieuwe verbintenis te gewagen. En toen de Keizer-zelf

zijne afgezanten tot hem gezonden had om hem de hand zijner nicht,

de liefelijke Aartshertogin van Boheme, ten huwelijk aan te bieden,

had hij dezen opgedragen hunnen Heer te antwoorden, dat de Koning van

Spanje met de Smart een huwelijksband gesloten had, en dat hij haar,

al was zij ook een droeve bruid, meer liefhad dan de Schoonheid.

Dit antwoord had hem de rijke Provinciën der Nederlanden gekost;

want kort daarop stonden deze, meegesleept door eenige dweepers

der Gereformeerde kerk, die daartoe door den Keizer aangezet waren,

tegen hem op.

Het scheen hem toe, alsof heden zijn gansche huwelijksleven, met

al zijne matelooze, gloeiende vreugden en den vernietigenden slag

van een plotseling einde, hem weer voor den geest kwam, terwijl hij

toekeek en de Infante op het terras zag spelen. Het kind vertoonde in

geheel haar wezen denzelfden gratievollen overmoed der Koningin, zij

had dezelfde eigenzinnige manier om het hoofdje achterover te werpen,

denzelfden trotschen, fijn gevormden mond, denzelfden bekoorlijken

glimlach--vrai sourire de France--wanneer zij nu en dan naar het

venster opkeek, of wanneer zij den statigen Spaanschen edellieden hare

kleine hand tot den eerbiedigen handkus reikte. Maar het vroolijke

lachen der kinderen klonk hem smartelijk in de ooren, het heldere,

onmeedoogenlooze zonlicht scheen te spotten met zijn verdriet, en

het was hem, als vermengde zich een benauwde geur van vreemdsoortige

mirren, zooals zij voor het balsemen gebruikt worden--of was het

slechts verbeelding?--met de zuivere morgenlucht. Hij verborg zijn

gelaat in de handen, en toen de Infante wederom naar boven opkeek,

waren de gordijnen dichtgetrokken en had de Koning zich verwijderd.

Zij maakte een klein gebaar van teleurstelling en trok even hare

schouders op. Waarlijk, hij had wel bij haar kunnen blijven, op haar

verjaardag. Wat deerde het, of die malle staatsaangelegenheden nu

eens veronachtzaamd werden? Of was hij weer in die donkere kapel

gegaan, waar steeds de kaarsen brandden, en waar zij nooit mocht

binnentreden? Hoe dwaas van hem om zoo te doen, wanneer de zon zoo

helder scheen, en iedereen zich zoo gelukkig gevoelde! Bovendien

verzuimde hij nu het stierengevecht, waartoe de trompet reeds

het sein had gegeven, om niet van het poppenspel te spreken, en

van de andere heerlijke dingen. Haar oom en de Groot-Inquisiteur

waren verstandiger. Die waren naar buiten op het terras gekomen,

en zeiden haar aardige complimenten. Zoo wierp zij dan het hoofdje

in den nek, nam Don Pedro bij de hand, en ging langzaam de treden af,

naar een lange tent uit purperen zijde, die men achter in den tuin had

opgeslagen, terwijl de andere kinderen in strenge rangorde volgden:

zij, die de langste namen droegen, kwamen het eerst.

Een optocht van edelknapen, in fantastisch Toreadorgewaad gestoken,

schreed haar tegemoet, en de jonge Graaf van Tierra-Nueva, een

veertienjarige knaap van opmerkelijke schoonheid, ontblootte zijn

hoofd met de voorname gratie van een Hidalgo en Grande van Spanje,

en geleidde haar plechtstatig naar een zetel van goud en ivoor, die

op een verhoogd podium boven de arena was geplaatst. De kinderen

groepeerden zich om haar heen, bewogen hare groote waaiers en

fluisterden onderling, terwijl Don Pedro en de Groot-Inquisiteur

lachend aan den ingang bleven staan. Zelfs de Hertogin--men noemde

haar de Camerera-Mayor--eene magere dame, met scherpe trekken en

een breede geplooide gele kraag om den hals, keek heden niet zoo

slechtgeluimd als zij gewoonlijk placht te doen, er speelde zelfs iets

als een koud lachje op haar gerimpeld gelaat, en de dunne bloedelooze

lippen stonden niet zoo strak.

Het was werkelijk een zeer indrukwekkend stierengevecht en de Infante

vond het nog veel prachtiger dan het echte stierengevecht, waarheen men

haar eens in Sevilla medegenomen had, toen de Hertog van Parma haren

vader een bezoek bracht. Eenige der knapen reden op rijk-opgetuigde

hobbelpaarden in 't rond, en zwaaiden met lange werpspiesen, waaraan

bontgekleurde linten zwierden; andere waren te voet, zwenkten hunne

scharlakenroode doeken voor den stier, en sprongen behendig over de

barrière wanneer het dier hen aanviel. En de stier-zelf was precies als

een werkelijke stier, ofschoon hij slechts van gevlochten met leder

overtrokken riet vervaardigd was, en somtijds liep hij hardnekkig

op zijne achterpooten langs de geheele arena, wat een heuschelijken

stier in de verste verte niet zou zijn ingevallen. En hij weerde zich

prachtig, en de kinderen geraakten daarbij in zoo groote opwinding,

dat zij boven op de banken stegen en hunne kanten zakdoeken zwaaiden en

luide Bravo toro! riepen, Bravo toro! met dezelfde geestvervoering als

waren zij volwassen menschen. Ten slotte, na een langdurig gevecht,

waarbij eenige der opgezette paarden van alle kanten volslagen

doorstoken en de ruiters afgeworpen werden, deed de jonge graaf van

Tierra-Nueva den stier eindelijk op de knie neerzinken, en, nadat hij

van de Infante de toestemming had verkregen het dier de coup de grâce

te geven, stiet hij zijn houten zwaard met zulk een kracht in den hals

van den stier, dat de kop er van af vloog en het lachende gezicht van

den kleinen Monsieur de Lorraine, den zoon van den Franschen gezant

te Madrid, er uit te voorschijn kwam.

Daarop verlieten de dappere strijders onder uitbundig handgeklap de

arena, en werden de neergevelde hobbelpaarden door twee Moorsche

pages in geel-en-zwarte livereien plechtig weggesleept. Na een

kort tusschenspel, waarin een fransch koorddanser zijne kunsten

op het gespannen koord had laten bewonderen, verschenen toen eenige

italiaansche marionetten op het tooneel van een klein theater, dat voor

dit speciale doel was opgericht, en voerden de halfklassieke tragedie

"Sophonisbe" op. Zij speelden zoo uitmuntend, en de bewegingen waren

zoo natuurlijk, dat aan het slot van de voorstelling de oogen der

Infante vol tranen stonden. Eenige der kinderen weenden heusch

bitterlijk, zoodat men hen met bonbons moest troosten, en zelfs

de Groot-Inquisiteur was zoozeer onder den indruk geraakt, dat hij

tegenover Don Pedro de opmerking niet kon onderdrukken, dat het toch

eene kwellende gedachte was, dat simpele poppen van hout en gekleurde

was, die men door middel van mechaniek en ijzerdraden in beweging

bracht, zóó ongelukkig konden zijn, en door zoo zware rampen konden

getroffen worden.

Toen verscheen een afrikaansche goochelaar, die een groote mand,

bedekt met een rooden doek, binnendroeg. Hij plaatste die midden in

de arena, nam uit zijn tulband een zonderling rieten fluitje, en

begon daarop te fluiten. Na weinige oogenblikken ging de doek aan

het bewegen, en toen de man al scheller en scheller floot, staken

twee groen-gouden slangen hare platte koppen uit de mand, richtten

zich langzaam omhoog en wiegden zich heen en weer op de maat van de

melodie, zooals een plant in het water heen en weer deint. Maar de

kinderen waren bang geworden voor de gevlekte slangenkoppen met de snel

bewegelijke tongen, en vonden 't veel mooier toen de goochelaar een

kleinen citroenboom uit het zand liet opschieten die liefelijke witte

bloesems droeg en even later trossen van werkelijke vruchten; en toen

hij den waaier van het kleine dochtertje der markiezin de Las-Torres

nam en dien in een blauwen vogel omtooverde, die overal in de tent

rondfladderde en zong, toen kende de verbazing en de vreugde der

kinderen geen grenzen meer. Ook het deftige menuet, dat de dansknapen

der kerk van Nuestra Señora del Pilar ten uitvoer brachten, was vol

liefelijkheid en gratie. De Infante had deze prachtige ceremonie,

die elk jaar in Mei voor het hoogaltaar en ter eere der Heilige

Jonkvrouw plaats vindt, nog nooit aanschouwd. Want geen enkel lid der

koninklijke familie van Spanje had de kathedraal van Saragossa ooit

weder betreden, nadat een waanzinnig priester--vele beweerden dat hij

door Elisabeth van Engeland er toe was aangedreven geworden--getracht

had den Prins van Asturie een vergiftigde hostie toe te dienen. Zoo

kende zij slechts van hoorenzeggen dezen "Onze Lieve Vrouwendans,"

zooals men den dans noemde, en inderdaad vormde die een indrukwekkend

schouwspel. De knapen droegen oudmodische hofkleedij van wit fluweel,

hunne eigenaardige driekantige hoeden waren met zilveren franje omzet,

en met groote toeffen van wuivende struisvederen gesierd, terwijl het

verblindende wit van hun gewaad, wanneer zij zich in het zonlicht

bewogen, nog treffender uitkwam door de matgetinte aangezichten en

het lang-golvende donkere haar. Alle waren verrukt over de ernstige

waardigheid waarmede zij zich door de ingewikkelde figuren van den

dans heen bewogen, en over de volmaakte bekoorlijkheid hunner langzame

gebaren en fiere buigingen, en toen de opvoering geëindigd was, en zij

de groote met veeren versierde hoeden voor de Infante ter aarde lieten

zinken, aanvaardde zij de hulde met veel vriendelijke hoffelijkheid,

en deed de gelofte het altaar der Beschermvrouwe van Pilar een groote

waskaars te zullen wijden, ten dank voor het genoegen, dat zij haar

verschaft had.

Toen verscheen een groep fijngebouwde Egyptenaren--zoo noemde men in

dien tijd de Zigeuners--in de arena; met kruiselings gevouwen beenen

zetten zij zich in een kring ter neer en begonnen zachtkens op hunne

gitaren te tokkelen; daarbij bewogen zij hun lijf naar de maat der

melodie, en neurieden bijna onhoorbaar een zacht droomerig lied.

Toen zij Don Pedro zagen, keken zij somber voor zich uit, en eenige

onder hen werden zeer bevreesd; want eerst kort geleden had hij op

het marktplein van Sevilla twee van hunne troep wegens hekserij laten

ophangen. Maar de aanblik der allerliefste Infante, zooals zij daar

achterover geleund zat, en met hare groote blauwe oogen over haren

waaier heentuurde, vervulde hen met verrukking en zij gevoelden

dat, wie zóó liefelijk te aanschouwen was, tegenover niemand ooit

wreed zou kunnen zijn. En zoo speelden zij verder, heel zachtjes,

vluchtig--maar de snaren aanroerend met hunne lange puntige nagels,

terwijl hunne hoofden zich lichtelijk voorover bogen, als waren zij op

't punt van in te sluimeren. Maar plotseling sprongen zij overeind

met zulk een schrillen kreet, dat de kinderen verschrikt opvlogen,

en Don Pedro's hand naar den barnsteenen knop van zijn dolk greep,

en begonnen toen woest en uitgelaten in de arena rond te springen,

terwijl zij op hunne tamboerijnen sloegen en in hun vreemdsoortige

gutturale taal een wild liefdeslied aanhieven.

Op een tweede teeken wierpen zij zich echter alle weer op den grond, en

lagen daar volkomen stil; de eentonige klank der gitaren was het eenige

geluid, dat de stilte verbrak. Nadat zij dit eenige malen herhaald

hadden verdwenen zij voor een oogenblik, keerden toen met een bruinen,

ruig-harigen beer aan een ketting terug, en droegen op hunne schouders

kleine turksche baardapen. De beer buitelde met den grootsten ernst

op zijn kop, en de apen maakten allerlei oolijke kunststukken met

twee Zigeunerjongens die hunne meesters schenen te zijn, vochten

met kleine zwaarden, vuurden kleine kanonnen af en excerceerden

volgens alle regels, precies als 's konings eigen lijfwacht. Kortom,

de Zigeuners oogstten het grootste succes van het feest.

Maar het vroolijkste gedeelte van het geheele morgenprogramma vormde

toch zonder eenigen twijfel de dans van den kleinen dwerg.

Toen hij de arena kwam binnenloopen, terwijl hij op zijne kromme

beentjes voortstrompelde, en zijn wanstaltig groot hoofd naar rechts

en naar links boog, stietten de kinderen luide gilletjes uit van

verrukking, en de Infante zelf lachte zóó hartelijk, dat de Camerera

zich genoodzaakt zag, haar daaraan te herinneren, dat, mocht het

ook reeds voorgekomen zijn dat in Spanje een koningsdochter voor

haars-gelijke in rang tranen had gestort, het toch ongehoord was,

dat een Prinses van koninklijken bloede zich zoo vroolijk uitte in

tegenwoordigheid van dezulken, die in rang beneden haar stonden. Maar

de dwerg was dan ook werkelijk onweerstaanbaar, en zelfs het Spaansche

hof, dat reeds van eertijds bekend stond voor zijn verfijnde zucht

naar het afschrikwekkende, had nog nooit zulk een fantastisch klein

monster aanschouwd. Het was dan ook zijn allereerste optreden. Den

vorigen dag was men hem eerst op het spoor gekomen, terwijl hij wild

ronddoolde in een afgelegen deel van het kurkeikenbosch dat de geheele

stad omringt en waarin twee Granden zich ter jacht hadden begeven. Zij

hadden hem toen in het paleis gebracht, als eene verrassing voor de

Infante, en zijn vader, een arme kolenbrander, had er maar al te

gaarne vrede mee gehad, dat men hem van een leelijk en voor alles

onbruikbaar kind bevrijdde. Misschien was wel het allervermakelijkste

aan hem zijn volslagen onbekendheid met de groteske belachelijkheid

zijner verschijning. Hij scheen werkelijk volmaakt gelukkig te zijn

en was vol vroolijken luim. Wanneer de kinderen lachten, dan lachte

hij even vrij en vroolijk met hen mede, en aan het slot van elken

dans maakte hij naar alle kanten zijne bespottelijke buigingen en

lachte en knikte, alsof hij precies zoo-een was als zijne kleine

toeschouwers, en niet slechts een klein gedrochtelijk wezen, dat de

natuur in een grillige luim geschapen had om anderen ten zijnen koste

te vermaken. En de Infante oefende eene onweerstaanbare bekoring op

hem uit. Hij kon de oogen niet van haar afwenden en scheen uitsluitend

voor haar alleen te dansen. Aan het slot der voorstelling herinnerde

zij zich, eenmaal gezien te hebben, hoe de hooge dames van het hof

bloemen toewierpen aan den beroemden italiaanschen tenor Caffarelli,

dien de paus uit zijn eigen kapel naar Madrid had gezonden om door zijn

heerlijke stem den zwaarmoedigen Koning een weinig te verstrooien,

en daarom nam zij de witte roos uit heur haar, en wierp die, deels

uit scherts, deels om de Camerera te ergeren, met haar vriendelijkst

lachje in de arena. Maar de kleine dwerg nam alles hoogst ernstig op,

drukte de bloem aan zijne ruwe, grove lippen, en legde de hand op

het hart; zijn geheele gezicht vertrok zich tot een breeden grijns

van blijdschap, en zijne kleine oogen glinsterden van verrukking.

Toen was 't met den ernst der kleine Infante geheel gedaan; zij

lachte steeds uitbundiger, lachte zelfs nog, toen de kleine dwerg

reeds uit de arena weggestrompeld was, en vroeg haren oom om den dans

toch te laten herhalen. Maar de Camerera besliste het tegendeel,

met de bewering dat de zon reeds te brandend heet was, en dat het

dus beter zou zijn wanneer Hare Hoogheid onmiddellijk naar het paleis

terugkeerde, waar een schitterende maaltijd voor haar gereed stond,

met een echte verjaardagskoek, waarop hare eigene initialen, geheel

van gekleurde suiker, aangebracht waren, en waar boven een aardig

zilveren vlagje aan een kleine mast wapperde. Daarop verhief zich de

Infante met veel waardigheid van haar zetel en nadat zij bevolen had,

dat de kleine dwerg na de siesta nogmaals voor haar dansen zou, en

den jongen graaf Tierra-Nueva verzocht had aan allen haren dank over

te brengen voor den alleraangenaamsten morgen, ging zij terug naar

hare vertrekken, terwijl de kinderen in dezelfde rangorde volgden,

als zij gekomen waren.

Toen nu de kleine dwerg hoorde, dat hij nog eenmaal voor de Infante

dansen zou, en dat nog wel op haar eigen uitdrukkelijk verlangen, was

hij zóó trotsch, dat hij naar buiten in den tuin liep, de witte roos

in overstroomende vreugde aan zijne lippen drukte, en ook nog verder in

de meest dwaze en onbeholpen gebaren aan zijne verrukking uiting gaf.

De bloemen waren buiten zichzelve van verontwaardiging, dat hij het

gewaagd had haar mooi grondgebied binnen te dringen, en toen zij

zagen hoe dartel hij de paden op en neer huppelde, en daarbij op

zeer vermakelijke wijze met zijne armen boven zijn hoofd zwaaide,

konden zij hunne gevoelens niet langer bedwingen.

--"Hij is werkelijk te leelijk dan dat men hem had mogen veroorlooven

zich ook maar ergens te vertoonen, waar wij ons bevinden!" riepen

de tulpen.

--"Hij moest papaversap drinken, om voor duizend jaar lang in te

slapen," zeiden de groote zwaardlelies, en zij wondden zich zoo op,

dat zij rood werden van toorn.

--"Hij is een waar monster!" riep de kaktus. "Zie toch eens hoe krom

hij is en hoe misvormd, en zijn hoofd staat in heel geen verhouding

tot zijn beenen. Ik krijg heusch kippevel alleen al van 't zien en

wanneer hij dicht bij mij komt, zal ik hem met mijn doorns steken."

--"En daar heeft hij waarlijk een van mijne mooiste bloemen," sprak

de witte rozenstruik. "Ik heb die van morgen zelf aan de Infante als

verjaarsgeschenk aangeboden, en nu heeft hij ze van haar gestolen."

Het Granaatappelhuis · 第 9 / 18 题